Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.2.1:3.4.2.1 De leer van Diephuis
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.2.1
3.4.2.1 De leer van Diephuis
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644947:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hoofdstuk 1, §1.11.3.
Diephuis I (1885), p. 435 e.v.
Art. 809 OBW: “De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid, die bij aanvang van het vruchtgebruik nog aan boomen en wortels vast zijn, behooren aan den vruchtgebruiker (…).”
Diephuis I (1885), p. 426.
Diephuis I (1885), p. 425-426.
Diephuis I (1885), p. 435-436.
Suijling V (1940), §4, Rn 60, p. 66.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als Dernburg stelde Diephuis dat als delen van een zaak als afzonderlijke (zelfstandige) zaken konden voortbestaan, deze delen ook afzonderlijk een voorwerp van recht konden zijn.1 Onderdelen van een zaak bleven zelfstandig als ze als zodanig “door de wet erkend en in het verkeer en het gewone spraakgebruik voorgesteld en behandeld” werden.2 De wet, de verkeersopvattingen en het dagelijkse spraakgebruik bepaalden dus of een onderdeel van een zaak te kwalificeren was als een zelfstandige (bij)zaak. De wet gaf het voorbeeld van de vruchtgebruiker, die eigenaar was van de nog aan de boom hangende vruchten.3 Volgens Diephuis moest een onderdeel ook rechtens bestaanbaar worden geacht als het praktisch als afzonderlijke zaak kon bestaan.4 In al die gevallen waren de onderdelen geen bestanddelen, maar bijzaken. Uit de woorden van Diephuis viel op te maken dat hij niet snel bestanddeelvorming aannam.
“Die eigenaar is van het geheel, dat die deelen omvat, is ook eigenaar van deze; die een regt heeft op het geheel, heeft dat regt ook op de deelen, die in het geheel zijn begrepen; dit is natuurlijk en het kan niet anders zijn. Maar daaruit volgt niet, dat die deelen niet als afzonderlijke zaken voorgesteld en behandeld kunnen worden en zoo afzonderlijk voorwerp van regt zijn. Al zijn niet alle zaken praktisch voor zoodanige splitsing vatbaar, al zijn er, waarvan het eene deel onmogelijk in de magt van een ander kan zijn dan het andere deel, al is dit met name ten aanzien van roerende zaken het geval, daaruit volgt alleen, dat de toepasselijkheid der bedoelde onderscheiding van den bijzonderen aard eener zaak afhankelijk is, niet dat zij op zich zelve en daarom voor alle zaken onmogelijk is, en evenmin dat zij, waar zij praktisch kan bestaan, evenwel regtens niet bestaanbaar moet worden geacht.”5
Volgens deze overweging van Diephuis waren zaken eerder bijzaken dan bestanddelen. Of het een dan wel het ander het geval was hing af van “den bijzonderen aard eener zaak” oftewel van geval tot geval. De ene stoelpoot kon niet van A zijn en de andere stoelpoot van B. De diamant die in de ring was gezet, vormde daarentegen volgens Diephuis een geheel, maar de diamant was niet een bestanddeel van de ring geworden of omgekeerd, de ring was geen bestanddeel van de diamant. Beide bleven afzonderlijk een economische waarde behouden. Zo ook een stuk grond en een op die grond gebouwd huis. De eigenaar van de grond kon immers een andere zijn dan de eigenaar van het huis, blijkens de artikelen over het opstalrecht.6 De opstalhouder was eigenaar van het huis dat hij op de grond van de opstalgever had gebouwd.
In navolging van Diephuis werd in de literatuur het bestaan van de bijzaken als afzonderlijke categorie erkend. Suijling stelde dat de maatschappelijke verkeersopvatting en met name de economische eenheid bepaalde of een (onderdeel van een) zaak een bijzaak of een bestanddeel was. Hij probeerde deze vage norm ietwat in te kleuren. Zo maakte hij op originele wijze een onderscheid tussen de aardvaste verbinding en de nagelvaste verbinding.
“Al wat in maatschappelijke zin onverbrekelijk, d.i. aardvast, met een onroerend goed vereenigd wordt, gaat toch als onzelfstandig zaaksdeel in den grond op. Daarentegen behouden de slechts nagelvast met een onroerend goed verbonden zaken hare zelfstandigheid, omdat zij, naar opvattingen van het verkeer, met dit goed niet een lichamelijke, maar een bloot economische eenheid uitmaakte.”7
In de meeste teksten werd deze onderscheiding echter niet gemaakt. Ondanks dat Suijling sprak over een “principieele tegenstelling”, was de aard van de verbinding, dat wil zeggen de vastheid/hechtheid van de verbinding, niet bepalend om een zaak als bijzaak of bestanddeel te kwalificeren. Tussen aardvast en nagelvast zat echter een verschil in hechtheid. Wat immers aardvast met een zaak verenigd was, werd eerder gezien als een bestanddeel van een zaak, dan wat nagelvast met een zaak verbonden was. In de huidige wet is de gedachte van Suijling terug te zien in art. 3:4 lid 2 BW.