Strikt genomen ging het net als in het Vnuk-arrest om de uitleg van art. 3, lid 1, Richtlijn 72/166/EEG (de eerste WAM-richtlijn). Dit artikellid stemt overeen met art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn. Krachtens art. 29 van laatstgenoemde richtlijn is Richtlijn 72/166/EEG ingetrokken.
HR, 08-06-2018, nr. 17/01275
ECLI:NL:HR:2018:877
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-06-2018
- Zaaknummer
17/01275
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verkeersrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:877, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 08‑06‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:86
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:184
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2016:5402
ECLI:NL:PHR:2018:184, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑02‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:877
ECLI:NL:PHR:2018:86, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑01‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:877
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑02‑2017
- Vindplaatsen
JA 2018/118
NTHR 2018, afl. 5, p. 267
PS-Updates.nl 2018-0486
JA 2018/118
Uitspraak 08‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht. WAM. Reikwijdte verplichte verzekeringsdekking art. 3 lid 1 WAM. Art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn (2009/103/EG). Ongeval door vorkheftruck in loods. Deelneming aan verkeer? HvJEU van 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk); HvJEU 28 november 2017, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade); HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:1007 (Torreiro).
Partij(en)
8 juni 2018
Eerste Kamer
17/01275
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.handelend onder de naam Interpolis,gevestigd te Apeldoorn,
EISERES tot cassatie,
advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel enmr. N.T. Dempsey,
t e g e n
1. [verweerster 1],gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [verweerder 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerster 3] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaten: aanvankelijk mr. C.J-A. Seinen en mr. D. Rijpma, thans mr. D. Rijpma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Achmea en [verweerder ] .
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 252003/13-1017 van de kantonrechter te Middelburg van 18 december 2013;
b. het arrest in de zaak 200.148.907/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 december 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Achmea beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder ] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU.
De advocaat van Achmea heeft bij brief van 9 februari 2018 op de conclusie gereageerd.
De Advocaat-Generaal heeft op 23 februari 2018 een aanvullende conclusie genomen die strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof en tot verwijzing.
De advocaat van [verweerder ] heeft bij brief van 9 maart 2018 op de aanvullende conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- -
i) [verweerder ] heeft in 2012 in Frankrijk werkzaamheden verricht voor het bedrijf TOP Oignons S.r.l. (hierna: TOP). Tot de werkzaamheden behoorde het verplaatsen van betonnen elementen met een vorkheftruck in een loods van TOP (hierna: de loods). De vorkheftruck was door TOP gehuurd van Techno West Services B.V. (hierna: TWS). In de tussen TOP en TWS gesloten huurovereenkomst was bepaald dat TWS zorg draagt voor een verzekering tegen het WAM-risico.
- -
ii) TWS had ter uitvoering van de huurovereenkomst een Bedrijven Compact Polis (BCP) afgesloten bij Achmea. De BCP dekte wat het risico “Verkeer” betreft als verzekerde zaken “werktuig zelfrijdend”. Blijkens “Hoofdstuk 4: Verkeer” van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden vielen onder de dekking onder meer de aansprakelijkheid ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen (hierna: WAM).
- -
iii) Op 13 juni 2012 heeft in de loods bij een manoeuvre in het kader van de hiervoor onder (i) vermelde werkzaamheden een bedrijfsongeval plaatsgevonden.
- -
iv) Ten tijde van dit ongeval werd de vorkheftruck gebruikt bij het plaatsen van prefab betonnen elementen ten behoeve van de bouw van een uiendroogwand. De betonnen elementen waren zes meter lang, 1,20 meter breed en twintig cm dik en wogen elk drie ton. De voorraad betonnen elementen stond op de vloer van de loods. Er werd telkens één element met de heftruck van de voorraad gehaald en vervolgens vervoerd naar de plaats waar de elementen op elkaar gestapeld moesten worden. Ten tijde van het ongeval diende de bovenste rij elementen kort onder het dak van de loods geplaatst te worden, waardoor een voordien toegepaste werkwijze voor het plaatsen van de betonnen elementen niet mogelijk was. In verband daarmee is op de vorkheftruck een kist geplaatst, waaraan het betonnen element met lijmklemmen kon worden vastgemaakt en zo kon worden vervoerd. Hierdoor werd het zicht van de chauffeur van de vorkheftruck op de lepels van de vorkheftruck beperkt.
