Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.6.3
10.6.3 Schurende paradigma’s en de toekomst van het jeugdstrafrecht in Nederland
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Muncie 2009, p. 282. Zie hierover ook: Mijnarends 1999, p. 5-34.
Hierbij gaat het om ‘effectief’ in termen van het voorkomen van recidive, het bevorderen van re-integratie van de minderjarige en het stimuleren van de minderjarige tot aanvaarding van een constructieve rol in de samenleving als doelen van het jeugdstrafrecht (vgl. par. 3.4.2 en 4.2).
Vgl. Dhami’s (2005, p. 368) notie van ‘disagreement’. Zie par. 5.4.3.1.
Vgl. Bortner 1982, p. 245. Zie par. 10.3.2.2.
Zie par. 4.5.2 over de gedragsbeïnvloedende schorsingsvoorwaarden. Vgl. ook de door de staatssecretaris voorgestelde “matched care aanpak” in Kamerstukken II 2014-2015, 28741/29270, nr. 25, p. 2.
Zie naschrift.
Vgl. artikel 63, eerste lid Sv, artikel 65, eerste lid Sv en artikel 492 Sv.
Vgl. artikel 491, tweede lid Sv en artikel 494, eerste lid Sv.
Vgl. artikel 67 Sv.
Vgl. artikel 67a, eerste en tweede lid Sv.
Vgl. artikel 27, eerste lid BTJ, artikel 493, derde lid Sv, artikel 8, eerste lid, onder a Bjj, artikel 67a, derde lid Sv en artikel 80, tweede lid Sv.
Vgl. artikel 64 en 66 Sv en artikel 27, derde lid BTJ.
Vgl. artikel 81, 82 en 84 Sv.
Vgl. artikel 27 Sr jo. art. 77i, derde lid Sr, art. 77m, zevende lid Sr en art. 77l, zevende lid Sr.
In deze afsluitende paragraaf wordt stilgestaan bij de (soms) gespannen verhouding tussen twee leidende paradigma’s binnen het jeugdstrafrecht en de wijze waarop hiermee om zou moeten worden gegaan bij het bepalen van de (toekomstige) koers van het jeugdstrafrecht in Nederland. Dit onderzoek weerspiegelt onmiskenbaar de spanning tussen de paradigma’s van ‘welfare’ en ‘justice’ die besloten ligt in het jeugdstrafrecht.1 De welfare-benadering, waarin de individuele behoeften (“needs”) van de minderjarige leidend zijn voor het interveniëren in het jeugdstrafrecht, komt sterk naar voren in de percepties van de professionals van de Raad voor de Kinderbescherming, jeugdreclassering en justitiële jeugdinrichtingen, maar is tevens te herkennen in de opvattingen van rechters, officieren van justitie en advocaten. Tegelijkertijd reflecteren de opvattingen van vooral deze laatstgenoemde actoren ook een justice-benadering, waarin de daad (“deed” ofwel het strafbare feit) waarop wordt gereageerd centraal staat als rechtvaardiging en maatstaf voor jeugdstrafrechtelijk ingrijpen. Deze duale benadering is inherent aan het karakter van het Nederlandse jeugdstrafrecht als (klassiek) schuldstrafrecht met een pedagogische invalshoek, maar is niet per definitie probleemloos. Dat deze uiteenlopende paradigma’s kunnen schuren, is een constatering die als een rode draad door dit onderzoek is gelopen.
