Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.2
IX.3.5.2 Het schemergebied: de opeisbaarheid van de vordering is afhankelijk van toekomstige onzekere omstandigheden
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS354043:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G (WUH/Emmerig q.q.), r.o. 3.2, waaruit volgt dat huurvorderingen toekomstige vorderingen zijn, omdat zij afhankelijk zijn van het intreden van een toekomstige onzekere omstandigheid, te weten het werkelijke verschaffen van het huurgenot.
Zie echter ook de arresten SOS/ABN en WUH/Emmerig q.q. waarin de Hoge Raad overweegt dat een toekomstige vordering moet worden onderscheiden van een terstond krachtens overeenkomst ontstane vordering onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde of tot terstond vaststaande periodieke betalingen. Hiermee lijkt de Hoge Raad te suggereren dat vorderingen onder tijdsbepaling of tot periodieke betalingen toch toekomstig kunnen zijn, voor zover ze niet terstond krachtens overeenkomst zijn ontstaan. Ik acht het aannemelijk dat de Hoge Raad hiermee slechts heeft willen aangeven, dat vorderingen die behalve van een tijdsbepaling ook afhankelijk zijn van een toekomstige onzekere omstandigheid, mogelijk als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt. Denk aan huurvorderingen die niet alleen afhankelijk zijn van tijdsbepalingen, maar ook van het verschaffen van het huurgenot door de verhuurder.
Met nadruk zij gesteld dat het een relatief duidelijk criterium is, aangezien er gevallen denkbaar zijn waarin niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de schuldenaar werkelijk gehouden zal zijn een prestatie te verrichten.
Zie voor deze opvatting: Ophof 1991, p. 75-76 en A.H. Scheltema 2003, p. 308. Vgl. Out 2002, p. 77 e.v. Zie verder reeds Scholten in zijn noot onder het Fijn van Draat-arrest (NJ 1934, p. 346), die opmerkt dat een vordering eerst bestaat, indien de schuldeiser werkelijk iets te vorderen heeft. Vgl. ook: Asser/Scholten 1945, p. 185. Zoals vermeld, was dit in het begin van de vorige eeuw, in ieder geval ten aanzien van derdenbeslag, ook de benadering van de Hoge Raad; het bestaan van een vordering werd eerst aangenomen indien de verschuldigdheid daarvan vaststond (zie nr. 861).
Bovendien is zij, zoals hierna zal blijken, niet zo logisch als op het eerste gezicht wellicht lijkt (zie nr. 890).
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 166; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 81 en Parl. Gesch. Boek 6, p. 144, p. 146 en p. 153. Zie ook: Rb. Groningen 21 oktober 2009, RI 2010, 12 (Orinoco/Maas Lastechniek). Vgl. voorts de artikelen 6:21, 22, 25, 26, 38, 39 BW. Onder het oude recht bestond er geen eenstemmigheid over de vraag of een verbintenis onder opschortende voorwaarde als een bestaande of toekomstige verbintenis moest worden aangemerkt. Deze onenigheid viel voor een deel terug te voeren op het verschil in formulering tussen art. 1304 BW (oud) en art. 1289 BW (oud). Art. 1304 BW (oud) bepaalde ten aanzien van de verbintenis onder tijdsbepaling, dat de tijdsbepaling de verbintenis zelf niet opschort, maar slechts haar uitvoering. Art. 1289 BW (oud) daarentegen bepaalde dat in geval van een opschortende voorwaarde de verbintenis wordt opgeschort totdat de toekomstige onzekere gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Zie Asser/Rutten 4-I 1981, p. 140 e.v. en Out 2002, p. 72 e.v.
Zie HR 26 maart 1982, NJ 1982, 615, m.nt. WMK.
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G.
Zie HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200, m.nt. WMK.
