Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.2.2.1
8.2.2.1 De onpartijdigheid – lessen uit de rechtspraak
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702047:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254 (Jennissen/Staat).
HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254, r.o. 3.4.1 (Jennissen/Staat).
EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323, § 47-48 (Sara Lind Eggertsdóttir/IJsland).
Van der Schans & Van Heesbeen 2011, p. 49-50.
Nadrukkelijk: Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:444 (tussenvonnis d.d. 10 juli 2013), r.o. 4.1. Zie ook § 4.2.4.2.
Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:444.
Het veruit bekendste voorbeeld is HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254 (Jennissen/Staat). Zie ook: HR 20 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:AD2647, NJ 1997/288 (Sonder/Almelo); Rb. Maastricht 18 juli 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX2038; Rb. Oost-Brabant 21 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5157; Rb. Middelburg 21 januari 2009, ECLI:NL:RBMID:2009:BJ4273; Rb. Limburg 8 februari 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:1063.
Concl. A-G J.C. van Oven, ECLI:NL:PHR:2014:2343, bij HR 6 maart 2015, NJ 2015/254, m.nt. P.C.E. van Wijmen (Jennissen/Staat). Zie ook: HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4476, NJ 2011/121 (Chipshol III/Luchthaven Schiphol), r.o. 7.1.3.
HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254, r.o. 3.4.5 (Jennissen/Staat).
In dezelfde zin: Sluysmans 2017, p. 104-105.
Bijvoorbeeld: HR 20 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:AD2647, NJ 1997/288(Son-der/Almelo).
HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254, r.o. 3.4.5 (Jennissen/Staat).
Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:444 (tussenvonnis d.d. 10 juli 2013), r.o. 4.2; HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254, r.o. 3.4.5 (Jennissen/Staat).
Rb. Maastricht 18 juli 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX2038, r.o. 3.19.
Rb. Oost-Brabant 20 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:7725, r.o. 2.2.5. De brief van de voorzitter van de deskundigencommissie is inzichtelijk via: Rb. ’s-Hertogenbosch 9 november 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BU3846.
Sluysmans & Procee 2016, p. 142; Van Wijmen, NJ 1997/288, § 1.
Rb. Oost-Brabant 20 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:7725, r.o. 2.2.5; HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254, r.o. 3.3.2 (Jennissen/Staat).
HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254, cassatiemiddel 2.4 (Jennissen/Staat).
HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523 (concl. A-G J.C. van Oven), NJ 2015/254, r.o. 3.3.4 (Jennissen/Staat).
Als er bij de rechter klachten worden geuit over de kwaliteit van de onteigeningsdeskundige gaan die –voor zover ik kan overzien – altijd over vermeende gebreken aan de onpartijdigheid. Uit de dun gezaaide jurisprudentie daaromtrent kan een aantal voorzichtige conclusies worden getrokken.
De eerste, en wellicht voornaamste, conclusie volgt uit het arrest Jennissen/Staat.1 In dat arrest legt de Hoge Raad de norm aan, aan de hand waarvan twijfels over de onpartijdigheid van deskundigen moeten worden beoordeeld.2 Die norm houdt in dat aan de vrees van een procespartij, dat er sprake is van partijdigheid, weliswaar enige betekenis toekomt, maar dat zulks niet doorslaggevend is. Wél doorslaggevend is of de twijfels die door de schijn van partijdigheid worden gewekt, objectief gerechtvaardigd zijn (zie ook § 5.5.1). Met dit criterium zoekt de Hoge Raad aansluiting bij de rechtspraak van het Europees Hof betreffende de equality of arms – onderdeel van art. 6 EVRM – in relatie tot gerechtelijk deskundigen.3 Vervolgvraag is dan natuurlijk in welke gevallen er sprake is van een dergelijk objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
De weinige rechtspraak die er op dit punt is, maakt het complex een uitgekristalliseerd antwoord te formuleren. Wel is duidelijk – conclusie twee – dat de onteigeningsrechter de lat met betrekking tot de vereiste onpartijdigheid hoog legt. Dat is terecht. Het deskundigenrapport neemt in onteigeningszaken een centrale plaats in.4 Ook al is de rechtbank formeel niet aan dat rapport gebonden, in de praktijk vormt het een belangrijk uitgangspunt voor de rechter.5 In een zaak waarin de voorzitter van de deskundigencommissie een oud-collega was van twee advocaten die de onteigenaar in een ander, maar vergelijkbaar onteigeningsproject bijstonden, oordeelde de rechtbank dat de schijn van partijdigheid objectief gerechtvaardigd was.6 De rechtbank kwam tot deze conclusie gelet op de omstandigheid dat de voorzitter ten tijde van zijn benoeming nog steeds gebruik maakte van hand- en-spandiensten van zijn oud-kantoor zoals secretariële hulp, e-maildomein, bibliotheek, briefpapier met logo en kamerhuur. Ook bleek dat de voorzitter een secretaris had benoemd die werkzaam was voor datzelfde advocatenkantoor en bovendien een rechtstreekse collega was van de twee advocaten die in het vergelijkbare onteigeningsproject voor dezelfde onteigenaar optraden. Gelet op deze feiten en omstandigheden oordeelde de rechtbank dat de schijn van partijdigheid objectief gerechtvaardigd was en dat de bestreden voorzitter vervangen moest worden. In zaken waarin de onteigeningsrechter tot de conclusie kwam dat er geen sprake was van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, werd geoordeeld dat de feiten en omstandigheden zoals die waren aangevoerd onvoldoende waren om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat er sprake was van partijdigheid.7
Uit het voorgaande blijkt dat de concrete feiten en omstandigheden van het geval van groot belang zijn. Uit die feiten en omstandigheden moeten de objectieve maatstaven blijken die de gewekte twijfel objectief rechtvaardigen. Dat is de derde conclusie die op grond van de schaarse rechtspraak kan worden getrokken. De beoordeling van die feiten en omstandigheden behoort tot het domein van de feitenrechter. In cassatie kan die beoordeling slechts op motivering worden getoetst.8 Een procespartij moet dus alle feiten en omstandigheden die volgens haar nopen tot objectief gerechtvaardigde twijfel, ten laatste bij de rechtbank naar voren brengen. Gelet op art. 52 lid 1 Ow is hoger beroep tegen het schadeloosstellingsvonnis immers uitgesloten.