- -
v) Bij het naar voren rijden is de vorkheftruck met de lepels ervan in aanraking gekomen met een op de werkvloer staand niet gezekerd betonnen element. Het betonnen element is omgevallen en terecht gekomen op de benen van een door [verweerder ] ingeschakelde persoon (hierna: het slachtoffer).
- -
vi) Het slachtoffer heeft ten gevolge van dit ongeval blijvend letsel opgelopen. Zijn beide onderbenen zijn geamputeerd.
- -
vii) Het slachtoffer heeft in verband met dit ongeval [verweerder ] gedagvaard teneinde schadevergoeding te verkrijgen (hierna ook: de hoofdprocedure). Bij vonnis van 24 juli 2013 heeft de kantonrechter te Middelburg voor recht verklaard dat [verweerder ] aansprakelijk is voor de door het slachtoffer ten gevolge van het arbeidsongeval geleden en nog te lijden schade. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
- -
viii) In de hoofdprocedure heeft [verweerder ] toestemming verkregen om Achmea en Nationale Nederlanden in vrijwaring op te roepen. In de vrijwaringsprocedure tegen Nationale Nederlanden is Nationale Nederlanden – op grond van een bij haar afgesloten AVB-verzekering – veroordeeld om aan [verweerder ] te betalen datgene waartoe [verweerder ] in de hoofdprocedure jegens het slachtoffer mocht worden veroordeeld.
3.2.1
Voor zover in cassatie van belang, vordert [verweerder ] in de onderhavige vrijwaringszaak Achmea te veroordelen om aan [verweerder ] te betalen datgene waartoe zij als gedaagde in de hoofdzaak jegens het slachtoffer zal worden veroordeeld. De kantonrechter heeft de vordering van [verweerder ] afgewezen. De kantonrechter heeft onder meer geoordeeld dat de wijze waarop en de locatie waar de vorkheftruck werd gebruikt op 13 juni 2012 niet is te beschouwen als een gedraging die typisch is voor deelname aan het verkeer en dat dus geen sprake is van WAM-schade. (rov. 16 en 17)
3.2.2
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van [verweerder ] toegewezen.Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.De verzekering bij Achmea geeft op grond van art. 3 lid 1 WAM dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe ‘een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven’. Tussen partijen staat vast dat de verzekeringsplicht ingevolge de WAM ook geldt voor een vorkheftruck als de onderhavige en dat onder de WAM vallende gebeurtenissen in Frankrijk ook zijn gedekt door deze verzekering. Onder het begrip ‘terrein’ in de zin van art. 1 lid 1 WAM valt tevens het terrein in de loods waar de werkzaamheden door de vorkheftruck werden uitgevoerd. Beoordeeld moet worden of de manoeuvre met de vorkheftruck, waardoor het ongeval plaatsvond, valt onder het begrip ‘in het verkeer’. (rov. 3.4.1)
Het hof is van oordeel dat uit de toedracht volgt dat sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig. Het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ omvat immers mede ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’ (HvJEU van 4 september 2014, C-162/13, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk)). (rov. 3.4.3)
De vordering van [verweerder ] dient te worden toegewezen, nu zij als schadelijdende partij op grond van art. 6 WAM het recht heeft direct een aanspraak bij Achmea als WAM-verzekeraar in te dienen (rov. 3.5).
3.3
Het middel keert zich tegen de hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van het hof.
Onderdeel 1.1 betoogt onder meer dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking van art. 3 lid 1 WAM. Het hof heeft miskend dat de verplichte verzekering niet schade dekt die is veroorzaakt door een multifunctioneel motorrijtuig die niet de verwezenlijking van een verkeersrisico betreft. Althans heeft het miskend dat de verplichte verzekering niet schade dekt die niet is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, althans die (primair of uitsluitend) is veroorzaakt door gebruik van de werkfunctie van een multifunctioneel motorrijtuig, welk gebruik overeenstemt met de gebruikelijke werkfunctie van dat multifunctioneel motorrijtuig en niet (op relevante wijze) met de motorrijtuigfunctie.
Onderdeel 1.2 voert aan dat, indien het hof zou hebben geoordeeld dat in dit geval de schade is veroorzaakt door het gebruik van de vorkheftruck als motorrijtuig, dit oordeel in het licht van de toedracht van het ongeval onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het ongeval deed zich immers voor toen de vorkheftruck als werktuig werd gebruikt bij het verplaatsen en het liften van betonnen elementen, en het aantikken van het element vond plaats tijdenshet als werktuig manoeuvreren met de vorkheftruck.Het bedrijfsongeval kan zonder nadere motivering niet worden aangemerkt als de verwezenlijking van een verkeersrisico. In dat verband wijst het onderdeel erop dat de onderhavige casus wezenlijk verschilt van die in HvJEU 4 september 2014, C-162/13, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk).