Desalniettemin hebben beide benaderingen elkaar nodig om een goed functionerend en kinderrechtenconform jeugdstrafrechtsysteem te realiseren, waarmee zo effectief mogelijk kan worden gereageerd op delictgedrag van minderjarigen2 en tegelijkertijd voldoende rechtsbescherming wordt geboden tegen onrechtmatig en willekeurig overheidsingrijpen. Dit veronderstelt dat het jeugdstrafrecht ruimte biedt voor op de individuele minderjarige toegesneden interventies (lees: maatwerk), maar ook voorziet in voldoende rechtswaarborgen. De bevindingen van dit onderzoek illustreren het belang van dit ‘evenwicht’. Zo is laten zien dat verschillende rechters weliswaar allemaal de intentie kunnen hebben om in elke jeugdstrafzaak ‘maatwerk’ te leveren op basis van de ‘pedagogische behoeften en belangen’ van de minderjarige, maar dat hun opvattingen over welke aanpak ‘pedagogisch effectief’ is nogal uiteen kunnen lopen. Verschillende rechters kunnen in – qua strafbare feiten – soortgelijke zaken dus tot verschillende beslissingen komen, maar niet enkel vanwege de verschillende omstandigheden van de minderjarigen waarover wordt beslist, doch ook vanwege verschillen in de opvattingen van de rechters die de beslissingen nemen.3 Hierdoor wordt de lijn tussen maatwerk en willekeur wel erg dun.4 Fundamentele beginselen, vertaald in concrete rechtswaarborgen, zijn dan ook van groot belang om de grenzen te stellen waarbinnen dit ‘maatwerk’ vorm moet krijgen. Aangenomen kan worden dat dit niet alleen geldt voor beslissingen van rechters over de voorlopige hechtenis, maar voor alle beslissingen van actoren (lees: politie, officieren van justitie, rechters, jeugdreclasseerders) over interventies in het kader van het jeugdstrafrecht.
Deze balans tussen welfare en justice moet tevens tot uitdrukking komen in wetgeving en beleid. In de afgelopen jaren is in wetgeving en beleid sterk de nadruk gelegd op het realiseren van een effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit. Niet zelden hebben fundamentele beginselen, waaronder de proportionaliteit, subsidiariteit en de onschuldpresumptie, omwille van effectiviteitsargumenten aan kracht moeten inboeten.5 Het is zaak dat de wetgever en de beleidsmakers bij het bepalen van de toekomstige koers van het jeugdstrafrecht – meer specifiek in het kader van het thans lopende wetgevingstraject ‘Modernisering Wetboek van Strafvordering’ en het beleidstraject ‘Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd’6 – inzetten op een systeem dat ruimte biedt voor effectief ingrijpen, doch zonder de waarde van fundamentele beginselen uit het oog verliezen. Slechts dan kan een kinderrechtenconform jeugdstrafrecht worden gerealiseerd, waarin er, mét inachtneming van het recht op een eerlijk proces en het recht op persoonlijke vrijheid en de daaraan verbonden rechtswaarborgen, naar wordt gestreefd om recidive te voorkomen, de re-integratie van de minderjarige te bevorderen en de minderjarige te stimuleren tot aanvaarding van een constructieve rol in de samenleving.7
Appendix bij hoofdstuk 10: Concept-wettekst model van voorlopige preventieve maatregelen voor minderjarigen
Artikel I8
De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie, een bevel tot een voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen, als bedoeld in het eerste lid van artikel IIIb, ten aanzien van verdachte verlenen.
De rechtbank kan, op de vordering van de officier van justitie en met inachtneming van artikel IV, een voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen, als bedoeld in het eerste lid van artikel IIIb, verlengen.
De rechtbank die een voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen verlengt, als bedoeld in het tweede lid, kan daarin wijzigingen aanbrengen. Artikel V, eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
De rechter-commissaris, als bedoeld in het eerste lid, is een kinderrechter. De rechtbank, als bedoeld in het tweede lid, betreft een meervoudige raadkamer, waaraan een kinderrechter deelneemt. De officier van justitie, als bedoeld in het eerste en tweede lid, is een jeugdofficier van justitie.
Artikel II9
De officier van justitie slaat acht op de rapportage van de raad voor de kinderbescherming, die is opgemaakt gedurende de inverzekeringstelling van de verdachte, alvorens hij overgaat tot een vordering tot een voorlopige preventieve maatregel of een combinatie van voorlopige preventieve maatregelen. Indien er geen rapportage beschikbaar is, wint de officier van justitie bij de raad voor de kinderbescherming inlichtingen in omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte, alvorens hij overgaat tot een vordering als bedoeld in de eerste volzin.
Indien de officier van justitie de voorlopige hechtenis, als bedoeld onder 9°, 10° of 11° van het eerste lid van artikel IIIb, vordert, dan is hij aanwezig bij de behandeling van deze vordering door de rechter-commissaris of rechtbank [raadkamer].
Artikel III10
Een bevel tot een voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen kan worden gegeven in geval van verdenking van: a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;
(…)
(…)
(…)
De voorgaande leden van dit artikel vinden alleen toepassing wanneer uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte.
