Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/4.3.3.4
4.3.3.4 Rechtspraak
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197316:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 6 oktober 2005, nr. 1513/03 (Draon v. France), EHRC 2005/112, par. 65: “The Court takes the view that where the proprietary interest is in the nature of a claim it may be regarded as an “asset” only where it has a sufficient basis in national law, for example where there is settled case-law of the domestic courts confirming it”.
EHRM 10 mei 2012, nr. 34796/09 (Albu and Others v. Romania),EHRC 2012/184, par. 47.
Vgl. het in par. 5.3 besproken arrest Serkov v. Ukraine, waarin het EHRM oordeelde dat tegenstrijdige rechtspraak in strijd kan komen met de eis van lawfulness wegens gebrek aan voorspelbaarheid en duidelijkheid.
EHRM 6 december 2007, nr. 30658/05 (Beian c. Roumanie), EHRC 2008/14.
Sigron 2016, p. 123.
In par. 5.3 komen de kwaliteitseisen die het EHRM stelt aan rechterlijke beslissingen aan de orde.
EHRM 2 december 2008, nrs. (Slavov and others v. Bulgaria), par. 86.
Verwachtingen van belastingplichtigen over het bestaan van een belastingvordering kunnen ook worden gebaseerd op jurisprudentie. Die jurisprudentie moet dan wel de status van “settled case-law” hebben.1 Als er geen eenduidige nationale rechtspraak bestaat, kan er in beginsel geen legitimate expectation ontstaan. Zo hadden de belanghebbenden in Albu and Others v. Romania (betreffende de vraag of ambtenaren recht hadden op bepaalde toeslagen op hun salaris) gezien de stand van de nationale rechtspraak geen legitimate expectation:2
“However, no legitimate expectation can be said to arise where there is a dispute as to the correct interpretation and application of domestic law and the applicant’s submissions are subsequently rejected by the national courts.
(…) In the present cases, the applicants’ alleged salary entitlements, although expressly recognised by the State in the relevant domestic legislation, cannot be regarded as having sufficient basis in domestic case-law, since the courts gave varying and even conflicting interpretations of the relevant legal provisions, resulting in a long-lasting divergence in the case-law on the matter.”
In de onderhavige situatie, die werd gekenmerkt door een “long-lasting divergence in the case-law on the matter”, kon dus niet worden gesproken van “settled case-law” en hadden de ambtenaren geen legitimate expectation ten aanzien van de loontoeslagen. In dit geval hadden de belanghebbenden dus geen toegang tot artikel 1 Eerste Protocol. Als er wel een aantasting van kwalificerend ‘eigendom’ zou zijn geweest (bijvoorbeeld als het geschil zou gaan over een heffing van belasting), dan zou de long-lasting inconsistente rechtspraak mogelijk unlawful zijn en daarom in strijd met artikel 1 Eerste Protocol.3
Uit Albu and Others v. Romania volgt dat tegenstrijdige rechtspraak prohibitief kan zijn voor het aannemen van een legitimate expectation. Een ander beeld komt naar voren in Beian c. Roumanie4 betreffende een verzoek om (financiële) compensatie voor in het communistische tijdperk tijdens de dienstplicht verrichte dwangarbeid. Het EHRM oordeelde dat artikel 6 EVRM (fair trial) was geschonden, door tegenstrijdige rechtspraak van de Roemeense Hoge Raad. Toch nam hij ook aan dat die rechtspraak bij de betrokkende de legitimate expectation had doen ontstaan dat recht bestond op de gevraagde compensatie voor de dwangarbeid. Dit oordeel staat op gespannen voet met het hiervoor genoemde arrest Albu and Others v. Romania, waaruit nu juist kon worden opgemaakt dat tegenstrijdige nationale rechtspraak in de weg staat aan een legitimate expectation. Volgens Sigron5 zou de beslissing in Beian c. Roumanie verklaard kunnen worden vanuit de wens van het EHRM om rechtszekerheid ten aanzien van de bescherming van grondrechten te bewerkstellingen. In haar visie speelt het discriminatieverbod daarbij een rol, in die zin dat een burger moet kunnen vertrouwen op de uitspraken van de rechter die in zijn voordeel zijn beslist. Met andere woorden: als Beian geen vertrouwen zou kunnen ontlenen aan een begunstigende uitspraak van een rechter zou hij worden gediscrimineerd ten opzichte van degenen die wel zijn behandeld overeenkomstig die uitspraak. Of de gunstige uitspraken juridisch gezien ‘juist’ zijn is dan niet relevant zolang de burger maar te goeder trouw is. Ik heb enige moeite met deze redenering. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat alleen “settled case-law” kan leiden tot een legitimate expectation. De omstandigheid dat er tegenstrijdige rechtspraak bestaat zou daarom prohibitief moeten zijn voor het aannemen van een possession. In ieder geval kan die verwachting niet worden gebaseerd op rechtspraak, maar wellicht wel op beleid of feitelijke gedragingen van de autoriteiten.
Van inconsistente rechtspraak moet worden onderscheiden de situatie waarin de rechter terugkomt van eerdere rechtspraak en dus ‘omgaat’. Op zich heeft het EHRM daar geen moeite mee, zolang er goede redenen voor bestaan.6 Nadat de rechter is ‘omgegaan’ kan een belastingplichtige geen vertrouwen meer ontlenen aan de oude (inmiddels achterhaalde) interpretatie. Zolang de hoogste rechter zich nog moet uitspreken over de uitleg van een wettelijke bepaling kan evenmin sprake zijn van een legitimate expectation, zoals volgt uit Slavov and Others v. Bulgaria:7
“At the time when they lodged their requests (…) the legal provision serving as basis for them had been under challenge before the Constitutional Court for several months. That court had already declared the challenge admissible and had examined it at a hearing (…). The applicants could not have been unaware of these developments, which greatly limited the extent of their expectation.”