Deelneming aan het verkeer
3.4.1
Bij de behandeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.
Art. 3 lid 1 WAM houdt in, voor zover in de onderhavige zaak van belang, dat de verzekering dekking moet bieden voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven.
Deze bepaling vormt onder meer de implementatie van art. 3, eerste alinea, van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PbEU 2009,L 263/11; hierna: WAM-richtlijn). Art. 3 lid 1 WAM dient daarom in overeenstemming met de richtlijn te worden uitgelegd.
Art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn houdt in, voor zover in de onderhavige zaak van belang, dat iedere lidstaat de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de gehele Europese Unie autonoom en uniform wordt uitgelegd. Zie HvJEU 4 september 2014,C-162/13, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk), punt 41 e.v.; HvJEU 28 november 2017, C-514/16, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade), punt 31, en HvJEU 20 december 2017, C-334/15, ECLI:EU:C:2017:1007 (Torreiro), punt 24.
3.4.2
Een vorkheftruck is, naar niet in geschil is, een motorrijtuig in de zin van art. 1 WAM. Waarover partijen van mening verschillen is of het ongeval de verwezenlijking was van een risico dat is verbonden aan de deelneming aan het verkeer van de vorkheftruck of van een risico dat is verbonden aan het gebruik van de vorkheftruck in overeenstemming met de werkfunctie daarvan.
3.4.3
In het hiervoor in 3.4.1 genoemde arrest in de zaak Vnuk heeft het HvJEU met betrekking tot het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ overwogen:
“59 (…) dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn [thans art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn, HR] aldus moet worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” mede ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan. Zo kan dit begrip zien op het manoeuvre dat een tractor op de binnenplaats van een boerderij uitvoert om met de aanhangwagen waarmee deze tractor is uitgerust, een schuur binnen te rijden, zoals in het hoofdgeding, hetgeen de verwijzende rechter dient te controleren.”
Opmerking verdient dat het HvJEU de deelneming aan het verkeer aanmerkt als de gebruikelijke functie van een voertuig in de zin van de richtlijn. Het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ziet op ieder gebruik van een voertuig dat overeenstemt met die gebruikelijke functie (vgl. ook de hierna in 3.4.4 opgenomen citaten uit de arresten in de zaken Rodrigues de Andrade en Torreiro). Telkens als het voertuig als een vervoermiddel wordt gebruikt, is sprake van deelneming aan het verkeer. Dat staat niet eraan in de weg dat een voertuig in bepaalde omstandigheden niet wordt gebruikt in de gebruikelijke functie maar als werktuig (vgl. het hiervoor in 3.4.1 genoemde arrest in de zaak Vnuk, punt 38).
3.4.4
Dat het HvJEU de deelneming aan het verkeer als de gebruikelijke functie van een voertuig in de zin van de WAM-richtlijn aanmerkt, heeft het herhaald in zijn hiervoor in 3.4.1 genoemde arresten in de zaken Rodrigues de Andrade en Torreiro. In het arrest in de zaak Rodrigues de Andrade heeft het overwogen:
“37 In de tweede plaats moet worden benadrukt dat de motorrijtuigen bedoeld in artikel 1, punt 1, van de Eerste richtlijn onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen.
38 Hieruit volgt dat het begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat.”
In het arrest in de zaak Torreiro is overwogen:
“28 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” niet beperkt blijft tot situaties in het wegverkeer, dat wil zeggen deelneming aan het verkeer op de openbare weg, maar dat onder dit begrip elk gebruik van een voertuig valt dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Vnuk, C‑162/13, EU:C:2014:2146, punt 59, en 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C‑514/16, EU:C:2017:908, punt 34).
29 Daarbij heeft het Hof gepreciseerd dat de motorrijtuigen bedoeld in artikel 1, punt 1, van de eerste richtlijn, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103, onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen, zodat dit begrip ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat (arrest van 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C‑514/16, EU:C:2017:908, punten 37 en 38).”
3.4.5
Of een motorrijtuig wordt gebruikt om daarmee deel te nemen aan het verkeer of om de werktuigfunctie ervan te benutten, hangt af van de omstandigheden van het geval. Zie de hiervoor in 3.4.1 genoemde arresten in de zaken Vnuk, punt 59, en Rodrigues de Andrade, punt 41.