(…)
Artikel IIIa 11
Een minderjarige verdachte mag in beginsel zijn proces in vrijheid afwachten zonder te zijn gebonden aan voorlopige preventieve maatregelen. Een op artikel III gegrond bevel kan slechts worden gegeven indien dit strikt noodzakelijk is omdat:
uit bepaalde gedragingen van de verdachte, of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van acuut en ernstig gevaar voor vlucht;
er sprake is van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en er sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat het achterwege blijven van een op artikel III gegrond bevel, gelet op de ernst van het feit en de publieke reactie daarop, zal leiden tot ernstige maatschappelijke onrust;
1°.sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan;
sprake is van een verdenking van een der misdrijven omschreven in de artikelen 285, 300, 310, 311, 321, 322, 323a, 326, 326a, 350, 416, 417bis, 420bis of 420quater van het Wetboek van Strafrecht, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de dag waarop de verdachte wegens een van deze misdrijven onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en voorts er sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat de verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan; of
er sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat de verdachte het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid zal frustreren.
Artikel IIIb 12
Een op artikel III en IIIa gegrond bevel houdt in het opleggen van één of meer van de volgende voorlopige preventieve maatregelen:
een gebod zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de jeugdige zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
een gebod tot het aanvaarden van intensieve begeleiding;
een gebod tot het volgen van een leerproject;
een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
een gebod zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
een verbod om zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
een gebod om op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode, doch niet langer dan twaalf uren achtereen, op een bepaalde locatie aanwezig te zijn, niet zijnde een inrichting als bedoeld in de Bjj of andere gesloten justitiële instelling;
voorlopige hechtenis op een daartoe geschikte plaats, niet zijnde een inrichting als bedoeld in de Bjj;
voorlopige hechtenis, waarbij de verdachte gedurende de nacht verblijft in een inrichting als bedoeld in de Bjj, dan wel op een andere plaats als bedoeld onder 9°, en gedurende de dag in de gelegenheid wordt gesteld de inrichting of plaats te verlaten;
voorlopige hechtenis als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a Bjj;
andere voorlopige preventieve maatregelen die strikt noodzakelijk zijn op grond van artikel IIIa.
Aan een voorlopige preventieve maatregel kan elektronisch toezicht worden verbonden. Voorlopige hechtenis, als bedoeld onder 11° van het eerste lid, kan niet worden gecombineerd met andere voorlopige preventieve maatregelen, noch met elektronisch toezicht.
De rechter kan een gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorlopige preventieve maatregelen en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onder 1°, of de voorlopige preventieve maatregel, bedoeld in het eerste lid, onder 12°, kunnen geheel of ten dele bestaan uit een vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, indien het college van burgemeester en wethouders een besluit tot het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet, heeft genomen.
a) De rechter beveelt geen andere of ingrijpendere voorlopige preventieve maatregelen dan die strikt noodzakelijk en proportioneel zijn om één of meer van de in artikel IIIa opgesomde gevaren die aan het bevel ten grondslag liggen af te wenden. b) De rechter kan slechts voorlopige hechtenis, als bedoeld onder 9°, 10° en 11° van het eerste lid, bevelen indien onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte strikt noodzakelijk en proportioneel is om één of meer van de in artikel IIIa opgesomde gevaren die aan het bevel ten grondslag liggen af te wenden. c) Voorlopige hechtenis als bedoeld onder 11° van het eerste lid mag slechts als uiterste maatregel worden bevolen.
Een bevel tot voorlopige hechtenis, als bedoeld onder 9°, 10° en 11° van het eerste lid, blijft achterwege, wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij door het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.
Aan het bevel tot één of meer voorlopige preventieve maatregelen, als bedoeld in het eerste lid, worden de volgende aanvullende verplichtingen verbonden:
dat de verdachte, indien een wijziging van de voorlopige preventieve maatregelen wordt bevolen, als bedoeld in het eerste lid van artikel V, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel niet zal onttrekken;
dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige preventieve maatregel of de combinatie van voorlopige preventieve maatregelen is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;
dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Artikel IV13
Het bevel tot een voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen is van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn die duur van de termijnen als bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid niet te boven gaat, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging. Een bevel als bedoeld in de eerste volzin duurt niet langer voort dan strikt noodzakelijk is op grond van artikel IIIa.
Het bevel tot voorlopige hechtenis, als bedoeld onder 9°, 10° en 11° van het eerste lid van artikel IIIb, gaat de duur van veertien dagen niet te boven.
