Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/4.6.4
4.6.4 Terugbetalingsplicht ontvangen uitkeringen?
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706221:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/214 onderdeel b, die aannemen dat onder omstandigheden ook een terugbetalingsplicht kan komen te rusten op een derde.
Vruchtgebruikers zijn overigens slechts gerechtigden voor zover de uitkering een vrucht van het aandeel is, zie HR 23 mei 1958, ECLI:NL:HR:1958:AG2031 (Pierlot/Kreemer) waarin de Hoge Raad oordeelde dat van een vrucht sprake is als de uitkering niet ten laste gaat van het gebonden vennootschapsvermogen.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 73-74 (MvT).
Vgl. Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 73 (MvT) waar de minister over deze ontvangers opmerkt: ‘(…) dat de nauwe betrokkenheid van de aandeelhouders bij de besluitvorming in een bv rechtvaardigt dat de wet regels stelt om te voorkomen dat zij zouden profiteren van de uitkeringen terwijl de bestuurders worden gestraft met aansprakelijkheid.’
Vgl. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0401 (Nimox/Van den End); (tussentijdse uitkering) HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5658 (Montedisson). Zie over aansprakelijkheid van de aandeelhouder uit hoofde van onrechtmatige daad bij uitkeringen Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/201.
Zie over financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders uitgebreid Barneveld 2014.
181. Onder omstandigheden zijn aandeelhouders en bepaalde anderen gehouden tot de terugbetaling van uitkeringen. Voor de nv bepaalt artikel 2:105 lid 8 BW dat een uitkering in strijd met lid 2 of 4 moet worden terugbetaald door de aandeelhouder of andere winstgerechtigde die wist of behoorde te weten dat de uitkering ongeoorloofd was. Voor de bv bepaalt artikel 2:216 lid 3 BW dat degene die een winst- of reserve-uitkering ontving terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, gehouden is tot vergoeding van het tekort dat door de uitkering is ontstaan. Wanneer een pandhouder de uitkeringsvordering heeft geïnd, rijst de vraag of hij in dit kader gehouden is tot vergoeding. Hij ontving de uitkering immers.
In de literatuur wordt bij de opsomming van personen die tot terugbetaling kunnen worden gehouden naast de aandeelhouders genoemd: houders van statutaire winstbewijzen, vruchtgebruikers en inningsbevoegde pandhouders.1 Echter, de pandhouder hoort mijns inziens niet in dit rijtje thuis. De houders van een winstbewijs en vruchtgebruikers zijn gerechtigden tot bepaalde uitkeringen. Pandhouders zijn dat niet.2 Dat dit onderscheid relevant is, volgt uit de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling. Daaruit blijkt dat de wetgever het oog had op gerechtigden.3 Voor zulke uitkeringen bij een nv blijkt dit duidelijk uit bewoording van de regeling zelf ‘aandeelhouder of andere winstgerechtigde’ (art. 2:105 lid 8 BW).
Het onderscheid tussen inningsbevoegdheid en gerechtigdheid is relevant voor de rechtvaardiging van de terugbetalingsverplichting. Dat komt omdat wanneer een pandhouder een aan hem verpande geldvordering int, hij daardoor rijker noch armer wordt. Ik licht dat toe. Een pandhouder mag het geïnde niet ‘gewoon’ houden (vgl. art. 3:235 BW). De pandhouder is in beginsel verplicht om dat wat hij ontvangen heeft af te staan aan de gerechtigde, de pandgever. Echter, voor zover de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd opeisbaar is, mag zich uit het geïnde voldoen (art. 3:255 lid 1 BW). Door deze voldoening gaat zowel een schuld aan de pandgever teniet, als (een gedeelte van) de vordering die met pandrecht is gesecureerd. En zou er na de volledige voldoening van de pandhouder nog geld over zijn, dan moet de pandhouder dit afdragen (art. 3:253 lid 1 BW). Ook het eventuele surplus van inning mag hij dus niet houden. Uit dit alles blijkt dat door inning van de vordering op de vennootschap het vermogen van een pandhouder niet toeneemt, hij kan door inning slechts bewerkstelligen dat zijn vordering wordt voldaan. Dat er op grond van artikel 2:216 lid 3 BW een vordering op de pandhouder zou kunnen ontstaan, is daarom mijns inziens niet gerechtvaardigd. Er is bij een (onterechte) uitkering geen sprake van profijt aan de zijde van de pandhouder, terwijl juist dat de ratio lijkt te zijn achter de vordering van de vennootschap op de ontvanger.4
Hoewel de pandhouder het geld ontvangt in de feitelijke zin van het woord, was het de pandgever die erdoor gebaat raakte. Wanneer de pandhouder zijn vordering ermee voldoet, raakte hij gebaat door de vermindering van zijn schuld, en buiten dat geval raakte hij gebaat door het ontstaan (en de inning) van de vordering op de pandhouder tot betaling van het geïnde. Ik meen daarom dat als komt vast te staan dat een uitkering moet worden terugbetaald op grond van artikel 2:216 lid 3 BW, de pandgever het geïnde moet terugbetalen aan de bv – net zoals dat het geval is bij de nv op grond van artikel 2:105 lid 8 BW.
Het voorgaande sluit niet uit dat een pandhouder op andere gronden aansprakelijk is. Zo kan hij als feitelijk (mede)beleidsbepaler medeaansprakelijk zijn voor het tekort van de vennootschap dat door de uitkering(en) is ontstaan (art. 2:138/248 lid 7 BW), of kan bij een uitkering sprake zijn van onrechtmatige benadeling van schuldeisers (art. 6:162 BW).5 Dat laatste zou mijns inziens het geval kunnen zijn indien de pandhouder ten tijde van het stemmen voor het besluit ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vennootschap als gevolg van dat besluit niet meer aan haar verplichtingen tegenover haar crediteuren kan voldoen en vervolgens geen verhaal zal bieden voor de schade die de crediteuren daardoor zouden lijden. Verder kan in bijzondere gevallen de betaling van de uitkering door de vennootschap paulianeus zijn (art. 42 e.v Fw).6