Aanvankelijk oordeelde de Hoge Raad anders, zie HR 18 maart 1920, NJ 1920, p. 479 e.v., in welk arrest de Hoge Raad (in verband met onverschuldigde betaling) overwoog dat “om het bestaan eener schuld aan te nemen het niet voldoende is, dat men ingevolge eene overeenkomst onder bepaalde voorwaarden daartoe verplicht kan worden, doch daartoe tevens vereischt is, dat die voorwaarden zijn vervuld (…)”. De uitspraak moet mogelijk in verband worden gezien met de door de Hoge Raad ten aanzien van derdenbeslag gehuldigde opvatting dat het bestaan van een vordering eerst kon worden aangenomen, indien de verschuldigdheid daarvan vaststond (zie hiervoor: nr. 861). Vgl. ook: HR 2 december 1949, NJ 1950, 265. m.nt. PhANH; HR 23 mei 1947, NJ 1948, 143, m.nt. PhANH en HR 12 april 1946, NJ 1946, 509, m.nt. DJV, waar de Hoge Raad met betrekking tot overeenkomsten die de goedkeuring behoefden van een overheidsinstantie oordeelde, dat de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting nog niet was “ingetreden”. Wel zouden partijen in die zin gebonden zijn dat zij niet eenzijdig zouden kunnen terugtreden.
Benadrukt zij dat de hier genoemde benadering een uitgangspunt is waarop uitzonderingen mogelijk zijn op grond van de aard van de rechtsverhouding waaruit de vordering voortvloeit, de partijbedoeling of (het systeem van) de wet. Zie hierna: nrs. 889 en 893.
Zie HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200, m.nt. WMK.
Vgl. daarnaast vooral ook de arresten WUH/Emmerig q.q. (NJ 1987, 530), Van den Bergh/Van der Walle en ABN-AMRO (NJ 2006, 203) en ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653), die eveneens voeding geven aan de gedachte dat het hier geformuleerde uitgangspunt geen geldend recht is.
Vgl. Blom 1989, p. 5 en p. 9, Blom 1990, p. 396; Blom 1988b, p. 301 en Slagter 1988, p. 340.
Zie nr. 877.
Zie nr. 878.
Een aantal arresten laat zich bovendien niet aan de hand van het criterium van Kleijn verklaren. Zie de arresten genoemd in noot 172.
Overigens is onjuist de opvatting dat de Hoge Raad in het arrest geoordeeld zou hebben dat elke vordering die afhankelijk is van een wilsverklaring (dus ook indien het een wilsverklaring van de schuldeiser betreft) een toekomstige is die eerst ontstaat indien de wilsverklaring is afgelegd. Zie voor deze opvatting: Mijnssen & Van Mierlo 2009, p. 96. Vgl. ook: Wuisman in zijn conclusie voor het arrest ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653), onder nrs. 3.4 en 3.5. Een vordering die afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldeiser kan zeer wel een bestaande vordering zijn. Zie nrs. 878 en 888.
Zie nr. 882. Zie ook hierna: nr. 888 waarin wordt betwijfeld of het oordeel van de Hoge Raad op dit punt in zijn algemeenheid wel juist is.
Te weten: de onherroepelijke faillietverklaring van de vennoot, de verkiezing door de overige vennoten de maatschap voort te zetten en de uitoefening door de overige vennoten van hun recht het maatschapsaandeel over te nemen. De laatste twee onzekere omstandigheden worden door de Hoge Raad uitdrukkelijk als ontstaansvereisten voor de vordering beschouwd.
Zie hierna: nrs. 889 en 893.
Zie in deze zin: Ophof 1991, p. 74. In deze benadering gaat het derhalve – anders dan in het ‘criterium van Kleijn’ – niet om het onderscheid tussen een ‘intern’ of een ‘extern’ element. Wel zou men kunnen stellen dat de mate van onzekerheid toeneemt, indien de gebeurtenissen waarvan de vordering afhankelijk is door partijen beïnvloed kunnen worden. Zie Blom 1989, p. 12.
Vgl. ook: Blom 1989, p. 12-13.
Vgl. evenwel: MvA I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1253, waar met betrekking tot het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen wordt opgemerkt dat van belang zou zijn van “hoeveel nog niet of niet volledig vaststaande feiten het bestaan van [de] vordering afhankelijk is”.
