Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.2.2
7.2.2 In aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten liggende rechten
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458982:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
De vestiging van een tijdelijk genotsrecht op aanmerkelijkbelangaandelen wordt ingevolge art. 20b, eerste lid, onderdeel e, Wet IB tot de reguliere voordelen gerekend ( zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.6).
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 41.
Zie T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, F'iscale monografie nr. 19, 2e druk, blz. 124-125, Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 209, Fed, Deventer, 1995; J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Fiscale monografie nr. 70, blz. 408-409, Kluwer, Deventer, 1994; J. van Soest, Vervreemding als een belastbaar feit; in het bijzonder in de inkomstenbelasting, Preadvies voor de broederschap van Candidaat-Notarissen 1971, blz. 55; I.J.F.A. van Vijf-eijken, Vruchtgebruik van privé-vermogen in de inkomstenbelasting. Fiscale monografie nr. 61, blz. 306-307, Kluwer, Deventer, 1993; J.W. Zwemmer, De fiscale gevolgen van de vervreemding van genotsrechten, blz. 88, Fed, Deventer, 1975.
HR 21 december 1966, BNB 1967/69 en HR 25 februari 1976, BNB 1976/131.
Overigens bestaat dit lek nog steeds voor zover het een tijdelijk genotsrecht op aanmerkelijkbelangaandelen betreft, aangezien de tijdelijk genotsgerechtigde niet als aandeelhouder wordt aangemerkt. Vervreemdt de blote eigenaar de (blote) eigendom van zijn aanmerkelijkbelangaandelen, dan kan blijkens HR 21 december 1966, BNB 1967/69 slechts belastingheffing plaatsvinden over de blote eigendomswaarde van de aanmerkelijkbelangwinst. Anders T. Blokland die van mening is dat geen sprake is van een lek in de aanmerkelijkbelangheffing, T. Blokland, Over het verouderen van de vruchtgebruiker, blz. 1239 e.v., FED 1996/2603 en dezelfde, Inzake omvorming van aandelen, vruchtgebruik en blote eigendom, financieringsrente en emigratie bij aanmerkelijk belang, MBB november 1998, blz. 374-375.
Een claim is een voorkeursrecht dat ingevolge art. 2:96a BW resp. art. 2:206a BW bij de uitgifte van nieuwe aandelen toekomt aan iedere aandeelhouder en wel naar evenredigheid van het gezamenlijke bedrag van zijn aandelen, behoudens voor zover de statuten anders bepalen.
Zie tevens HR 28 november 1956, BNB 1957/31, HR 13 maart 1963, BNB 1963/116 en HR 16 oktober 1985, BNB 1986/15.
Vgl. het nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 15-16.
Behalve de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen in zijn geheel begrijpt art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB tevens onder de vervreemdingsvoordelen de vervreemding van een gedeelte van de in tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten liggende rechten. Hierbij moet in het bijzonder worden gedacht aan de vestiging van een niet-tijdelijk genotsrecht op tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen1 en de vervreemding van claims die aan de aandeelhouder zijn toegekend. Met dit laatste deel van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB wordt blijkens de memorie van toelichting overigens niet beoogd af te wijken van art. 39, eerste lid, (oud) Wet IB dat volgens constante jurisprudentie ook de vervreemding van enkele aandeelhoudersrechten omvatte.2 Deze jurisprudentie blijft onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime onverkort van toepassing. Het genoemde zinsdeel loopt blijkens de memorie van toelichting vooruit op de in art. 20c, eerste lid, tweede volzin, Wet IB opgenomen bepaling over de berekening van het vervreemdingsvoordeel in geval van vervreemding van een gedeelte van de in aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten rechten. Ingevolge deze bepaling wordt in geval van vervreemding van een gedeelte van de in de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten liggende rechten een evenredig gedeelte van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4).
Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling werd in de literatuur in het algemeen aangenomen dat de vestiging van een niet-tijdelijk genotsrecht op aanmerkelijkbelangaandelen kon worden belast als winst uit aanmerkelijk belang.3 In zijn arrest van 25 februari 1976, BNB 1976/131 heeft de Hoge Raad de schenking van een recht van vruchtgebruik van een aanmerkelijkbelang-pakket ook als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling aangemerkt. Gelet op het feit dat een niet-tijdelijk genotsrecht in de vermogenssfeer en niet in de inkomstensfeer ligt, lag dit mijns inziens ook wel voor de hand. In het nieuwe aanmerkelijkbelangregime heeft dit systeem een wettelijke basis gekregen in art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB waarin ook het voordeel behaald bij de vervreemding van een deel van de in de aandelen besloten liggende rechten wordt belast als een vervreemdingsvoordeel.
Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling ontstond vervolgens een lek in de belastingheffing aangezien de niet-tijdelijk vruchtgebruiker niet als aandeelhouder en daarmee als aanmerkelijkbelanghouder kon worden aangemerkt. Hierdoor ging een deel van de aanmerkelijkbelangclaim verloren.4 In het nieuwe aanmerkelijkbelangregime is dit lek (deels) gerepareerd door de niet-tijdelijk genotsgerechtigde in art. 20a, negende lid, onderdeel d, Wet IB uitdrukkelijk als aandeelhouder aan te merken (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.1 ).5 In zoverre is in het nieuwe aanmerkelijkbelangregime met betrekking tot de niet-tijdelijke genotsrechten een consistent systeem verkregen. Het uitgangspunt dat een dergelijk (niet-tijdelijk) genotsrecht in de vermogenssfeer ligt en niet in de inkomstensfeer wordt zowel voor de (blote) eigenaar als de (niet-tijdelijk) genotsgerechtigde consequent doorgetrokken. Beide personen worden voor hun voordelen uit de aanmerkelijkbelangaandelen louter belast volgens de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'. Hieronder valt voor de niet-tijdelijk genotsgerechtigde ook de vervreemding van het niet-tijdelijke genotsrecht.
De toevoeging aan art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB van voordelen welke worden behaald bij de vervreemding van een gedeelte van de in de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten liggende rechten ziet voorts op de vervreemding van claimrechten die behoren tot het aanmerkelijk belang.6 In zijn arrest van 22 april 1964, BNB 1964/179 oordeelde de Hoge Raad dat claimrechten deel uitmaakten van het complex van rechten dat voor de aandeelhouder in het bezit van zijn aandelen ligt besloten, zodat verkoop van die claimrechten strekte tot het doen overgaan van een deel van het complex van rechten uit zijn bezit in dat van een ander. Een dergelijke vervreemding van een deel van de rechten die de aandeelhouder aan het bezit van zijn aandelen of winstbewijzen ontleent, is eveneens een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling.7 Overigens leidt de verstrekking van de claimrechten aan de zittende aandeelhouders op zich (nog) niet tot een vervreemding voor het aanmerkelijk belang. Het claimrecht is immers in wezen niets anders dan een in een afzonderlijk waardepapier belichaamd recht dat voorheen reeds deel uitmaakte van het aan het aandelenbezit verbonden complex van rechten. Alleen was het voorheen niet als zodanig afzonderlijk zichtbaar. Door de uitgifte van een claimbewijs is het zichtbaar en daarmee afzonderlijk verhandelbaar geworden. Ontdoet de aandeelhouder zich vervolgens van dit claimrecht, dan vervreemdt hij een deel van de in zijn aandelen besloten liggende rechten, hetgeen een vervreemding is in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, slot. Wet IB.8