3.5
In het bestreden arrest is het hof ervan uitgegaan dat een motorrijtuig in de zin van de WAM, in het onderhavige geval de vorkheftruck, bestemd is om gewoonlijk als vervoermiddel te worden gebruikt, waarmee het hof kennelijk bedoelt dat de gebruikelijke functie ervan is ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van de WAM-richtlijn.
Het hof heeft vervolgens onderzocht of de vorkheftruck ten tijde van het ongeval als vervoermiddel diende. Op grond van de omstandigheden (i) dat de manoeuvre werd uitgevoerd bij het vervoeren van een betonnen element waarmee elders in de loods een uiendroogwand werd opgebouwd en (ii) dat het ongeluk is ontstaan doordat de chauffeur bij het naar voren rijden van de vorkheftruck met de lepels daarvan in aanraking is gekomen met een op de vloer staand niet gezekerd betonnen element, is het hof tot de slotsom gekomen dat de vorkheftruck tijdens het uitvoeren van de manoeuvre als vervoermiddel diende. In dit oordeel ligt besloten dat het gebruik dat van de vorkheftruck werd gemaakt ten tijde van het ongeval niet de werktuigfunctie betrof.
Gezien hetgeen hiervoor in 3.4.1-3.4.5 is overwogen, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder op juistheid worden onderzocht. Het is voorts genoegzaam gemotiveerd en is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Hierop stuiten de in de onderdelen 1.1 en 1.2 aangevoerde klachten af.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder ] begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 8 juni 2018.
Conclusie 23‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht. WAM. Reikwijdte verplichte verzekeringsdekking art. 3 lid 1 WAM. Art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn (2009/103/EG). Ongeval door vorkheftruck in loods. Deelneming aan verkeer? HvJEU van 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk); HvJEU 28 november 2017, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade); HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:1007 (Torreiro).
Partij(en)
Zaaknr: 17/01275
mr. P. Vlas
Zitting: 23 februari 2018
Aanvullende conclusie inzake:
Achmea Schadeverzekeringen N.V. h.o.d.n. Interpolis,
(hierna: Achmea)
tegen
1. [verweerster 1],
2. [verweerder 2],
3. [verweerster 3],
(hierna gezamenlijk: [verweerder])
1. Inleiding
1.1
Op 26 januari 2018 heb ik in deze zaak conclusie genomen, waarin ik heb geadviseerd tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU over de uitleg van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ als bedoeld in art. 3, eerste alinea, van Richtlijn 2009/103/EG (hierna: de WAM-richtlijn). Na het nemen van mijn conclusie is mij gebleken dat het HvJEU op 28 november 2017 een prejudiciële beslissing over de uitleg van art. 3 WAM-richtlijn heeft gewezen op grond waarvan het stellen van de door mij voorgestelde vraag overbodig is geworden (zaak C-514/16, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade), PbEU nr. C 32 van 29 januari 2018). Door deze prejudiciële beslissing is voor de onderhavige procedure in cassatie thans sprake van een ‘acte éclairé. Naar aanleiding van deze ontwikkeling heb ik op 5 februari 2018 verzocht een aanvullende conclusie te mogen nemen, welk verzoek door de Hoge Raad is ingewilligd.
1.2
Voor de feiten en het procesverloop van de onderhavige zaak, alsmede voor het juridisch kader verwijs ik naar mijn eerdere conclusie.
2. Aanvullende bespreking van het cassatiemiddel
2.1
In onderdeel 1.1 betoogt het middel dat het hof in rov.3.4.3 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking op grond van art. 3 lid 1 WAM.
2.2
Het hof heeft in rov. 3.4.3 geoordeeld dat sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig. Het hof heeft dit oordeel onderbouwd door te verwijzen naar het Vnuk-arrest van het HvJEU, waarin het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ aldus wordt uitgelegd dat het mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’. Hierbij heeft het hof overwogen dat dit oordeel geldt zowel in het geval de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval als in het geval de vorkheftruck niet aan het rijden was. Zoals ik in 2.14 van mijn eerdere conclusie heb opgemerkt neemt het hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet langer behoeft te worden onderzocht of schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. In mijn eerdere conclusie heb ik opgemerkt dat het hof niet op grond van het Vnuk-arrest tot dit oordeel kon komen en dat gerede twijfel bestaat over de vraag op welke wijze het Vnuk-arrest moet worden uitgelegd.