De termijn gedurende welke het bevel tot voorlopige hechtenis, als bedoeld in het tweede lid, van kracht is, kan door de rechtbank, op de vordering van de officier van justitie, vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting ten hoogste driemaal worden verlengd. Een bevel tot verlenging van voorlopige hechtenis, als bedoeld in de eerste volzin, gaat de duur van veertien dagen niet te boven, tenzij zwaarwegende omstandigheden, niet zijnde de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft, daartoe aanleiding geven en de verdachte daarmee instemt. De duur van het bevel tot voorlopige hechtenis en de verlengingen daarvan tezamen vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting gaan een periode van zesenvijftig dagen niet te boven.
Het bevel tot een voorlopige preventieve maatregel, als bedoeld onder 2°, 5°, 6°, 7° en 8° van het eerste lid van artikel IIIb, gaat de duur van negentig dagen niet te boven. De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door de rechtbank [raadkamer], op de vordering van de officier van justitie, voorafgaand aan de uitspraak in eerste aanleg eenmaal met ten hoogste negentig dagen worden verlengd.
Het bevel tot de voorlopige preventieve maatregel, als bedoeld onder 3° van het eerste lid van IIIb, gaat de duur van honderdtwintig uren niet te boven.
Een bevel tot een voorlopige preventieve maatregel of een combinatie van voorlopige preventieve maatregelen, als bedoeld in het eerste lid van artikel IIIb, en de verlengingen daarvan tezamen gaan voorafgaand aan de uitspraak in eerste aanleg de duur van honderdtachtig dagen niet te boven, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn, als bedoeld in de eerste volzin, gaat in op de dag waarop het eerste bevel tot een voorlopige preventieve maatregel of een combinatie van voorlopige preventieve maatregelen is afgegeven. De uitvoering van het leerproject, als bedoeld onder 3° van het eerste lid van artikel IIIb, eindigt van rechtswege als de in de eerste volzin bedoelde termijn is verstreken.
Bijzondere omstandigheden, als bedoeld in de eerste volzin van het zesde lid, kunnen gelegen zijn in de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Artikel V14
Een bevel tot één of meer voorlopige preventieve maatregelen kan door de rechter te allen tijde ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte worden gewijzigd. De rechter kan de voorlopige preventieve maatregelen slechts uitbreiden of verzwaren indien uit bepaalde omstandigheden blijkt dat dit strikt noodzakelijk is om één of meer van de in artikel IIIa opgesomde gevaren die aan het bevel ten grondslag liggen af te wenden.
Indien de verdachte een bevolen voorlopige preventieve maatregel, waaronder ook begrepen de aanvullende verplichtingen als bedoeld in het zesde lid van artikel IIIb, niet naleeft, of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht, waardoor de officier van justitie voornemens is wijziging van de voorlopige preventieve maatregel te vorderen strekkende tot voorlopige hechtenis van de verdachte, als bedoeld onder 9°, 10° en 11° van het eerste lid van artikel IIIb, dan kan zijn aanhouding worden bevolen door de officier van justitie. De officier van justitie dient onverwijld zijn vordering bij de rechter in, die binnen vierentwintig uren daarna beslist.
Artikel VI15
Bij het opleggen van jeugddetentie of een taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorlopige hechtenis, als bedoeld onder 9°, 10° en 11° van het eerste lid van artikel IIIb, is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
Bij het berekenen van de in mindering te brengen tijd geldt de eerste dag van de verzekering als een volle dag en blijft de dag waarop zij is geëindigd buiten beschouwing.
De rechter kan een overeenkomstig bevel, als bedoeld in het eerste lid, geven bij het opleggen van een geldboete. Indien hij dit bevel geeft, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
De rechter kan een bevel, als bedoeld in het eerste en derde lid, geven ten aanzien van de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak gebonden is geweest aan één of meer voorlopige preventieve maatregelen als bedoeld onder 1° tot en met 8° of 12° van het eerste lid van artikel IIIb. Indien hij dit bevel geeft, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
De voorgaande leden van dit artikel zijn ook van toepassing in gevallen waarin, bij gelijktijdige vervolging wegens twee of meer feiten, de veroordeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan dat waarvoor de verzekering, de voorlopige hechtenis of een andere voorlopige preventieve maatregel is bevolen.