Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.2.6:2.2.6 Bescherming van concurrenten; small is beautiful
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.2.6
2.2.6 Bescherming van concurrenten; small is beautiful
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS574029:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bescherming van kleinere concurrenten tegen de grotere concurrenten kan worden gezien als een doelstelling van het mededingingsrecht die samenhangt met de zojuist besproken herverdelingsdoelstelling (§ 2.2.5). De kleinere concurrenten moeten een eerlijke kans krijgen om te slagen in de concurrentiestrijd. De bescherming van kleine en middelgrote ondernemingen wordt meestal gerechtvaardigd door te verwijzen naar het behoud van equal opportunities, een specifiek concept van rechtvaardigheid.1 Hoewel deze zienswijze door economen niet erg overtuigend wordt gevonden, wordt in Europa ook waarde gehecht aan de decentralisering van macht en de bescherming van de beslissingsvrijheid van onafhankelijke ondernemingen (zie de herverdelingsdoelstelling zoals besproken in § 2.2.5).2 Het nastreven van allocatieve efficiëntie, dynamische efficiëntie en productie-efficiëntie is in Europa niet het enige doel van het mededingingsrecht. In de EU worden kleine en middelgrote ondernemingen door het mededingingsrecht beschermd ter bevordering van een gezond competitief klimaat.3 Zie bijvoorbeeld de minimisbekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 81 lid 1 EG.4
In zaken betreffende artikel 82 EG (misbruik van een economische machtspositie) is het mededingingsrecht ook gebruikt om de concurrent te beschermen. Whish wijst hierbij op de invloed die is uitgegaan van de zogenaamde 'Freiburg School of ordoliberalism' of 'Freiburger Schule des Ordoliberalismus'.5De aanhangers van deze stroming waren van mening dat de vrije markt, hoewel noodzakelijk in de liberale economie, niet toereikend is. Een economische constitutie is volgens deze stroming noodzakelijk om de economische macht van ondernemingen te beperken. Indien de staat geen actieve maatregelen zou nemen ter bevordering van de mededinging, zouden niet alleen monopolisten en oligopolisten ontstaan die de voordelen van marktwerking zouden belemmeren, maar zou ook mogelijk de democratie zelf worden ondermijnd. Economische macht zou namelijk makkelijk kunnen worden omgezet in politieke macht. Aan de andere kant moest de overheid geen onbelemmerde controle over het gedrag van deze ondernemingen verkrijgen, nu publieke macht even schadelijk kon zijn als private macht. Door middel van wet en regelgeving zou zowel de publieke macht als de private macht binnen de perken kunnen worden gehouden. Kleine en middelgrote ondernemingen zouden uiteindelijk bij deze regelgeving het meeste baat hebben.6
Ordoliberalisme is als stroming ontstaan gedurende de jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw. Duitse economen probeerde een sociale markteconomie te ontwikkelen. Whish wijst op het feit dat deze stroming een directe invloed heeft gehad op de personen die waren betrokken bij de oprichting van de drie Europese gemeenschappen in de jaren vijftig. Dit zou hebben geleid tot beslissingen en uitspraken waarin het recht werd gebruikt om concurrenten te beschermen in plaats van het proces van mededinging te beschermen.7 Deze bescherming voor kleine en middelgrote ondernemingen bestond vroeger ook in de Verenigde Staten, maar vormt onder invloed van de huidige economische inzichten geen doelstelling meer van het Amerikaanse antitrustrecht. Het is de vraag of het mededingingsrecht niet het bereiken van economische efficiëntie moet laten prevaleren boven de bescherming van kleinere concurrenten. Mededingingsrecht kan anders worden gebruikt om de inefficiënte ondernemingen in stand te houden en de prestaties van de efficiënte ondernemingen te belemmeren. De economen behorende bij de 'Chicago School' hebben in de Verenigde Staten veel kritiek geuit op de bescherming van de kleine concurrent en het belemmeren van het Darwinistische principe dat de meest efficiënte onderneming de inefficiënte onderneming overleeft. De 'Chicago School' legt de nadruk op de vraag of de onderzochte gedraging ertoe leidt dat consumenten hogere prijzen moeten betalen. Het uiteindelijk beschermen van inefficiëntere concurrenten tegen efficiëntere concurrenten is schadelijk voor de welvaart van de consument.