Rechtbank Midden-Nederland 23 september 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7298 (schriftelijk uitgewerkt op 25 oktober 2024).
HR, 28-11-2025, nr. 24/04668
ECLI:NL:HR:2025:1798
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-11-2025
- Zaaknummer
24/04668
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1798, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑11‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1018
ECLI:NL:PHR:2025:1018, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1798
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑12‑2024
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2025-0316
Uitspraak 28‑11‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04668
Datum 28 november 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [plaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: D. Rijpma,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 440577 FZ RK 24 2116 van de rechtbank Gelderland van 17 september 2024;
b. de beschikking in de zaak C/16/581208 / FV RK 24-2225 van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
2.2
Op 23 september 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Betrokkene is niet verschenen. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt, voor zover in cassatie van belang, het volgende:
“Rechter:
(…) Het lastige is dat onze beslistermijn vandaag verloopt en dat we vandaag uitspraak moeten doen.
*Er wordt gekeken naar een nieuwe zittingsdatum*
Op 14 oktober is er nog plek.
(…)
Rechter:
(…) Wat ik nu wel doe is een korte toewijzing, anders verloopt onze beslistermijn. Ik verleen de machtiging voor een maand, onder aanhouding van het overige. Dat is tot 23 oktober 2024.”
2.3
Bij deelbeschikking van 23 september 20241.heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van één maand onder aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige. Aan haar beslissing heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd:
“Het standpunt van de advocaat
2.2.
De advocaat heeft betrokkene niet gesproken en is niet in staat om vandaag namens hem het woord te voeren.
2.3.
De casemanager vertelt dat betrokkene voornemens was om op eigen gelegenheid naar de rechtbank te komen.
De beoordeling van de rechtbank
2.4.
De rechtbank heeft betrokkene tijdens de mondelinge behandeling geprobeerd te bellen. Hij nam echter niet op. Aangezien de advocaat betrokkene niet heeft kunnen spreken en de casemanager vertelt dat betrokkene voornemens was om te komen, wil de rechtbank betrokkene in de gelegenheid stellen om alsnog gehoord te worden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van één maand, te weten tot 23 oktober 2024, met aanhouding van het overige.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] (…)
(…)
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 23 oktober 2024;
- houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan;
- bepaalt dat de mondelinge behandeling van het verzoek wordt voortgezet op 14 oktober 2024, op een nader te bepalen tijdstip.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel keert zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.4. Dit oordeel geeft volgens het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat de rechtbank een zorgmachtiging heeft verleend zonder (kenbaar) te beoordelen of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg en aan het doel van verplichte zorg. Als de rechtbank die beoordeling wel heeft verricht en heeft geoordeeld dat is voldaan aan die criteria en dat doel, dan is het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, aldus het middel.
3.2
3.3
De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg.2.Het voorgaande geldt ook indien de rechtbank (in een deelbeschikking) een zorgmachtiging verleent voor een deel van de verzochte duur, onder aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige.
3.4
In het onderhavige geval heeft de rechtbank niet gemotiveerd dat is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg en aan het doel van verplichte zorg. Het middel slaagt dus.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2024;
- wijst het geding terug naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.B. ter Heide, als voorzitter, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 28 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑11‑2025
HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, rov. 3.2.
Conclusie 19‑09‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04668
Zitting 19 september 2025
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. D. Rijpma,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak is een aansluitende zorgmachtiging verzocht voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank heeft, nadat betrokkene niet ter zitting was verschenen, in een deelbeschikking een zorgmachtiging verleend voor een periode van een maand en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden om betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.
1.2
In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank in de deelbeschikking een zorgmachtiging heeft verleend zonder (kenbaar) te beoordelen of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg en aan het doel van verplichte zorg. Als de rechtbank die beoordeling wel heeft verricht en heeft geoordeeld dat is voldaan aan de criteria en het doel, dan is het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, aldus betrokkene. Het middel slaagt.
1.3
De beschikking die is gegeven na de voortgezette mondelinge behandeling staat centraal in zaak 24/04715, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij verzoekschrift van 2 september 2024 is de rechtbank Gelderland verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende1.zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.2
Bij beschikking van 17 september 2024 heeft de rechtbank Gelderland de behandeling van het verzoek verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) heeft plaatsgevonden op 23 september 2024 in het gebouw van de rechtbank. Daarbij zijn de advocaat van betrokkene en een klinisch psycholoog gehoord. Betrokkene was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Voor zover in cassatie van belang, wordt daarin het volgende vermeld:
“Rechter:
(…) Het lastige is dat onze beslistermijn vandaag verloopt en dat we vandaag uitspraak moeten doen.
*Er wordt gekeken naar een nieuwe zittingsdatum*
Op 14 oktober is er nog plek.
