HR, 06-02-2026, nr. 24/03064
ECLI:NL:HR:2026:84
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2026
- Zaaknummer
24/03064
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:84, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2082
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑02‑2026
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2026/190
Viditax (FutD) 2026020601
FutD 2026-0222
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/151
V-N 2026/8.4 met annotatie van Redactie
NTFR 2026/307 met annotatie van mr. D. Hajer
2026/0269 met annotatie van mr. E. Thomas
NLF 2026/0269 met annotatie van mr. E. Thomas
FED 2026/38 met annotatie van M.J.G.A.M. Weerepas
Uitspraak 06‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen; art. 6.40, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001; aftrek persoonsgebonden scholingsuitgave; tijdstip betaling collegegeld na overboeking aan universiteit in het kader van aanvraag van een verblijfsvergunning met als doel studie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03064
Datum 6 februari 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2024, nr. 23/5111., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2492) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft de Indiase nationaliteit en is per 19 augustus 2015 als inwoner van Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Vanaf 19 augustus 2015 wordt belanghebbende in Nederland als binnenlandse belastingplichtige aangemerkt.
2.2
De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft aan belanghebbende een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd toegekend om een opleiding te kunnen volgen aan de Technische Universiteit Delft (hierna: de Universiteit). In verband hiermee diende belanghebbende voor aanvang van de aanvraagprocedure – vóór 1 juli 2015 – een bedrag over te maken aan de Universiteit.
2.3
Belanghebbende heeft op 25 juni 2015 een bedrag van € 23.760 bestaande uit het collegegeld van € 13.560 en de “Living allowance” van € 10.200 overgemaakt naar de bankrekening van de Universiteit.
2.4
De Universiteit heeft op 11 september 2015 het bedrag van de “Living allowance”, na aftrek van de kosten van de visumaanvraag, overgemaakt naar de Nederlandse bankrekening van belanghebbende.
2.5
Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 een bedrag van € 13.310 in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek (scholingsuitgaven), als bedoeld in artikel 6.1, lid 1, Wet IB 2001 (tekst 2015; hierna: Wet IB 2001), in samenhang gelezen met artikel 6.1, lid 2, letter f, Wet IB 2001 en met artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of voor het jaar 2015 een bedrag van € 13.310 als scholingsuitgaven in aftrek kan worden gebracht. Meer specifiek was in geschil of de scholingsuitgaven zijn betaald gedurende de periode dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is.
3.2.1
Het Hof heeft geoordeeld dat eerst op het moment van de definitieve inschrijving het collegegeld aan de Universiteit was verschuldigd. Naar het oordeel van het Hof volgt hieruit dat de betaling van belanghebbende op 25 juni 2015 aan de Universiteit het karakter heeft van een waarborgsom ter verkrijging van het verblijfsvisum. Die waarborgsom is daarom aan te merken als depotstorting die het vermogen van belanghebbende niet heeft verlaten en waarover hij vrijelijk kan beschikken, aldus het Hof.
3.2.2
Het Hof achtte aannemelijk dat de voldoening van het collegegeld heeft plaatsgevonden door verrekening op of omstreeks 11 september 2015. Niet in geschil is dat belanghebbende toen in Nederland binnenlands belastingplichtig was. Dit brengt mee dat hij voor het bedrag van het betaalde collegegeld recht heeft op een aftrek van scholingsuitgaven, aldus het Hof.
3.3
Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van immateriële schade, de vergoeding van het griffierecht en de proceskostenvergoeding, en heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd. Het Hof heeft op grond van onderdeel B2, punt 1, van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2024; hierna: het Besluit) de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar vastgesteld op basis van een waarde per punt van € 310.
3.4
Voor de procedure in hoger beroep is het Hof uitgegaan van vijf samenhangende zaken. Het Hof heeft daarom de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep voor de zaak van belanghebbende vastgesteld op een vijfde van de totale vergoeding.
4. Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel
4.1
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (hierna: het arrest van 12 juli 2024), dat het Hof nader had moeten motiveren waarom de hiervoor in 2.3 bedoelde overboeking door belanghebbende op 25 juni 2015 van een bedrag ter grootte van het verschuldigde collegegeld naar de bedoeling van partijen op dat moment niet strekte tot voldoening aan een verplichting die voortvloeit of zal voortvloeien uit een toen al bestaande rechtsverhouding tussen belanghebbende en de Universiteit ter zake van de betaling van het collegegeld.