2.3
Het HvJEU heeft in zijn reeds genoemde arrest van 28 november 2017 (Rodrigues de Andrade) nadere uitleg gegeven aan art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn.1.In deze zaak ging het om het volgende. Op een wijngaard in Portugal werd op een aflopend terrein in terrasvorm bestrijdingsmiddel op de wijnstokken aangebracht. Het bestrijdingsmiddel bevond zich in een reservoir vastgemaakt aan de achterkant van een landbouwtractor. De tractor stond stil op een vlak landweggetje, maar de motor draaide om de pomp aan te drijven voor het sproeien van het bestrijdingsmiddel. Door een combinatie van verschillende factoren (te weten (i) het gewicht van de tractor, (ii) de trillingen die de motor en de sproeier teweegbrachten en (iii) zware regenval) ontstond een aardverschuiving waardoor de tractor werd meegesleept, over de terrassen viel en één van de werknemers die op een lager gelegen wijngaard werkzaam was, dodelijk raakte. De weduwnaar van de betrokken werkneemster heeft onder meer tegen de verzekeringsmaatschappij, waarbij de eigenaar van de tractor een verzekering had afgesloten, een geding aangespannen ter verkrijging van schadevergoeding. In eerste aanleg heeft de Portugese rechter de vordering ten aanzien van de verzekeringsmaatschappij afgewezen op de grond dat de tractor in deze zaak niet betrokken was bij een verkeersongeval dat viel onder de dekking van de verplichte WAM-aansprakelijkheidsverzekering, aangezien het ongeval zich niet had voorgedaan in het kader van het gebruik van de betrokken tractor als verkeersmiddel. In hoger beroep heeft de Portugese rechter aan het HvJEU een prejudiciële vraag gesteld over de uitleg van art. 3, eerste alinea, Eerste richtlijn. Het HvJEU heeft in punt 25 van zijn arrest overwogen dat de verwijzende rechter:
‘in wezen (wenst) te vernemen of artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling bedoelde begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ een situatie valt waarin een tractor die op een landweg op een landgoed stilstond terwijl de motor draaide om een aan deze tractor bevestigde pomp van een bestrijdingsmiddelensproeier aan te drijven, werd meegesleurd bij een grondverschuiving die was veroorzaakt door een combinatie van factoren – te weten het gewicht van de tractor, de trillingen die door de motor van de tractor ontstonden, alsmede zware regenval – met als gevolg dat een persoon die op dat landgoed werkzaam was, is overleden’.
2.4
Het HvJEU heeft in zijn beslissing herhaald dat een landbouwtractor valt onder het begrip ‘voertuig’ als bedoeld in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn, omdat het gaat om een ‘rij- of voertuig [dat] bestemd [is] om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en [dat] door een mechanische kracht [kan] worden gedreven’ (punt 28) en dat, zoals reeds in het Vnuk-arrest is beslist, deze definitie losstaat van het gebruik dat wordt gemaakt of kan worden gemaakt van het betrokken voertuig (punt 29). Ook herhaalt het Hof onder verwijzing naar het Vnuk-arrest dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ een autonoom begrip van Unierecht vormt en dat gestreefd wordt naar bescherming van slachtoffers (punten 31-33). Onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ valt elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig (punt 34). De draagwijdte van dit begrip hangt niet af van het soort terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt (punt 35-36). Het Hof benadrukt dat de motorrijtuigen bedoeld in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen (punt 37), zodat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat (punt 38). Volgens het Hof sluit de omstandigheid dat een voertuig stilstond toen hiermee een ongeval plaatsvond, niet uit dat het gebruik van dat voertuig op dat moment kan vallen onder de functie ervan als vervoermiddel en is daarbij de vraag of de motor op het moment van het ongeval al of niet draaide overigens niet doorslaggevend (punt 39). Het Hof overweegt vervolgens:
‘40. Vervolgens moet met betrekking tot voertuigen die, (…), bestemd zijn om niet alleen gewoonlijk als vervoermiddel te worden gebruikt, maar in bepaalde omstandigheden ook als machine, worden bepaald of een dergelijk voertuig op het moment waarop het bij een ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt, in welk geval het onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn kan vallen, of als machine, in welk geval het gebruik niet onder datzelfde begrip valt.
