Afscheid van de klassieke procedure?
Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.2:III.7.2 Nieuwe procesmodaliteiten?
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.2
III.7.2 Nieuwe procesmodaliteiten?
Documentgegevens:
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS303142:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Welke procedures kunnen dan het meest recht doen aan de betrokken belangen binnen de geïdentificeerde rechtsbetrekkingen tussen verdachte en overheid, slachtoffer en overheid en slachtoffer en verdachte? Verdient het aanbeveling het buitengerechtelijk spoor verder uit te bouwen, en zo ja, in welke richting? Of is er juist aanleiding terug te keren naar de klassieke rechterlijke procedure?
Het antwoord op deze laatste vraag is eerder in dit betoog al gegeven: procesdifferentiatie en de daaraan verbonden differentiatie in de sanctionering is een onomkeerbaar gegeven.1 Het strafrecht is een optimum remedium geworden en maakt deel uit van een palet aan middelen dat de overheid tot haar beschikking heeft om maatschappelijke problemen op te lossen. De indringendheid van een strafrechtelijke reactie en de daaraan verbonden sociale kosten spelen nog wel een rol, maar deze factoren worden getemperd door de mogelijkheid tot afdoening via het buitengerechtelijk spoor. Andere scenario’s waarin sprake zou zijn van een min of meer volledige terugkeer naar het klassieke model van berechting door de rechter zijn denkbaar, maar vragen om een maatschappelijke en politieke heroriëntatie op de betekenis van het strafrecht én van de betekenis van het recht als maatschappelijk sturingsinstrument in het algemeen. Zo’n omslag in het maatschappelijk en politieke denken over de betekenis van het (straf)recht lijkt zich echter niet af te tekenen. Er is echter evenmin gerede aanleiding om te veronderstellen dat het strafrecht in verdere mate zal ‘civiliseren’ of ‘privatiseren’ dan momenteel het geval is. Onze voorstellen liggen dan ook niet veraf van het huidige bestel, maar betreffen veeleer modificaties van bestaande procedures met daaraan verbonden de nodige aanpassingen van het regime van rechtsbescherming binnen deze procedures. Zoals eerder opgemerkt gaan we daarbij ook uit van de (voorlopige) onomkeerbaarheid van de ZSM-werkwijze als context waarbinnen de afdoeningsbeslissing veelal wordt genomen. Tot slot dienen onze voorstellen te worden gelezen tegen de achtergrond van de aan de strafrechtelijke rechtsbetrekking noodzakelijk verbonden wederkerigheid tussen overheid en rechtssubject en rechtssubjecten onderling, die mede impliceert dat de bij de rechtsbetrekking betrokken ‘partijen’ over en weer zekere verantwoordelijkheden jegens elkaar hebben.