Anders: Ophof 1991, p. 74, die van mening is dat een vordering toekomstig is, indien er meer dan een voorwaarde moet worden vervuld. Ik begrijp Ophof aldus dat er naar zijn mening in dat geval een dusdanig grote mate van onzekerheid bestaat over de vraag of de schuldenaar een prestatie moet verrichten, dat de vordering op grond daarvan als een toekomstige vordering moet worden beschouwd. Deze opvatting moet worden verworpen. Voor zover de mate van onzekerheid al relevant zou zijn, wordt zij niet bepaald door de hoeveelheid voorwaarden, maar door de inhoud van de voorwaarden. Het is goed mogelijk dat een enkele voorwaarde een grotere mate van onzekerheid met zich brengt dan twee of meer voorwaarden tezamen.
Zie de in nr. 879 genoemde voorbeelden, alsmede Verhagen & Rongen 2000, p. 52; Verbintenissenrecht (Busch), Art. 21, aant. 20; Den Tonkelaar 1994, p. 50 en Asser/Rutten 4-I 1981, p. 135. Anders: Mijnssen & Van Mierlo 2009, p. 96 en Out 2002, p. 92. Mogelijk ook anders: HR 28 mei 1952, NJ 1953, 394, m.nt. PhANH, waar de Hoge Raad in verband met het bepaalde in art. 1292 BW (oud) overwoog dat deze bepaling “uitsluitend het oog heeft op verbintenissen, waarvan het ontstaan, doch niet op verbintenissen waarvan het blijven bestaan van den wil van een der partijen afhankelijk is” (curs. MHER). Art. 1292 BW (oud) had betrekking op de zogeheten potestatieve voorwaarde (zie hierna).
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 989, p. 991 en p. 992.
In het arrest WUH/Emmerig q.q. (NJ 1987, 530) doet de Hoge Raad voor zijn oordeel dat huurvorderingen toekomstige vorderingen zijn een beroep op de aard van de huurovereenkomst, zoals deze blijkt uit de wettelijke regeling van de huurovereenkomst. Zoals ik hiervoor heb betoogd (nr. 867), is het goed mogelijk dat in geval van andere (duur)overeenkomsten tot een andere conclusie gekomen kan worden. In het arrest ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653) motiveert de Hoge Raad zijn oordeel dat ongedaanmakings- en restitutievorderingen pas ontstaan na ontbinding of opzegging van de overeenkomst door de schuldeiser, met een beroep op de omstandigheid dat de rechtsverhouding tussen partijen door de ontbinding of opzegging ingrijpend wordt gewijzigd. Het oordeel in het arrest Van den Bergh/Van der Walle en ABN-AMRO (NJ 2006, 203) dat een vordering tot kredietverschaffing uit een kredietfaciliteit voor het ‘afroepen’ van het krediet een toekomstige vordering is, wordt door de Hoge Raad niet gemotiveerd, maar is mogelijk ingegeven door de rechtspolitieke wens dat beslag op kredietruimte niet mogelijk behoort te zijn. Uit de arresten is niet af te leiden dat in zijn algemeenheid zou gelden dat vorderingen waarvan de opeisbaarheid nog (mede) afhankelijk is van het verrichten van een prestatie of van een wilsverklaring van de schuldeiser toekomstige vorderingen zijn.
Aldus ten onrechte: Vzr. Rb. Amsterdam 10 oktober 2002, JOR 2002/232, m.nt. Verdaas onder JOR 2002/233.
Zie hiervoor: nr. 882 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nrs. 175 en 176.
Anders: Koops 2011, p. 54.
Aangenomen wordt dat dit slechts geldt voor een opschortende potestatieve voorwaarde, en niet voor een ontbindende voorwaarde waarvan de vervulling afhankelijk is van de wil van de schuldenaar. Zie Verbintenissenrecht (Busch), Art. 21, aant. 20; Pitlo/Cahen 2002, p. 37 en HR 28 mei 1952, NJ 1953, 394, m.nt. PhANH.