De feiten en omstandigheden op grond waarvan beoordeeld wordt of de schijn van partijdigheid objectief gerechtvaardigd is, dienen dus bij de rechtbank naar voren te worden gebracht. Logische vervolgvraag is dan op welk (of, tot welk) procesmoment dat kan gebeuren. In het arrest Jennissen/Staat overweegt de Hoge Raad dat een klacht tijdig is aangevoerd indien dit gebeurt in het eerste processtuk na depot van het definitieve deskundigenrapport.9 Een procespartij doet er echter verstandig aan diens bedenkingen eerder kenbaar te maken. De Hoge Raad lijkt bij zijn overweging namelijk geen acht te hebben geslagen op de processuele bijzonderheden van de onteigeningsprocedure. Afwijkend van een reguliere civiele procedure kent de onteigeningsprocedure namelijk de figuur van de voorhangfase, de verplichte descente en de mogelijkheid tot het reageren op het conceptrapport. Het kan dan ingaan tegen de eisen van een goede procesorde wanneer objectief gerechtvaardigde bedenkingen die ontstaan in bijvoorbeeld de voorhangfase, pas kenbaar worden gemaakt in de pleitnota (het eerste processtuk na depot van het definitieve deskundigenrapport).10 Het tussenvonnis waarin de (vervroegde) onteigening wordt uitgesproken en de deskundigen worden benoemd is dan een geschikter moment. Het zo vroeg mogelijk uiten van bedenkingen voorkomt niet alleen dat tijdrovende en dure proceshandelingen, zoals de descente, overnieuw moeten gebeuren, maar voorkomt ook de schijn dat het onwelgevallige (concept)rapport de reden was om een of meer deskundigen te ‘wraken’.11 Bovendien blijkt uit de jurisprudentie (conclusie vier) dat het moment van kenbaar maken van de klacht wel degelijk een omstandigheid is die wordt meegenomen in de beoordeling of er sprake is van objectief gerechtvaardigde twijfel.12 Daarbij geldt het uitgangspunt hoe eerder, hoe beter. Indien pas na de definitieve benoeming omstandigheden blijken op grond waarvan de onpartijdigheid in het geding komt, is ook dan het eerstvolgende processtuk het aan te grijpen moment om bedenkingen kenbaar te maken.13
Een andere omstandigheid die wordt meegewogen bij de beoordeling of de schijn van partijdigheid objectief gerechtvaardigd is, is het oordeel van de bestreden deskundige zelf daaromtrent (conclusie vijf). In een zaak voor de rechtbank Maastricht speelde de vraag of het feit dat de benoemde deskundige in een ver verleden advieswerkzaamheden voor de onteigenende gemeente had verricht, zijn onpartijdigheid in het geding bracht. De rechtbank meende van niet:
“[Deskundige X] heeft namelijk [cursivering en onderstreping SS], desgevraagd, de rechtbank laten weten ook zelf geen beletselen te zien in een optreden als deskundige.”14
Klaarblijkelijk hecht de rechter waarde aan de wijze waarop de deskundige zijn positie zelf ervaart. Een vergelijkbare overweging is zichtbaar in het reeds meermaals aangehaalde arrest Jennissen/Staat. Ook daar had de rechtbank in eerste aanleg als relevante omstandigheid meegenomen dat noch de bestreden deskundige zelf, noch de voorzitter van de deskundigencommissie bezwaar voor hem zag om aan te blijven als deskundige.15 Een reden waarom de onteigeningsrechter veel waarde toekent aan het oordeel van de deskundige omtrent diens eigen positie zou natuurlijk kunnen zijn dat onteigeningsdeskundigen in de praktijk zeer prudent en zorgvuldig met hun eigen positie omgaan. Die reden kan op basis van de literatuur ook wel worden gestaafd.16 Een andere reden zou gelegen kunnen zijn in een andere – maar nauw verwante – omstandigheid die de rechtbank relevant achtte in Jennissen/Staat. Namelijk dat de bestreden deskundige al jaren door de rechtbank werd benoemd en in die tijd nooit aanleiding heeft gegeven om aan zijn onpartijdigheid te twijfelen.17 De veelal vaste samenwerkingsverbanden tussen onteigeningsrechter en deskundigen leiden tot een relatie waarin wederzijds vertrouwen belangrijk is. De rechter zal veel waarde toekennen aan de mening van zijn ‘trusted advisor’ omtrent diens positie. Dat de smetteloze reputatie van de deskundige door de rechtbank als relevante omstandigheid werd aangemerkt, is door Jennissen in cassatie overigens bestreden.18 Daar valt ook wel wat voor te zeggen. De vraag is immers niet of er in eerdere procedures of bij andere onteigenden twijfels omtrent de deskundige zijn gerezen, maar of er in het specifieke geval van Jennissen reden was voor objectief gerechtvaardigde twijfel. Hoe dit ook zij, de Hoge Raad meende – in navolging van A-G Van Oven – dat deze omstandigheid, zowel afzonderlijk als in samenhang met de andere omstandigheden, kon bijdragen aan het oordeel dat de schijn van partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd was.19