(…)
Rechter:
(…) Wat ik nu wel doe is een korte toewijzing, anders verloopt onze beslistermijn. Ik verleen de machtiging voor een maand, onder aanhouding van het overige. Dat is tot 23 oktober 2024.”
2.4
Bij deelbeschikking van 23 september 20242.heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van één maand, te weten tot en met 23 oktober 2024, onder aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige.Aan haar beslissing heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd:3.
“Het standpunt van de advocaat
2.2.
De advocaat heeft betrokkene niet gesproken en is niet in staat om vandaag namens hem het woord te voeren.
2.3.
De casemanager vertelt dat betrokkene voornemens was om op eigen gelegenheid naar de rechtbank te komen.
De beoordeling van de rechtbank
2.4.
De rechtbank heeft betrokkene tijdens de mondelinge behandeling geprobeerd te bellen. Hij nam echter niet op. Aangezien de advocaat betrokkene niet heeft kunnen spreken en de casemanager vertelt dat betrokkene voornemens was om te komen, wil de rechtbank betrokkene in de gelegenheid stellen om alsnog gehoord te worden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van één maand, te weten tot [en met; A-G] 23 oktober 2024, met aanhouding van het overige.”
2.5
Betrokkene heeft op 22 december 2024 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel is gericht tegen het hiervoor geciteerde oordeel van de rechtbank in r.o. 2.4. Geklaagd wordt dat de rechtbank een zorgmachtiging heeft verleend zonder (kenbaar) te beoordelen of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg en aan het doel van verplichte zorg. Als de rechtbank die beoordeling wel heeft verricht en heeft geoordeeld dat is voldaan aan de criteria en het doel, dan is het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, aldus betrokkene.
3.2
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
3.3
Artikel 6:4 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent, indien naar zijn oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:3 Wvggz en het doel van verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:4, onderdelen b tot en met e, Wvggz.
3.4
Artikel 3:3 Wvggz bepaalt dat, indien het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel leidt, als uiterste middel verplichte zorg kan worden verleend, indien voldaan is aan de in deze bepaling onder a tot en met d genoemde vereisten van vrijwilligheid, subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid.4.Dit zijn de criteria voor verplichte zorg.
3.5
Artikel 3:4, onder b tot en met e, Wvggz bepaalt dat verplichte zorg kan worden verleend om ernstig nadeel af te wenden (onder b), de geestelijke gezondheid van de betrokkene te stabiliseren (onder c) of dusdanig te herstellen dat hij zijn autonome zoveel mogelijk herwint (onder d), of om de fysieke gezondheid van de betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor. Dit zijn de doelen van verplichte zorg.
3.6
In Wvggz-zaken vindt de motiveringsverplichting haar grondslag in het algemene artikel 30 Rv.5.Een beslissing dient ten minste zodanig te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.6.
3.7
Wel volstaat vanuit het oogpunt van doelmatigheid in Wvggz-zaken veelal een summiere motivering.7.Over de motiveringsplicht ten aanzien van de criteria voor en het doel van verplichte zorg heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:8.
“De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter behoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht.”
3.8
Dit is in lijn met oudere jurisprudentie onder de Wet Bopz, waarin de Hoge Raad als volgt oordeelde:9.
“(…) Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is in een geval als het onderhavige een summiere motivering toelaatbaar, mits de uit de gedingstukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat met een zodanige motivering wordt volstaan (vgl. onder meer HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7233, NJ 1998/221) (…).”
3.9
Ook in geval van een deelbeschikking10.− waarbij de rechtbank een zorgmachtiging verleent voor een deel van de verzochte duur, onder aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige − dient de rechtbank te motiveren dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg.
3.10
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.11
Uit de bestreden beschikking blijkt niet kenbaar of de rechtbank getoetst heeft of is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Of in het oordeel van de rechtbank moet worden gelezen dat zij dit heeft getoetst en kennelijk meent dat dit het geval is, kan echter in het midden blijven. Het oordeel van de rechtbank is in het licht van de onder 3.7 genoemde rechtspraak namelijk onbegrijpelijk, omdat de rechtbank niet motiveert dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. De rechtbank motiveert haar beslissing de zorgmachtiging voor de duur van een maand te verlenen, met aanhouding van het overige, in r.o. 2.4. slechts als volgt: ‘Gelet op het voorgaande’, waarbij uit dat voorgaande niet blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Het middel slaagt dus.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑09‑2025
Uit het verzoekschrift van 2 september 2024 volgt dat op 21 maart 2024 door de rechtbank Gelderland een zorgmachtiging was verleend die liep tot en met 21 september 2024.