4.2
Het middel slaagt, aangezien het Hof niet kenbaar heeft onderzocht of die overboeking is aan te merken als betaling op grond van een toekomstige betalingsverplichting als bedoeld in de tweede volzin van rechtsoverweging 4.2.1 van het arrest van 12 juli 2024. Voor het aannemen van een zodanige betaling is vereist dat op het moment waarop het geldbedrag werd overgemaakt een rechtsverhouding tussen partijen bestond waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekte om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Een overboeking van geld die niet is aan te merken als betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001, kan zich gelet op rechtsoverweging 4.2.2 van dat arrest slechts voordoen indien geld wordt overgemaakt zonder dat daaraan een bestaande of een dergelijke toekomstige betalingsverplichting ten grondslag ligt. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat een andere maatstaf heeft te gelden, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, had het nader moeten motiveren waarom het niet een betaling op grond van een toekomstige betalingsverplichting in de hiervoor bedoelde betekenis heeft aangenomen.
5. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen
5.1.1
Het eerste middel richt zich tegen het hiervoor in 3.3 vermelde oordeel van het Hof over de hoogte van de vergoeding die aan belanghebbende is toegekend voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Volgens het middel dient de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te worden vastgesteld met toepassing van onderdeel B2, punt 2, van de Bijlage bij het Besluit. Daarbij verwijst het middel naar het arrest van 12 juli 2024.
5.1.2
Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1 en 5.8.2 van het arrest van 12 juli 2024.
5.2.1
Het tweede middel richt zich tegen het hiervoor in 3.4 vermelde oordeel van het Hof dat sprake is van vijf samenhangende zaken. Volgens het middel had het Hof niet moeten uitgaan van vijf, maar van vier samenhangende zaken. Door de gemachtigde van belanghebbende zijn vijf zaken aanhangig gemaakt over de vraag of in het jaar van immigratie sprake is van aftrekbare scholingsuitgaven. In een van die zaken is het beroep door het Hof ongegrond verklaard. In die zaak heeft het Hof geen proceskostenvergoeding toegekend. Volgens het middel moet die zaak daarom niet worden aangemerkt als een met de zaak van belanghebbende samenhangende zaak. Het middel betoogt dat eerst dient te worden beoordeeld of een zaak voor proceskostenvergoeding in aanmerking komt, en als dat zo is, moet voor die zaken worden bezien of sprake is van samenhangende zaken. Als sprake is van samenhangende zaken, moet bij vier of meer samenhangende zaken wegingsfactor 1,5 worden toegepast en daarna moet de berekende vergoeding worden verdeeld over de zaken die voor vergoeding in aanmerking komen. In dit geval had de totaal berekende kostenvergoeding dus moeten worden verdeeld over vier zaken in plaats van vijf, aldus het middel.
5.2.2
Het tweede middel slaagt ook. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar wat is overwogen in rechtsoverweging 3.6 van het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7294 (hierna: het arrest van 19 december 2008).
6. Slotsom
6.1
Gelet op wat hiervoor in 4.2, 5.1.2 en 5.2.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of de overmaking door belanghebbende van het bedrag van het collegegeld op 25 juni 2015 al dan niet als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is aan te merken.
6.2
Indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, zal hij die vergoeding, gelet op het arrest van 12 juli 2024, moeten vaststellen met toepassing van punt 2 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit. Indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep, dient het verwijzingshof opnieuw, met inachtneming van het arrest van 19 december 2008, te beoordelen of deze zaak met een of meer andere zaken samenhangt, en zo ja met welke andere zaak of zaken.
7. Proceskosten
7.1
Wat betreft het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7.2
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 24/02855, 24/03064, 24/03065, 24/03066 en 24/03067 wat betreft de cassatieprocedure met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit.