Zie ook: nr. 880.
Zie Den Tonkelaar 1994, p. 49 en Asser/Rutten 4-I 1981, p. 134. Vgl. ook: TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 146-147, waaruit eveneens lijkt te volgen dat in een dergelijk geval geen sprake is van een nietige potestatieve voorwaarde.
Zie evenwel HR 3 december 2010, NJ 2010, 653 (ING Bank/Nederend q.q.) waaruit mogelijk moet worden afgeleid dat in casu sprake is van een toekomstige vordering, aangezien de vordering eerst werking verkrijgt op het moment dat de tussen partijen bestaande rechtsverhouding als gevolg van de beëindiging door de schuldenaar “ingrijpend” wordt gewijzigd. Uit het arrest moet mogelijk de meer algemene conclusie worden getrokken dat vorderingen die betrekking hebben op de afwikkeling of uitvoering van een “ingrijpend” gewijzigde rechtsverhouding (bv. als gevolg van ontbinding of opzegging van een overeenkomst) voor de wijziging van de rechtsverhouding als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt. Zie hiervoor: nrs. 865 en 866.
Zie HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200, m.nt. WMK.
Zie HR 5 januari 1990, NJ 1990, 325.
Zie HR 24 maart 1995, NJ 1996, 447, m.nt. HJS.
Hetzelfde geldt wellicht voor HR 12 november 1993, NJ 1994, 229, m.nt. WMK (Frima q.q./Blankers). Een nadere onderbouwing van het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. (en ook het arrest Frima q.q./Blankers) kan mogelijk worden gevonden in het arrest ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653). De vordering van de uittredende maat tot uitkering van de waarde van zijn maatschapsaandeel moet ten tijde van het sluiten van de maatschapsovereenkomst als een nog toekomstige vordering worden beschouwd, niet alleen omdat zij afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldenaar, maar wellicht ook omdat zij betrekking heeft op een situatie waarin de rechtsverhouding tussen de oorspronkelijke maten, als gevolg van het faillissement van een van hen en het besluit van de overige maten om de maatschap voort te zetten, “ingrijpend” is gewijzigd als bedoeld in het arrest ING Bank/Nederend q.q.
Hetzelfde kan worden betoogd met betrekking tot het geval dat zich voordeed in het arrest Frima q.q./Blankers (HR 12 november 1993, NJ 1994, 229, m.nt. WMK). De wettelijke verplichting tot affinanciering van de backservice van pensioenpremies stond, bij toepassing van een eindloonsysteem, vast vanaf het moment dat tussentijds loonsverhogingen hadden plaatsgevonden. Zie nader: Boekraad 1997, p. 76-77.
884. Het wezenskenmerk van een toekomstige vordering: onzekerheid over de prestatieplicht van de schuldenaar. Het kenmerkende van een toekomstige vordering is de onzekerheid of de schuldenaar werkelijk verplicht zal zijn een prestatie te verrichten.1 Of er sprake is van een bestaande of toekomstige vordering is alleen dan onduidelijk, indien weliswaar is voldaan aan de hiervoor genoemde eisen die verband houden met het wezen van een verbintenis, maar de opeisbaarheid van de vordering nog (mede) afhankelijk is van een of meer toekomstige onzekere omstandigheden. Hier wordt een schemergebied betreden. Hoewel aan de wezenskenmerken van een verbintenis is voldaan, staat niet vast dat de schuldenaar nu of in de toekomst moet presteren, zodat naar huidig recht niet met zekerheid kan worden gezegd dat er een bestaande vordering is (zie hiervoor: § 3.5.1). Bestaat er wel zekerheid over de prestatieplicht, dan zal er in de regel sprake zijn van een bestaande vordering.2
De vraag rijst echter of voor het bestaan van de vordering in beginsel niet voldoende zou moeten zijn, dat de vordering beantwoordt aan de essentialia van een verbintenis, ongeacht of er zekerheid bestaat over de prestatieplicht van de schuldenaar. Of dient juist de onzekerheid omtrent de prestatieplicht met zich te brengen dat de vordering per definitie als een toekomstige moet worden aangemerkt? In deze benadering impliceert onzekerheid over de prestatieplicht van de schuldenaar zonder meer toekomstigheid, terwijl zekerheid over de prestatieplicht de vordering zonder meer bestaand doet zijn.