ECLI:NL:RBMNE:2024:7298. De beschikking is schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 25 oktober 2024. Dit laatste is wel vermeld onder de beschikking die deel uitmaakt van het procesdossier in cassatie, maar niet in de op rechtspraak.nl gepubliceerde beschikking.
T.a.v. r.o. 2.3. en r.o. 2.4. merk ik op dat daarin gesproken wordt over de casemanager. Ik ga ervan uit dat hiermee de ter zitting aanwezige klinisch psycholoog wordt bedoeld, zoals genoemd in r.o. 1.2. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling staat ‘klinisch psycholoog en zorgverantwoordelijke’.
Zie ook C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg, (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 12), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 164.
Aldus luidt de standaardoverweging van de Hoge Raad over het motiveringsbeginsel, zie bijv. HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, r.o. 3.5.
HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, r.o. 3.2.
HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:669, NJ 2016/237, r.o. 3.4.2.
Zie over dergelijke deelbeschikkingen o.a. mijn conclusie van 1 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:803 (onder 3.17 e.v.) voor HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1552, NJ 2024/326 en W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz, par. 7.6 (publicatiedatum: 9 september 2024).
Beroepschrift 22‑12‑2024
PROCESINLEIDING
VERZOEKPROCEDURE IN CASSATIE (art. 426a Rv)
Verzoeker
[betrokkene], wonende te [postcode] [woonplaats] aan de [adres], te dezer zake woonplaats kiezende te Den Haag aan het Prinses Margrietplantsoen 33 (WTC The Hague Business Center) ten kantore van Rijpma Cassatie & Litigation, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. D. Rijpma als zodanig voor verzoeker van cassatie optreedt en namens hem deze procesinleiding ondertekent en indient.
Cassatieberoep
Verzoeker stelt bij dezen beroep in cassatie in tegen de deelbeschikking van 23 september 2024 in de zaak met zaaknummer / rekestnummer C/16/581208 / FV RK 24-2225, gegeven door de Rechtbank Midden-Nederland naar aanleiding van het door de officier van justitie op 2 september 2024 ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging aansluiten op een zorgmachtiging.
Bevoegde rechter
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Middel van cassatie
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat de rechtbank heeft overwogen en beslist als vermeld in de beschikking waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
Feiten
- (i)
De officier van justitie heeft de Rechtbank Gelderland op 2 september 2024 verzocht ten aanzien van verzoeker van cassatie (hierna: [betrokkene]) een zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
- (ii)
Na verwijzing van de behandeling van het verzoek door de Rechtbank Gelderland naar de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 september 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Uit (de zittingsaantekeningen gehecht aan) het proces-verbaal van die zitting en uit de thans aangevallen beschikking (rov. 1.3) blijkt dat [betrokkene] niet op de mondelinge behandeling is verschenen.
- (iii)
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking ten aanzien van [betrokkene] een zorgmachtiging verleend voor de duur van één maand (tot en met 23 oktober 2024), het verzoek voor het overige aangehouden, en bepaald dat de mondelinge behandeling van het verzoek wordt voortgezet op 14 oktober 2024. Die beslissing heeft de rechtbank gemotiveerd met rov. 2.4 die luidt als volgt:
‘De rechtbank heeft betrokkene tijdens de mondelinge behandeling geprobeerd te bellen. Hij nam echter niet op. Aangezien de advocaat betrokkene niet heeft kunnen spreken en de casemanager vertelt dat betrokkene voornemens was om te komen, wil de rechtbank betrokkene in de gelegenheid stellen om alsnog gehoord te worden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van één maand, te weten tot 23 oktober 2024, met aanhouding van het overige.’
Klacht
De beslissing van de rechtbank geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting, omdat de rechtbank een zorgmachtiging heeft verleend zonder (kenbaar) te beoordelen of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, en aan het doel van verplichte zorg.
Art. 6:4 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent indien naar zijn oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg bedoeld in art. 3:3 Wvggz, en aan het doel van verplichte zorg bedoeld in art. 3:4 sub b t/m e Wvggz. Daaruit volgt dat de rechter niet alleen geen zorgmachtiging mag verlenen — ook niet voor een deel van de door de officier van justitie verzochte periode met aanhouding voor het overige — indien niet is voldaan aan die criteria en aan dat doel, maar ook niet wanneer hij (nog) niet heeft beoordeeld óf is voldaan aan die criteria en aan dat doel. Dat heeft de rechtbank miskend.
Als de rechtbank die beoordeling wel heeft verricht en heeft geoordeeld dat is voldaan aan die criteria en aan dat doel, dan is haar oordeel zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Verzoek
[betrokkene] verzoekt de Hoge Raad de beschikking waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht, te vernietigen, met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.
Den Haag, 22 december 2024
Advocaat bij de Hoge Raad