Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§4.7.:§4.7. De accountant en de dualisering — versterking van de raad?
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§4.7.
§4.7. De accountant en de dualisering — versterking van de raad?
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een groot gedeelte van de ontwikkelingen ten aanzien van accountantscontrole heeft buiten het bestek van de dualiseringswet- en regelgeving plaatsgevonden. Voor wat betreft de reikwijdte en diepgang van de rechtmatigheidscontrole en nog een aantal kleinere punten heeft de wetgever echter wel een nadrukkelijk verband gelegd met de dualisering. In het kader daarvan kan de vraag worden gesteld of deze wijzigingen hebben geleid tot een versterking van de positie van de raad.
Ten aanzien van de aanwijzing van de accountant kan in ieder geval worden gesteld dat de positie van de raad is verduidelijkt. Hoewel het maar zeer de vraag is of de aanstelling van de accountant onder de vigeur van de Gemeentewet-1992 door een ander orgaan dan de raad kon geschieden, is het verstandig dit nu met zoveel woorden in de Gemeentewet te verankeren. Ten aanzien van de omvang van de accountantscontrole — en meer specifiek ten aanzien van de inhoud van de rechtmatigheidscontrole — is gewezen op een discrepantie tussen de taakopvatting van de accountants vóór de dualsering en de uitleg die de wetgever aan het toenmalige recht gaf, zodat ook hier niet echt sprake is van versterking van de rol van de raad. Niettemin kan worden toegejuicht dat middels de dualiseringswetgeving getracht is deze discrepantie grotendeels uit de wereld te helpen. Misverstanden over het beeld dat gemeenteraden hebben van de controle die de accountant uitvoert en zijn daadwerkelijke werkzaamheden, zouden hierdoor grotendeels tot het verleden moeten gaan behoren. Winst is bovendien dat het overbruggen van de zogeheten 'verwachtingskloof' niet alleen tot stand gekomen is door de daadwerkelijke — mijns inziens te beperkte — accountantswerkzaamheden onder de vigeur van de Gemeentewet-1992 te codificeren. Door accountants te dwingen een diepgaander rechtmatigheidsonderzoek te verrichten, is voor een belangrijk gedeelte juist tegemoetgekomen aan de perceptie van de gemeenteraden.
De weifelachtige houding van de regering ten aanzien van het onrechtmatig verklaren van begrotingsoverschrijdingen kan worden gezien als een verzwakking van de positie van de gemeenteraad. Deze houding kan namelijk slechts leiden tot een grote relativering van de kaders die de gemeenteraad stelt bij het vaststellen van de begroting. Dit zorgt voor een uitholling van het begrotingsrecht van de raad, waarbij het de vraag is welke omstandigheden hiertoe ilberhaupt nopen. Dit is des te onbegrijpelijker ten aanzien van gemeenteraden die zich hebben laten leiden door de opvattingen van de regering en de Handreikingen over het hoge aggregatieniveau van begrotingen 'nieuwe stijl'. Juist als de begroting bestaat uit een beperkt aantal programma's en programmaonderdelen, kan niet worden ingezien waarom een overschrijding van deze — noodzakelijkerwijs — omvangrijke begrotingsposten niet zonder meer als onrechtmatig wordt beschouwd, ook al zou deze overschrijding passen binnen het gemeentelijke beleid.