885. Het geldende recht erkent het bestaan van voorwaardelijke vorderingen. Op zichzelf zou een relatief duidelijk criterium zijn de regel dat een vordering pas bestaat, indien met zekerheid kan worden vastgesteld dat de schuldenaar nu of in de toekomst een prestatie moet verrichten.3 Het lijkt op het eerste gezicht wellicht logisch het bestaan van een verbintenis alleen dan aan te nemen, indien de schuldenaar werkelijk tot een prestatie verplicht is. Men zou kunnen menen dat er alleen dan sprake is van een werkelijke binding van de schuldenaar ten opzichte van zijn schuldeiser. Zodra de prestatieplicht niet vaststaat, maar afhankelijk is van toekomstige onzekere omstandigheden zou er sprake zijn van een toekomstige vordering.4 In deze opvatting zouden alleen direct opeisbare vorderingen, vorderingen onder opschortende tijdsbepaling en vorderingen tot terstond vaststaande periodieke betalingen, bestaande vorderingen kunnen zijn. Vorderingen onder opschortende voorwaarde zouden als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt.
Niettemin is duidelijk dat deze opvatting niet het geldende recht weergeeft.5 Zoals blijkt uit afdeling 6.1.5 BW kan een verbintenis voorwaardelijk zijn. Het lijdt geen twijfel dat een voorwaardelijke verbintenis een bestaande verbintenis is.6 Volgens art. 6:21 BW is immers niet het ontstaan van de verbintenis, maar alleen haar werking afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis (een voorwaarde). In geval van een opschortende voorwaarde is de werking van de verbintenis opgeschort tot het plaatsvinden van de onzekere gebeurtenis; dan pas wordt de verbintenis opeisbaar en is de schuldenaar werkelijk gehouden de prestatie te verrichten. Het ontstaan van een verbintenis onder opschortende voorwaarde impliceert zodoende het bestaan van een vordering die aan dezelfde opschortende voorwaarde is onderworpen. Dit wordt ook door de Hoge Raad onderkend. Uit de arresten SOS/ABN,7 WUH/ Emmerig q.q.8 en Staal Bankiers/Ambags q.q.9 blijkt dat toekomstige vorderingen moeten worden onderscheiden van bestaande vorderingen onder opschortende voorwaarde.10 Het enkele feit dat de opeisbaarheid van een vordering afhankelijk is van een toekomstige onzekere omstandigheid, zodat pas in de toekomst kan worden vastgesteld of de prestatie werkelijk gevorderd kan worden, leidt derhalve naar geldend recht op zichzelf nog niet tot de conclusie dat er sprake is van een toekomstige vordering.
886. Het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. en het onduidelijke onderscheid tussen ‘voorwaarden’ en ‘vereisten’. Uit het gegeven dat ons recht de figuur van een bestaande verbintenis onder opschortende voorwaarde kent, volgt echter nog niet dwingend dat in al die gevallen waarin is voldaan aan de essentialia van een verbintenis, maar de prestatieplicht van de schuldenaar afhankelijk is van een of meer toekomstige onzekere omstandigheden, de vordering in beginsel als een bestaande, voorwaardelijke vordering kan worden aangemerkt. Ook gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad is het niet zeker of deze benadering tot uitgangspunt mag worden genomen.11
Uit het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. volgt dat de scheidslijn tussen bestaande en toekomstige vorderingen wordt bepaald door de vraag of een toekomstige onzekere omstandigheid moet worden aangemerkt als slechts een voorwaarde voor de opeisbaarheid van een bestaande vordering of als een vereiste voor het ontstaan van een vordering.12 Het arrest moet mogelijk zo worden begrepen dat niet elke toekomstige onzekere gebeurtenis waarvan de vordering afhankelijk is, in beginsel als een ‘voorwaarde’ kan worden aangemerkt, ook al is voldaan aan de essentialia van een verbintenis.13 Het onderscheid tussen een ‘voorwaarde’ en een ‘vereiste’ is in deze benadering echter niet erg verhelderend. 14 Het is namelijk niet duidelijk aan de hand van welk criterium een ‘voorwaarde’ van een ‘vereiste’ moet worden onderscheiden. Dit valt ook niet uit het arrest en de overige jurisprudentie van de Hoge Raad af te leiden. De jurisprudentie is sterk casuïstisch. Daarmee is niet duidelijk wat bestaande vorderingen onder opschortende voorwaarde nu precies onderscheidt van toekomstige vorderingen.
