Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.3.2.3
7.3.2.3 Is de belemmering gerechtvaardigd?
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305610:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 12 december 2002, zaak C-324/00 (Lankhorst), r.o. 42.
HvJ EG 7 september 2004, zaak C-319/02 (Manninen).
Het is overigens de vraag hoe het HvJ EG hierbij komt. Finland beoogde namelijk alleen dubbele belasting te vermijden over winsten van Finse vennootschappen. Het HvJ EG breidt de doelstelling echter uit tot het voorkomen van dubbele belasting voor alle EU-vennootschappen.
HvJ EG 7 september 2004, zaak C-319/02 (Manninen) r.o. 42 t/m 48. Zie ook de conclusie van 18 maart 2004 van A-G Kokott bij deze zaak, punten 50 tot met 65 en punt 10 van de noot van Pj. Wattel bij deze zaak in BNB 2004/401c*.
Zie Hermann/Heuer/Raupach, Einkommensteuer- und Korperschaftsteurgesetz, Kommentar, KStG §8a Anm 8.
Zie N. Herzig, ‘Standortsicherungsgesetz: Gesetzliche Regelung der Gesellschafterfremdfinanzierung in § 8a KStG’, Der Betrieb, 1994, p. 111.
HvJ EG 12 december 2002, zaak C-324/00 (Lankhorst), r.o. 44.
HvJ EG 12 december 2002, zaak C-324/00 (Lankhorst), r.o. 37.
De belemmering kon niet worden gerechtvaardigd met een beroep op het coherentiebeginsel. Het Hof van Justitie EG meende namelijk dat een dergelijk beroep alleen kon slagen wanneer de toekenning van een fiscaal voordeel en de compensatie van dit voordeel door een fiscale heffing beide in het kader van dezelfde belasting plaatsvonden en dezelfde belastingplichtige betroffen. In het geval van GmbH was volgens het Hof van Justitie EG echter geen sprake van een dergelijk rechtstreeks verband omdat zij fiscaal ongunstig werd behandeld zonder dat de Duitse regering enig belastingvoordeel had aangevoerd dat voor haar de gevolgen van deze behandeling kon compenseren.1
In Manninen2 heeft het Hof van Justitie EG de reikwijdte van het coherentie-beginsel vervolgens verruimd. Manninen, een inwoner van Finland, klaagde over een verschil in behandeling tussen dividenden uitgekeerd door Finse vennootschappen en dividenden uit andere lidstaten. Ter zake van Finse dividenden had Manninen recht op verrekening van de onderliggende vennootschapsbelasting. Voor een dividend van een vennootschap die inwoner was van een andere lidstaat bestond echter geen recht op een dergelijk belastingkrediet. Ter rechtvaardiging van deze verschillende behandeling werd een beroep gedaan op het coherentiebeginsel. Het fiscale voordeel, het belastingkrediet, werd echter genoten door Manninen terwijl de compensatie van dit voordeel, de heffing van de Finse vennootschapsbelasting over de winst, plaatsvond bij de uitkerende Finse vennootschap. Het had dus voor de hand gelegen wanneer het Hof van Justitie EG het beroep op het coherentiebeginsel had verworpen met het argument dat het fiscale voordeel en de compensatie van dit voordeel niet in het kader van dezelfde belasting plaatsvond, noch dezelfde belastingplichtige betrof. Dat deed het Hof van Justitie EG echter niet. Het Hof van Justitie EG onderzocht de Finse regeling op basis van haar doelstelling. Met de regeling beoogde Finland volgens het Hof van Justitie EG te vermijden dat winsten van vennootschappen die aan aandeelhouders worden uitgekeerd dubbel worden belast.3 Deze doelstelling zou volgens het Hof van Justitie EG niet in gevaar worden gebracht wanneer ook een belastingkrediet zou worden toegekend voor dividenden van vennootschappen die zijn gevestigd in andere lidstaten. Het beroep op het coherentiebeginsel werd daarom afgewezen.4
Zou het Hof van Justitie EG tot een ander oordeel zijn gekomen wanneer het de Duitse regeling tegen onderkapitalisatie had beoordeeld in het licht van haar ratio? Art. 8a KstG is in 1994 geïntroduceerd om tegen te gaan dat buitenlandse aandeelhouders hun Duitse dochtervennootschappen overmatig financieren met schuld.5 Bij het vormgeven van de wettelijke regeling heeft daarnaast het arm’s length-beginsel een belangrijke rol gespeeld.6 Hieruit blijkt zonneklaar dat het de bedoeling is geweest om onderscheid te maken naar gelang de lening is verstrekt door een binnenlandse dan wel een buitenlandse aandeelhouder. De belemmering volgde dus direct uit de ratio van de regeling. Het beroep op het coherentiebeginsel had daarom evenzeer gefaald wanneer art. 8a vanuit het perspectief van zijn doelstelling was getoetst.
De Britse regering stelde dat art. 8a KStG nodig was om de doeltreffendheid van belastingcontroles te waarborgen. Dit betoog werd door het Hof van Justitie EG echter verworpen omdat niet was gepreciseerd waarom de regeling het voor de Duitse belastingadministratie mogelijk maakte om het bedrag van de belastbare inkomsten te controleren.7
Het Hof van Justitie EG meende ten slotte dat de regeling niet werd gerechtvaardigd door de noodzaak om belastingontwijking te bestrijden. Het stelde vast dat art. 8a KStG niet specifiek tot doel had om volstrekt kunstmatige transacties die bedoeld zijn om de Duitse belastingwetgeving te omzeilen van een belastingvoordeel uit te sluiten. De regeling was immers van toepassing op elke situatie waarin de zetel van de moedermaatschappij buiten Duitsland was gelegen. In dat geval was volgens het Hof van Justitie EG echter niet per se sprake van belastingontwijking omdat de moedermaatschappij hoe dan ook aan belasting was onderworpen in haar staat van vestiging.8