Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/0.1
0.1 Introductie
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS585032:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De tekst van art. 1374 lid 3 (oud) BW, de voorloper van art. 6:2 lid 1 BW, luidde: 'Zij (alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten, PSB) moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebragt.' Het eerste lid van art. 6:2 BW bepaalt: 'Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.'
Zie bijv. Wiarda 1988, p. 54-55. Zie over de verhouding tussen de objectieve goede trouw en de vervangende begrippen redelijkheid en billijkheid, met verwijzing naar verdere literatuur, voorts Van Schilfgaarde 1984, p. 219. Zie over art. 1374 lid 3 BW voorts Nieuwenhuis 1988, p. 111 e.v. Vgl. voorts het arrest HR 21 juni 1957, NI 1959, 91 (Thurkow/Thurkow), waaruit valt op te maken dat de objectieve goede trouw moet worden verstaan als 'wat in verband met de aard der overeenkomst en de omstandigheden de redelijkheid en billijkheid aan partijen voorschr(ij)ven.'
J.M. Barendrecht, Recht als model van rechtvaardigheid; Beschouwingen over vage en scherpe normen, over binding aan het recht en rechtsvorming, Deventer 1992.
In dezelfde zin wordt geoordeeld in het eveneens in 1992 verschenen proefschrift van De Kluiver (Onderhandelen en privaatrecht, Deventer 1992). Aldaar wordt op p. 56 opgemerkt 'dat de goede trouw primair een beslissingsregel is die rechters de bevoegdheid geeft concrete rechtsregels te formuleren.' Over de artt. 6:2 en 6:248 BW merkt De Kluiver op p. 39 op dat dit in de eerste plaats 'beslissingregels zijn en dat zij niet bepaald gedrag voorschrijven.'
Het debat is in de jaren na invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (1992) voortgezet door o.m. L.K. van Zaltbommel, De betekenis van het recht als systeem, Zwolle 1993 en M.W. Hesselink, De redelijkheid en billijkheid in het Europese privaatrecht, Deventer 1999. Vgl. over de norm van redelijkheid en billijkheid voorts het proefschrift van C.E. Smith, Feit en rechtsnorm, Maastricht 1998 en het proefschrift van L. Reurich, De articulatie van gedragsnormen, deel II, Vaagheid van normen, Deventer 2005. Zie voorts het proefschrift van P. Memelink, De verkeersopvatting, Meppel 2009.
Vgl. respectievelijk Brunner/De Jong 2004, p. 23 en Hesselink 1999a, p. 410.Vgl. voor het Duitse recht Palandt 2011, § 242, sub lc, waar over „Treu und Glauben' wordt gesproken als het 'Grundgebot der Redlichkeit'.
Vgl. Drion 2003, p. 2189 en Hesselink 1999a, p. 408. Zie ook Reurich 2005a, p. 172.
Algemeen wordt aangenomen dat met de in 1992 gerealiseerde vervanging1 van de (objectieve) goede trouw door de eisen van redelijkheid en billijkheid geen materiële wijziging van het recht is beoogd.2 Niettemin zijn de eisen van redelijkheid en billijkheid sinds hun introductie in het nieuwe Burgerlijk Wetboek van 1992 geen erg rustig bezit te noemen. Gezegd kan worden dat de meningenstrijd over deze norm (pas goed) is ontbrand bij de verschijning in datzelfde jaar van het proefschrift van J.M. Barendrecht3 Barendrecht ziet in dit proefschrift over vage en scherpe normen de redelijkheid en billijkheid niet alleen als een "geheel vage" norm (p. 52), maar betwist voorts dat deze norm überhaupt in staat is het gedrag van de justitiabelen te beïnvloeden (p. 76).4 Het debat over de redelijkheid en billijkheid wordt sindsdien gekenmerkt door een hardnekkige dissensus over de betekenis en reikwijdte van deze norm in het privaatrecht.5 Die dissensus komt mede tot uitdrukking in de bonte verscheidenheid aan epitheta die in de loop der tijd aan de redelijkheid en billijkheid zijn toegekend. Voor sommigen zijn redelijkheid en billijkheid bijvoorbeeld niet minder dan de "grondnorm" van het verbintenissenrecht, voor anderen daarentegen niets meer of anders dan een "schaamlap" voor rechterlijke rechtsvorming.6 De één spreekt van een "alomvattende, alles overstijgende Superregel", de ander weer van "geen norm" of zelfs in het geheel "niets".7 Deze onderlinge disharmonie tussen de kwalificaties voor de redelijkheid en billijkheid blijkt in de meeste gevallen te herleiden tot één en hetzelfde dogmatische twistpunt, te weten de vraag of redelijkheid en billijkheid primair op te vatten zijn als een vage of open rechterlijke beslissingsnorm dan wel als een partijen bindende gedragsnorm.