In de hiervoor besproken ‘opvatting van Kleijn’ is de gedachte kennelijk dat een ‘voorwaarde’ geen betrekking kan hebben op een ‘intern element’, zodat er in dat geval sprake is van een ‘vereiste’ waarvan het ontstaan van de vordering afhankelijk is.15 Zoals hiervoor aangegeven, mist ook het criterium Kleijn onderscheidend vermogen.16 Een uitleg van het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. langs de lijnen uitgezet door Kleijn, biedt de gewenste duidelijkheid derhalve evenmin. Daarbij komt dat de Hoge Raad tot nog toe in geen van zijn arresten met zoveel woorden heeft verwezen naar het criterium van Kleijn.17
Overigens is het onzeker hoe het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. dient te worden geïnterpreteerd. In het arrest komt de vraag aan de orde op welk moment in geval van het faillissement van een vennoot van een maatschap diens vordering tot uitkering van de waarde van het maatschapsaandeel ontstaat. In r.o. 3.2 geeft de Hoge Raad de motivering van het hof weer ter zake van het oordeel van het hof dat de vordering eerst na de faillietverklaring van de vennoot is ontstaan. De Hoge Raad geeft daarbij aan dat daar waar het hof spreekt over “voorwaarden” waarvan het ontstaan van de vordering afhankelijk zou zijn, het hof kennelijk “vereisten” bedoeld moet hebben. De Hoge Raad geeft daarmee te kennen dat alleen van een “voorwaarde” kan worden gesproken indien het gaat om een bestaande vordering.
Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat het hof de vraag of de vordering ten tijde van de faillietverklaring van de vennoot bestaand of toekomstig was, juist heeft beantwoord. Volgens de Hoge Raad kan van een bestaande voorwaardelijke vordering geen sprake zijn, indien de vordering afhankelijk is van wilsverklaringen van de schuldenaar.18 Dit oordeel lijkt verband te houden met het wezen van een verbintenis die erop is gericht dat de schuldenaar zich werkelijk tot een prestatie verbindt. Indien de schuldenaar zich niet tot een prestatie verbindt, kan er geen sprake zijn van een verbintenis.19 Aan een van de essentialia van een verbintenis wordt dan niet voldaan. De Hoge Raad laat zich er echter niet over uit of de motivering van het hof in alle opzichten juist was. Niet duidelijk is derhalve of alle toekomstige onzekere gebeurtenissen die door het hof als ‘vereisten’ voor het ontstaan van de vordering waren aangemerkt,20 ook door de Hoge Raad als zodanig worden geduid. Het is goed mogelijk dat de Hoge Raad in casu de vordering voor het uitbrengen van de wilsverklaring als een toekomstige aanmerkt, enkel en alleen omdat de vordering (mede) afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldenaar (zie ook hierna).
De opvatting dat in beginsel elke toekomstige onzekere gebeurtenis waarvan de opeisbaarheid van een vordering afhankelijk is, kan worden aangemerkt als een ‘voorwaarde’, mits zij geen betrekking heeft op de essentialia van een verbintenis en uit de aard van de overeenkomst of de partijbedoeling niet anders volgt21 (in welk geval er sprake is van een ‘vereiste’), behoeft dus niet in strijd te zijn met het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. Het tegendeel kan niet uit het arrest worden afgeleid.