7.3
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank, en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vijfde van € 2.802, oftewel € 560,40 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑02‑2026
Beroepschrift 06‑02‑2026
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 24/03064) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2024, nr. 23/00511, inzake [X] te [Z] betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 en de daarbij gegeven beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw bericht van 12 augustus 2024 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht dan wel van verzuim van vormen, in het bijzonder van artikel 6.40 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2015; hierna: Wet IB 2001) in verbinding met de artikelen 2.1, 6.1, lid 1 en 2, letter f, 6.27, lid 1, letter a, Wet IB 2001, de artikelen 7.32, 7.37, 7.43 en 7.47 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (tekst 2015; hierna: WHW) in verbinding met artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (tekst 2015) en artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (tekst 2015) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op aftrek van het bedrag van het betaalde collegegeld als persoonsgebonden aftrek (scholingsuitgaven), zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte, dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting
Voor de vaststaande feiten verwijs ik naar onderdeel 2 van de Hofuitspraak en voor het relevante rechtskader naar onderdeel 3.4 van de uitspraak van de Rechtbank. In cassatie is evenals in feitelijke instantie in geschil of het door belanghebbende in 2015 voldane collegegeld als scholingsuitgaven in aftrek kan worden gebracht bij de bepaling van zijn belastbare inkomen uit werk en woning. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende het collegegeld heeft betaald, verrekend of ter beschikking gesteld in de zin van artikel 6.40, lid 1, Wet 1B 2001 voor- dan wel nadat hij op 19 augustus 2015 binnenlandse belastingplichtige is geworden.
De Inspecteur heeft zich onder verwijzing naar een aantal soortgelijke zaken1. op het standpunt gesteld dat de overschrijving van het geldbedrag ((13.560) door belanghebbende in juni 2015 vanuit India naar de rekening van de TU Delft is te kwalificeren als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet 1B 2001. Nu deze betaling van het collegegeld heeft plaatsgevonden vóórdat belanghebbende in Nederland belastingplichtig werd, bestaat volgens de Inspecteur geen recht op aftrek van scholingsuitgaven.
Het oordeel van het Hof dat recht bestaat op aftrek van het collegegeld als scholingsuitgaven omdat voldoening van het collegegeld door verrekening heeft plaatsgevonden op of omstreeks 11 september 2015, getuigt mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting. Indien dit oordeel van een juiste rechtsopvatting zou getuigen, acht ik het oordeel onbegrijpelijk, althans, bij gebrek aan een nadere motivering die ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd. Het Hof verwijst naar de uitspraak van rechtbank Den Haag van 28 juni 2023, ECLl:NL:RBDHA:12805 in een vergelijkbare zaak, welke uitspraak voortbouwt op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag 7 maart 2023, nr. 22/00479 (niet gepubliceerd). In het nadien gewezen arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 heeft uw Raad het door mij tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag ingestelde principale (sprong)cassatieberoep gegrond verklaard. Uw Raad vatte de overwegingen van de rechtbank als volgt samen:
‘3.2.1
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de toekenning van de verblijfsvergunning aan belanghebbende meebrengt dat het hiervoór in 2.2 bedoelde, door hem op 20 februari 2018 onder de titel collegegeld overgemaakte bedrag, vanaf het moment van die toekenning onverschuldigd Is betaald als bedoeld in artikel 6:203 BW.
3.2.2
Dit betekent naar het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van een depotstorting voor het collegegeld.
3.2.3
De Rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat voldoening van het collegegeld niet heeft plaatsgevonden voor 1 september 2018, de datum waarop de procedure voor inschrijving aan de Universiteit afgerond diende te zijn, en dat het collegegeld pas vanaf die datum onvoorwaardelijk was verschuldigd, behoudens beëindiging van de inschriJving. Naar het oordeel van de Rechtbank was het de bedoeling van belanghebbende en de Universiteit dat belanghebbende zich bij voorbaat akkoord zou verklaren met verrekening van het op het enig moment verschuldigde collegegeld met het onverschuldigd betaalde bedrag en dat dit ook is wat zij redelijkerwijs over en weer van elkaar mochten verwachten. 3.2.4 De Rechtbank acht aannemelijk dat de voldoening van het collegegeld in dit geval op of omstreeks 11 september 2018 heeft plaatsgevonden door verrekening met het hiervoor in 3.2.1 bedoelde, onverschuldigd betaalde bedrag. 3.2.5 Aangezien belanghebbende toen in Nederland binnenlandse belastingplichtige was, is de Rechtbank tot de slotsom gekomen dat hij recht heeft op aftrek van collegegeld. (…).’
