Einde inhoudsopgave
Beschadigd vertrouwen 2021/6.4.3
6.4.3 Cultuurverandering en een ruimer mandaat
G.M. Kuipers MSc, datum 01-09-2021
- Datum
01-09-2021
- Auteur
G.M. Kuipers MSc
- JCDI
JCDI:ADS480674:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nekbrekers 2019, p. 36.
Baetens 2012; Interviews betrokkenen 2019.
Gemeente Amsterdam 2019, p. 52.
Interviews betrokkenen 2019.
Raats, Neerlands Diep 28 april 2016; Interviews betrokkenen 2019.
Nekbrekers 2019, p. 28; Interviews betrokkenen 2019.
Enquêtecommissie Noord/Zuidlijn 2009, p. 206-214.
Stichting Gijzelgracht 2009, p. 11; De diepte in. Een leergeschiedenis van de drie diepe stations van de Noord/Zuidlijn 2016, p. 50.
Nekbrekers 2019, p. 47.
Nekbrekers 2019, p. 50-51; Van Veldhuizen e.a. 2015.
Van Veldhuizen e.a. 2015.
Interviews betrokkenen 2019.
Gemeenteblad 2009, afd. 1, nr. 385.
Baetens 2012, p. 57-58, 84; Interviews betrokkenen 2019.
Gemeente Amsterdam 2019, p. 8.
Gemeente Amsterdam 2019, p. 8.
Nekbrekers 2019, p. 15.
Raats, Neerlands Diep 28 april 2016.
Baetens 2012; Soetenhorst 2018; Van Veldhuizen e.a. 2015.
Ten Heuvelhof & Van der Heijden, Tijdschrift voor Bouwrecht 2010/161, p. 887.
Ten Heuvelhof & Van der Heijden, Tijdschrift voor Bouwrecht 2010/161.
Zoals Flyvbjerg benoemt in zijn onderzoeken naar megaprojecten.
Interviews betrokkenen 2019.
Volgens betrokkenen zorgde de crisis van de verzakkingen en het daaropvolgende rapport van Veerman voor een cultuurverandering, een nieuwe mentaliteit in de organisatie, vooral bij de projectorganisatie. Het ging om een empathisch perspectief, om servicegericht werken, om de houding ‘wat kunnen we wél doen’. De nieuwe mentaliteit was volgens algemeen directeur Dijk, die de week van de verzakkingen begon: ‘”Wat zou je zelf doen als je naast een bouwput zou wonen?” … goede voorbereiding, alertheid en proactieve houding ten aanzien van de omgeving. Deze betrokkenheid zorgde voor een ommekeer in de relatie met de betrokken bewoners.’1 De inzet was om elkaar meer als buren te gaan zien en behandelen2 - ‘wees een goede (ongewenste) buur’.3 Het Schadebureau leek eerder op deze strategie te hebben willen inzetten, maar kon dit niet altijd naleven vanwege strengere procedures; soepelere regelgeving was nodig voordat zij veel van de aanvragers tegemoet kon komen.4
Voor een dergelijke cultuurverandering bleek het nodig om de bemensing van de organisatie te veranderen, omdat houding maar in beperkte mate te trainen of wijzigen bleek.5 Ook de aannemers kwamen vaak (te) lomp over op de omwonenden en werden hierop aangesproken en meer betrokken bij de rest van de projectorganisatie.6 Eerder, in september 2007, was een reorganisatie van de projectorganisatie in gang gezet,7 maar volgens betrokkenen was een crisis nodig om daadwerkelijke veranderingen te realiseren: voor 2008 werkten zeker geen incapabele mensen in de projectorganisatie, maar was de context waarin zij werkten simpelweg anders.8 Directeur Van Veldhuizen (2003-2008) gaf in een terugblik aan dat hij de manier van denken in zijn organisatie wilde veranderen (‘claims van een aannemer zijn onzin, klagende bewoners moeten niet zeuren en de krant en tv stoken het vuurtje op’9), maar dat hij het grootste gedeelte van zijn tijd en aandacht moest besteden aan het repareren van weeffouten van het project,10 ‘al improviserend en met vallen en opstaan’.11 Omdat er voortdurend gaten moesten worden gedicht, kon niet goed naar het geheel worden gekeken.12
Het advies van de Commissie Veerman had de condities gecreëerd waaronder deze cultuurverandering tot stand kon worden gebracht. De gemeenteraad ging akkoord met een fikse budgetvergroting, waardoor financiële ruimte ontstond.13 Dit droeg sterk bij aan de mogelijkheden voor omgevingsmanagement, want geld voor ‘omgeving’ is vaak bijzaak bij bouwprojecten, en als het budget al op scherp staat, is dat het eerste dat sneuvelt.14 Het geld ‘ging gepaard met ruimere mandaten dan andere Amsterdamse diensten hadden: de mogelijkheid om zelf direct en op eigen wijze met de omgeving te communiceren, de bevoegdheid om zelfstandig personeel in te huren, de ruimte voor op punten een eigen bedrijfsvoering, bijvoorbeeld op het gebied van personeelsbeleid, de mogelijkheid om zelfstandig aanbestedingen te kunnen doen.’15 Zo kende het project ook ‘voor Amsterdamse begrippen zeer veel extern personeel’ (90%).16
Een project dat zo veel gemeentelijk budget behelsde, zorgde voor de impuls om veel controlemechanismen te implementeren zodat het publiek geld zorgvuldig en doelmatig werd uitgegeven. Dit betekende dat de projectdirectie (te) veel tijd spendeerde aan politieke verantwoording. Directeur Uitvoering Bijkerk: ‘Voor de Vijzelgrachtproblematiek was het veel verantwoorden en weinig bijsturen. Daarna: minimaal verantwoorden en maximaal sturen.’17 Het op advies van de Commissie Veerman ingestelde Projectcommissariaat speelde hier tevens een rol in, en bood de projectorganisatie rugdekking – ook in raadsvergaderingen en richting het college van B&W.18
Bovendien waren er in de voorbereidende fase voor de aanleg allerlei beloftes gedaan en verwachtingen gewekt die de gemeente niet kon nakomen.19 Juist doordat die verwachtingen werden gewekt, was de teleurstelling – en het vertrouwensverlies – groter toen deze niet werden nagekomen. Deze ‘tragiek van de goede bedoelingen’20 zou zijn voorkomen als de gemeente vanaf het begin niet had gesteld geen schade of overlast te zullen aanrichten, maar in plaats daarvan zou hebben beloofd dat enige schade die optrad ruimhartig te vergoeden.21 Het effect van zulke openheid is zichtbaar na 2009, toen de projectorganisatie met deze houding naar buiten trad. Het blijft overigens de vraag of het project Noord/Zuidlijn in de startfase voldoende draagvlak had verkregen, als men ‘toegaf’ dat schade mogelijk zou zijn.22
De ruimte die de projectorganisatie kreeg, zorgde voor de gelegenheid om een technisch zeer complex en organisatorisch inadequaat project bij te sturen en vrijwel volledig te herzien. De crisis van de verzakkingen en het rapport van de Commissie Veerman bleken nodig alsof zij dienden als ‘deus ex machina’ om deze condities te onderstrepen en zo de context te creëren voor de vernieuwde energie en cultuuromslag in het project.23