887. Is de mate van onzekerheid omtrent de prestatieplicht van belang? In de literatuur is betoogd dat de mate van onzekerheid van de toekomstige gebeurtenis waarvan de vordering afhankelijk is, beslissend kan zijn voor de vraag of de vordering bestaand of toekomstig is. Hoe groter de onzekerheid of er in de toekomst een prestatie door de schuldenaar moet worden verricht, des te eerder zou de vordering als een toekomstige moeten worden beschouwd.22 Naar mijn mening dient deze benadering te worden verworpen.23 Zij biedt nauwelijks een helder criterium voor het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen. De mate van onzekerheid laat zich immers niet objectief meten en bovendien rijst de vraag bij welke mate van (on)zekerheid het omslagpunt ligt, zodat niet langer van een bestaande verbintenis onder opschortende voorwaarde zou kunnen worden gesproken. Zekerheid hierover zou slechts kunnen worden verkregen door van geval tot geval verschillende casusposities aan de Hoge Raad voor te leggen.
De benadering kan ook niet worden gebaseerd op de wettelijke regeling van de voorwaardelijke verbintenis (afd. 6.1.5 BW). Wet, noch toelichting bevat duidelijke aanwijzingen voor de stelling dat de mate van onzekerheid van de toekomstige gebeurtenis van belang is voor de vraag of er sprake is van een toekomstige verbintenis of van een bestaande, voorwaardelijke verbintenis.24 Aangenomen mag worden dat iedere toekomstige onzekere gebeurtenis, ongeacht haar mate van onzekerheid, een voorwaarde kan zijn waarvan de werking van een bestaande verbintenis afhankelijk is gesteld. Het feit dat de verbintenis afhankelijk is gesteld van meer dan één voorwaarde, is voor het bestaan van de verbintenis evenmin van belang.25
888. De voorwaarde die gelegen is in de invloedssfeer van de schuldeiser of de schuldenaar. Zoals hiervoor in § 3.4 is geconstateerd bij de bespreking van het ‘criterium van Kleijn’, hoeft ook het feit dat de voorwaarde (de toekomstige onzekere gebeurtenis) een ‘intern’ element betreft waarvan het intreden mogelijk geheel of gedeeltelijk is gelegen in de macht van de schuldeiser of de schuldenaar, er blijkens de heersende opvatting niet aan in de weg te staan dat er sprake is van een bestaande voorwaardelijke verbintenis. Evenmin bestaan er naar mijn mening rechtstheoretische of wetssystematische bezwaren tegen om aan te nemen dat de opschortende voorwaarde gelegen kan zijn in een wilsverklaring of een daarmee gelijk te stellen gedraging van de schuldeiser of – onder omstandigheden – de schuldenaar.26 Hetzelfde geldt voor de voorwaarde die bestaat uit het verrichten van de voor de vordering bedongen tegenprestatie. Deze laatste figuur wordt zelfs uitdrukkelijk in de parlementaire geschiedenis erkend.27
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt niet anders, behalve wellicht wat betreft vorderingen waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldenaar (zie hierna). Weliswaar is er een aantal uitspraken waaruit blijkt dat een vordering toekomstig kan zijn, indien zij afhankelijk is van een gedraging of wilsverklaring van de schuldeiser, maar van een algemeen luidende regel van die strekking lijkt geen sprake te zijn. De Hoge Raad heeft ter motivering van zijn oordelen in ieder geval nooit met zoveel woorden op het bestaan van een dergelijke algemene regel gewezen. Voor zover het oordeel dat sprake is van een toekomstige vordering al wordt gemotiveerd, is dat steeds met een beroep op andere, met de gedraging of wilsverklaring samenhangende feiten of omstandigheden.28
Een voorwaarde kan derhalve in zekere mate ‘potestatief’ zijn. Het is een misvatting dat potestatieve voorwaarden in geen geval verbintenissen zouden kunnen doen ontstaan.29 Wel geldt dat de voorwaarde niet in strijd mag komen met het wezen van een verbintenis, te weten dat de schuldenaar zich tegenover de schuldeiser werkelijk tot een prestatie verbindt.30 Duidelijk is dat een voorwaarde waarvan het intreden afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldeiser in dit opzicht geen probleem is.31 Indien de voorwaarde echter inhoudt dat de nakoming van de verbintenis afhankelijk is van de enkele wil van de schuldenaar of een daarmee gelijk te stellen handeling – met dien verstande dat de wil van de schuldenaar enkel is gericht op het in werking stellen van de verbintenis –, ontstaat er geen verbintenis, aangezien de schuldenaar zich vooralsnog niet jegens zijn schuldeiser verbindt.32 In de praktijk zal dit zich vermoedelijk niet snel voordoen, aangezien een schuldenaar zich meestal ook werkelijk ten opzichte van zijn wederpartij wil binden.