Uw Raad overwoog vervolgens voor zover hier van belang:
4.
Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel
4.1.1
Het middel richt zich in de eerste plaats tegen de hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 vermelde oordelen van de Rechtbank. (…).
4.2.1
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander niet alleen als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is aan te merken in gevallen waarin daartoe op het moment van het overmaken van het geld een verplichting bestaat en dus degene die het geld op zijn bankrekening krijgt gestort, een opeisbare vordering tot betaling heeft. Van een betaling in de zojuist bedoelde zin is ook sprake indien op het moment waarop het geldbedrag wordt overgemaakt, een rechtsverhouding tussen partijen bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit die als persoonsgebonden aftrekpost kan worden aangemerkt, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Daarbij is niet van belang of een eventuele prestatie van de wederpartij waarop de betaling betrekking heeft, op dat moment al is verricht.2. 4.2.2 Van een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is daarentegen geen sprake Indien de belastingplichtige een geldbedrag naar de bankrekening van een ander overmaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige verplichting als hiervoor in 4.2.1 bedoeld ten grondslag ligt. In dat geval is een rechtstoestand ontstaan waarin het overgemaakte bedrag ter beschikking van de belastingplichtige is gebleven. De mogelijkheid bestaat dan dat het bedrag naar de bedoeling van partijen is overgemaakt als depotstorting, waarop een of meer bedragen die naderhand verschuldigd zijn op een later moment in mindering kunnen worden gebracht. In een zodanig geval vindt op dat latere moment verrekening plaats in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter b, Wet 1B 2001.
4.2.3
Indien een belanghebbende geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van een ander, en zich vervolgens in het kader van een geschil over de toepassing van artikel 6.40, lid 1, Wet 18 2001 op het standpunt stelt dat sprake is van een depotstorting waaruit de uitgave voor de desbetreffende persoonsgebonden aftrekpost pas later door middel van verrekening is gedaan, rust op hem de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van feiten waaruit de juistheid van dat standpunt voortvloeit.
4.3.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.1 is overwogen, is de Rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan indien zij de hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordelen heeft gegrond op de aanname dat van betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet 18 2001 slechts sprake kan zijn bij voldoening van een opeisbare schuld. Daarbij komt nog dat het hiervoor in 3.2.3 weergegeven uitgangspunt van de Rechtbank dat belanghebbende het collegegeld pas vanaf 1 september 2018 onvoorwaardelijk was verschuldigd, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet verenigbaar is met haar vaststelling dat het verschuldigde collegegeld voor 1 juli 2018 moest zijn betaald.
4.3.2
Indien de Rechtbank is uitgegaan van de juiste, hiervoor in 4.2.1 en 4.2.2 weergegeven rechtsopvatting, had zij nader moeten motiveren (i) waarom het overgemaakte bedrag ter grootte van het verschuldigde collegegeld naar haar kennelijke oordeel in de rechtsverhouding tussen belanghebbende en de Universiteit aanvankelijk was verschuldigd en vanaf de toekenning van de verblijfsvergunning niet meer, en (ii) waarom dat overgemaakte bedrag — in elk geval na de toekenning van die vergunning — tot in september 2018 het karakter had van een depotstorting en de overmaking ervan op 20 februari 2018 dus naar de bedoeling van partijen op dat moment niet strekte tot voldoening aan een verplichting die voortvloeit of zal voortvloeien uit een toen al bestaande rechtsverhouding tussen belanghebbende en de Universiteit ter zake van de betaling van het collegegeld. De door de Rechtbank vastgestelde omstandigheid dat het de bedoeling van belanghebbende en de Universiteit was dat belanghebbende zich bij voorbaat akkoord verklaarde met verrekening van het op enig moment verschuldigde collegegeld met het overgemaakte bedrag, volstaat daartoe niet, aangezien die omstandigheid zich ook kan voordoen bij een betaling als hiervoor bedoeld in de tweede zin van 4.2.1. De Rechtbank heeft een motivering zoals hiervoor bedoeld achterwege gelaten. Zij heeft namelijk niet kenbaar beoordeeld welke verplichtingen voor belanghebbende tegenover de Universiteit voortvloeiden uit de WHW en de toepasselijke voorschriften in regels van de Universiteit over de betaling van het collegegeld. De Rechtbank heeft evenmin vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de rechtsverhouding tussen belanghebbende en de Universiteit voorafgaand aan het verlenen van de verblijfsvergunning is beïnvloed door wetgeving en beleid op het gebied van het vreemdelingenrecht.
