Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap
Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.2.4:3.2.4 Conclusie
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.2.4
3.2.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS442492:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 april 1980, NJ 1981, 377 m.nt. BW (Sleephelling Maatschappij Scheveningen/Buis).
Westbroek (1988), p. 406 en p. 409.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een controverse tussen de beperkte leer en de ruime leer zoals die in het bijzonder in de laatste decennia in Nederland is ontstaan heeft in Frankrijk in feite van meet af aan ontbroken: kort na inwerkingtreding van de Code de Commerce werd door de Conseil d’État al bepaald dat alleen externe bestuurshandelingen een commanditair zijn verboden. In de 19e eeuw betoogde een enkele rechtsgeleerde schrijver nog wel dat dit een te beperkte uitleg was, maar tot een wijziging in de heersende leer heeft dit niet geleid. Om iedere onduidelijkheid uit te sluiten is deze opvatting in 1966 in de tekst van de wet opgenomen. Dat het de commanditair eveneens vrijstaat om toezichts- en goedkeuringsrechten te bedingen en uit te oefenen is in Frankrijk nooit aan enige twijfel onderhevig geweest. Ter wille van de rechtszekerheid is de wetgever al in 1863 ertoe overgegaan dit in de wet te verankeren. Wat de gevolgen van een overtreding van het bestuursverbod betreft stond het Franse recht slechts betrekkelijk korte tijd op het strenge standpunt dat de bedrijvige commanditair zonder meer voor alle bestaande vennootschapsverbintenissen onbeperkt aansprakelijk wordt. Reeds in 1863 is deze – in Nederland in beginsel nog altijd geldende – regel in dier voege verzacht dat in de wet een genuanceerd systeem van aansprakelijkheid is geïntroduceerd. Dit biedt de rechter meer mogelijkheden om een zekere proportionaliteit aan te brengen tussen het gewicht van de normschending en de zwaarte van de gevolgen daarvan. Zoals in hoofdstuk 2 is beschreven is dit naar de huidige rechtsopvatting in Nederland niet te verwezenlijken, tenzij de verwijtbaarheidsnorm die de Hoge Raad in 1980 introduceerde1 daartoe de ruimte zou bieden. Of die jurisprudentie in deze zin kan worden geduid is onzeker.2