Zo is er geen sprake van een ongeldige potestatieve voorwaarde, indien de gehoudenheid van de schuldenaar om een bepaalde prestatie te verrichten slechts een bijkomendgevolg is van het uitbrengen van een wilsverklaring door de schuldenaar (of een daarmee gelijk te stellen handeling).33 Indien de wilsverklaring in hoofdzaak is gericht op het teweegbrengen van andere rechtsgevolgen dan de verbintenis, is van strijd met het wezen van een verbintenis geen sprake, aangezien de schuldenaar zich wel degelijk ten opzichte van de schuldeiser verbindt voor het geval hij de wilsverklaring die primair op een ander rechtsgevolg is gericht, uitbrengt.34 Als de schuldenaar bijvoorbeeld de bevoegdheid is toegekend om zijn overeenkomst met de schuldeiser eenzijdig te beëindigen met dien verstande dat hij dan gehouden zal zijn de schuldeiser een bepaalde (schade)vergoeding te betalen, is de schuldenaar daaraan onherroepelijk gebonden. Hij is immers niet vrij de overeenkomst te beëindigen zonder een vergoeding te hoeven betalen. Het is derhalve verdedigbaar dat dit een bestaande, voorwaardelijke verbintenis is.35
Het is evenwel niet zeker of ook de Hoge Raad bereid is deze benadering te volgen. In het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q.36 lijkt de Hoge Raad namelijk in algemene zin te oordelen dat vorderingen die afhankelijk zijn van een wilsverklaring van de schuldenaar eerst ontstaan door het uitbrengen van de wilsverklaring. Geheel duidelijk is het arrest echter niet.
Het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. en wellicht ook de arresten Dubbeld/Laman37 en Jahn/Nask38 kunnen mogelijk worden verklaard aan de hand van de gedachte dat de schuldenaar zich in de voorliggende casus (vooralsnog) niet jegens de schuldeiser bond, aangezien nog een wilsverklaring of gedraging van de schuldenaar vereist was (potestatieve voorwaarde).39 Het kan echter worden betwijfeld of deze situatie zich in de arresten wel voordeed. De verplichting om bij voortzetting van het maatschapscontract aan de uittredende maat de waarde van diens aandeel uit te keren, de verplichting om in geval van wanprestatie een contractuele boete te betalen en de verplichting tot afdracht van door de schuldenaar geïnde gelden, zijn mijns inziens van meet af aan voorwaardelijk bindend voor de schuldenaar. Vaststaat immers dat als de bedoelde wilsverklaringen en handelingen plaatsvinden zij als bijkomend gevolg zullen hebben dat de schuldenaar tot betaling gehouden is.40 Het is dan ook goed verdedigbaar dat het gaat om bestaande, voorwaardelijke vorderingen. Niettemin oordeelde de Hoge Raad dat sprake was van toekomstige vorderingen. Het is derhalve niet uitgesloten dat het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. een meer algemene strekking heeft, inhoudende dat vorderingen waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldenaar voor het uitbrengen van de wilsverklaring zonder meer als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt.