Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/1.3:1.3 Opbouw
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/1.3
1.3 Opbouw
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457677:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek bestaat uit vier delen. De eerste drie delen corresponderen met de drie hiervoor genoemde subvragen, waarna een afsluitende conclusie volgt.
Het eerste deel richt zich op het Nederlandse budgetrecht. De hoofdstukken 2 en 3 vormen een inleiding op dit recht. Hoofdstuk 2 staat stil bij enkele inleidende aspecten hieromtrent, zoals een precieze definitie, de reikwijdte van het budgetrecht, de functies die hieraan worden toegekend en de begrotingscyclus. Hoofdstuk 3 gaat in op de bevoegdheden van de Tweede en Eerste Kamer in het kader van het budgetrecht. Om een volledig beeld te geven van het begrotingsproces, schetst hoofdstuk 4 vervolgens de rol van andere instellingen die betrokken zijn bij de vaststelling van de begroting, zoals het Centraal Planbureau, de Algemene Rekenkamer en de Raad van State. Hoofdstuk 5 vormt de afsluiting van het eerste deel en gaat nader in op het onderscheid tussen het formele en het materiële budgetrecht. Dit hoofdstuk bespreekt onder meer de eerste subvraag, of uit artikel 105 Gw een formele of een materiële norm moet worden afgeleid.
Het tweede deel van dit proefschrift is gericht op Europese integratie. Dit deel gaat in op de ontwikkeling van Europese integratie op economisch en monetair terrein vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot en met de eurocrisis, en op de parlementaire behandeling daarvan. In dit deel wordt de tweede subvraag onderzocht, of de regering en de Staten-Generaal een meer formele of materiële invulling aan het budgetrecht toekennen in het kader van Europese integratie. Aan de hand daarvan worden conclusies getrokken over de juridische consequenties van Europese integratie voor het budgetrecht. De opbouw binnen dit deel is chronologisch. Hoofdstuk 6 richt zich op de periode vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot en met de ondertekening en parlementaire behandeling van het Verdrag van Maastricht. In hoofdstuk 7 ligt de focus op de totstandkoming, de praktijk en de eerste herziening van het Stabiliteits- en Groeipact. Hoofdstuk 8 gaat in op de economische crisis die de wereld vanaf 2007 in haar greep had en op de Europese steunmaatregelen die als gevolg daarvan zijn genomen. Hoofdstuk 9 behandelt tot slot hoofdzakelijk het six-pack, het two-pack en het Stabiliteitsverdrag.
Het derde deel betreft de rechtsvergelijking met Duitsland. In hoofdstuk 10 wordt allereerst het Duitse stelsel geanalyseerd, dat als voorbeeld dient van een materiële interpretatie van het budgetrecht in het kader van Europese integratie. Bezien wordt hoe vorm is gegeven aan de materiële benadering van dit recht, de derde subvraag van dit onderzoek. Aan het einde van dit deel komt de rechtsvergelijking aan de orde, waarin het Nederlandse stelsel naast het Duitse wordt geplaatst.
Het vierde deel bestaat tot slot uit het concluderende hoofdstuk 11, waarin onder meer de onderzoeksvraag van dit proefschrift wordt beantwoord. Deze tekst is begin november 2017 afgesloten.