4.3.3
Het middel van de Staatssecretans slaagt daarom in zoverre.'
Deze geciteerde overwegingen hebben in gelijke zin voor de onderhavige zaak te gelden. Het Hof is mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan omdat zijn oordelen kennelijk zijn gegrond op de aanname dat van betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet 1B 2001 slechts sprake kan zijn bij voldoening van een opeisbare schuld. Het Hof gaat er immers vanuit dat het collegegeld pas verschuldigd is op het moment van de definitieve inschrijving aan de TU Delft (r.o. 4.7 en 4.8). Het Hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de overmaking op 25 juni 2015 — die hij nota bene betaling noemt (zie r.o. 4.9) niet zou gelden als de voldoening aan een bestaande of toekomstige verplichting. Het Hof overweegt immers ook dat voor elk studiejaar gelet op de WHW het wettelijke collegegeld verschuldigd is en dat een (toekomstige) inschrijving aan in casu de TU Delft gelet op het Vreemdelingenbesluit 2000 vereist is in verband met de aanvraag van een verblijfsvergunning. De Rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen:
‘3.5.
Uit de door belanghebbende overgelegde stukken blijkt dat de universiteit aan hem onder meer het collegegeld in rekening heeft gebracht om voor hem een visum, dat wil zeggen een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit te kunnen regelen. Uit hetgeen hiervoor in 3.4 is uiteengezet volgt dat voor die verblijfsvergunning vereist was dat belanghebbende (voorlopig) was ingeschreven aan de universiteit en dat die Inschrijving de verplichting tot het betalen van collegegeld met zich brengt. Hieruit leidt de rechtbank af dat belanghebbende het collegegeld verschuldigd was ten tijde van de betaling daarvan omdat juist die betaling een voorwaarde is voor de inschrijving aan de universiteit en die inschrijving vereist was voor het aanvragen van een verblijfsvergunning. De betaling geschiedde dus ter delging van een schuld die door de inschrijving was ontstaan. Daarom kan niet worden gezegd dat geen sprake was van een betaling als bedoeld in artikel 6.40, eerste lid, letter a, van de Wet 1B 2001 maar van een depotstorting. (…).
3.7.
Aan het oordeel doet evenmin af dat belanghebbende het collegegeld terug zou hebben kunnen krijgen indien hem geen visum zou zijn verleend. In dat geval zou belanghebbende de inschrijving aan de universiteit hebben kunnen beëindigen. Hij zou dan (net als binnenlandse studenten) recht hebben gehad terugbetaling van een twaalfde gedeelte van het door hem wettelijk verschuldigde collegegeld voor elke maand dat het studiejaar na beëindiging van zijn inschrijving duurde (artikel 7.48, vierde lid, van de WHW).’
De vaststelling dat ‘belanghebbende onweersproken [heeft] gesteld dat uit het ‘Retributie- en inschrijvingsbeleid’ van de TU Delft niet volgt dat betaling van het collegegeld op een eerder tijdstip voorafgaand aan de definitieve inschrijving (die voltooid dient te zijn vóór aanvang van het studiejaar op 1 september) dient plaats te vinden (r.o. 4. 7), acht ik bovendien onbegrijpelijk. Dit uitgangspunt is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet verenigbaar met de feitelijke vaststelling in r.o. 2.2 dat het verschuldigde collegegeld vóór 1 juli 2015 moest zijn betaald.3. Het Hof miskent bij zijn oordeel voorts dat de Inspecteur uitvoerig heeft betoogd dat (i) het verschuldigde bedrag aan collegegeld gelet op de toepasselijke voorschriften in regels van de TU Delft over de betaling van het collegegeld (in zijn geheel) voorafgaand aan de inschrijving bij de TU Delft dient te zijn voldaan en (ii) dat belanghebbende bovendien niet vrijelijk kon beschikken over het betaalde collegegeld, zodat van een depotstorting geen sprake kan zijn. De Inspecteur heeft namelijk in het verweerschrift in eerste aanleg onder meer aangevoerd4. :
‘Het moge duidelijk zijn dat het bedrag aan collegegeld vanuit India in begin 2015 is overgemaakt naar de TU Delft. Dat is dus het betaalmoment. Dat er sprake is van een voortuitbetaling, maakt dat niet anders. (…). Met het overmaken van het bedrag aan collegegeld [heeft] belanghebbende de beschikkingsmacht over het geldbedrag verloren en heeft de TU Delft de beschikkingsmacht verkregen. (…). Beslissend voor dit standpunt is dat belanghebbende het als collegegeld bestemde bedrag, na de betaling niet zomaar van de TU [Delft] kan terugvorderen. Alleen als belanghebbende — ongeacht de reden — een uitschrijvingsverzoek doet, krijgt hij een vordering op de universiteit tot terugbetaling van het betaalde bedrag. Als belanghebbende het door hem overgemaakte bedrag alleen maar kan terugkriJgen door een uitschrijvingsverzoek te doen, kan niet worden gezegd dat de beschikkingsmacht is behouden. Belanghebbende is hoogstens in staat — door het in leven roepen van een nieuwe rechtstoestand — de beschikkingsmacht te herkrijgen. Dit is niet naders dan bij binnenlandse studenten die hun collegegeld vooruitbetalen en op een later moment beslissen dat zij de studie geen aanvang laten nemen en op dat moment het vooruitbetaalde collegegeld terugbetaald krijgen. Bij het voorgaande is mede in acht genomen, dat zowel uit de betalingstoelichting als uit het algemene systeem van inschrijving en betaling van collegegelden volgt, dat de betaling is gedaan ter kwijting van de verplichting tot betaling van het collegegeld. In de betalingstoelichting staat namelijk dat vóór 1 juli 2015 een bedrag van (23. 760 betaald moet zijn. Een deel van dit bedrag bestaat uit collegegeld. (…). Dat de betaling ter kwijting van de verplichting tot betaling van het collegegeld strekt niet als waarborg kwalificeert, strookt daarnaast met het algemene systeem van inschrijving en betaling van collegegelden. Als naar de huidige ‘Regeling inschrijving en collegegeld’ van de TU wordt gekeken, staat daarin opgenomen dat een verschuldigd bedrag aan collegegeld in zijn geheel voorafgaand aan de inschrijving bij de TU dient te zijn voldaan. De stelling van belanghebbende dat het collegegeld pas verschuldlgd is op het moment van inschrijven is hiermee in tegenspraak.’
Het Hof had — mede gelet op hetgeen de Inspecteur naar voren heeft gebracht — nader moeten motiveren waarom het overgemaakte bedrag ter grootte van het verschuldigde collegegeld tot in september 2015 het karakter had van een depotstorting en de overmaking ervan in juni 2015 dus naar de bedoeling van partijen op dat moment niet strekte tot voldoening aan een verplichting die voortvloeit of zal voortvloeien uit een toen al bestaande rechtsverhouding tussen belanghebbende en de TU Delft ter zake van de betaling van het collegegeld.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑02‑2026
Zie onder meer de uitspraken van rechtbank Gelderland 11 juni 2021, ECLl:NL:RBGEL:2021:2925, rechtbank Den Haag 17 maart 2022, ECLl:NL:RBDHA:2022:6676, rechtbank Noord-Nederland 25 april 2022, ECLl:NL:RBNNE:2022:1355, rechtbank Noord-Holland 28 februari 2023, ECLI: NL: RBNHO: 2023:1722 en rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1550, -1551, 1552, 1553.
2 [Voetnoot 1 originele tekst]: Vgl. HR 7 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998: AA 2306, rechtsoverweging 3.3.
3 R.o. 2.2: ‘Tultion fee and/or Living Casts (…). In order to proceed with your enrolment at TU Delft the following amount must be received by TU Delft before the payment deadline of 1 July 2015. Tuition fee 2015-2016: Euro 13560,00. Living expenses: Euro 10200,00. Total amount ('Guarantee’) to be paid: Euro 23760,00.’
4 En in het verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur voor de motivering verwezen naar het verweerschrift in eerste aanleg, de uitspraak van de Rechtbank en enkele in voetnoot 1 vermelde uitspraken van rechtbanken.