41. In het onderhavige geval volgt uit de door verwijzende rechterlijke instantie verstrekte gegevens dat de betrokken tractor toen daarmee een ongeval plaatsvond, in gebruik was als generator die de motorkracht voor een op de tractor aangebrachte pomp opwekte en dat daarmee een bestrijdingsmiddelensproeier in werking werd gesteld waarmee dit bestrijdingsmiddel op de wijnstokken van een landgoed werd aangebracht. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, houdt een dergelijk gebruik dan ook voornamelijk verband met de functie van de tractor als machine en niet als vervoermiddel en valt het bijgevolg niet onder het begrip “deelneming aan het verkeer” in de zin van art. 3, lid 1, van de Eerste richtlijn.
42. Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling bedoelde begrip “deelneming aan het verkeer van voertuigen” niet valt een situatie waarin een ongeval met een landbouwtractor plaatsvindt terwijl de voornaamste functie van die tractor er op het moment van het ongeval niet in bestond om als vervoermiddel te dienen, maar om als machine de motorkracht op te wekken die nodig was om de pomp van een bestrijdingsmiddelensproeier aan te drijven’.
2.6
Uit deze prejudiciële beslissing van het HvJEU volgt dat het hof in het thans in cassatie bestreden arrest ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet behoeft te worden onderzocht of de schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Zoals volgt uit het arrest Rodrigues de Antrade is het immers met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig, zoals een vorkheftruck in de onderhavige zaak, van belang te onderzoeken of een dergelijk voertuig op het moment waarop het bij een ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt of als machine. Alleen in het eerste geval valt het gebruik van het voertuig onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van art. 3 lid 1 WAM en valt daarmee het ongeval waarbij het voertuig betrokken was onder de dekking van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering.2.
2.7
Gelet op het voorafgaande geeft het oordeel van het hof in rov. 3.4.3 dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’ en dat hierbij niet relevant is of de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1.1 slaagt derhalve. Na vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing dient alsnog te worden vastgesteld of de vorkheftruck op het moment waarop deze bij het ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt of als machine.
2.10
Onderdeel 1.2 behoeft geen behandeling. Ik verwijs naar nr. 2.19 van mijn eerdere conclusie.
2.11
Onderdeel 2 bevat een klacht over een ontoelaatbare verrassingsbeslissing (zie onder 2.21 van mijn eerdere conclusie). Gelet op het slagen van onderdeel 1.1 behoeft onderdeel 2 geen behandeling. Bij deze stand van zaken behoeft de veegklacht van onderdeel 3 evenmin bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑02‑2018
Zie in dit verband ook punten 32 en 33 van de prejudiciële beslissing van het HvJEU van 20 december 2017, zaak C-334/16, ECLI:EU:C:2017:1007 (Núñez Torreiro). In deze zaak kwam de vraag aan de orde of een ongeval met een militair terreinvoertuig op een militair oefenterrein viel onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van art. 3 WAM-richtlijn.
Conclusie 26‑01‑2018
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht. WAM. Reikwijdte verplichte verzekeringsdekking art. 3 lid 1 WAM. Art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn (2009/103/EG). Ongeval door vorkheftruck in loods. Deelneming aan verkeer? HvJEU van 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk); HvJEU 28 november 2017, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade); HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:1007 (Torreiro).
Partij(en)
Zaaknr: 17/01275
Mr. P. Vlas
Zitting: 26 januari 2018
Conclusie inzake:
Achmea Schadeverzekeringen N.V. h.o.d.n. Interpolis,
(hierna: Achmea)
tegen
1. [verweerster 1] ,
2. [verweerder 2] ,
3. [verweerster 3] ,
(hierna gezamenlijk: [verweerder] )
Deze zaak heeft betrekking op de uitleg en de reikwijdte van art. 3 lid 1 WAM in het kader van een ongeval met een vorkheftruck. In cassatie rijst de vraag of op grond van rechtspraak van het HvJEU ieder schadeveroorzakend gebruik van een multifunctioneel motorrijtuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dat rijtuig, en dus ook louter met de werktuigfunctie ervan, onder de dekking valt van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.[verweerder] heeft in 2012 in Frankrijk werkzaamheden verricht voor het bedrijf TOP Oignons S.r.l. (hierna: TOP). Tot de werkzaamheden behoorde het verplaatsen van betonnen elementen met een vorkheftruck in een loods van TOP. De heftruck was door TOP gehuurd van Techno West Services BV (hierna: TWS). In de tussen TOP en TWS gesloten huurovereenkomst was bepaald dat TWS een verzekering voor het WAM-risico van de vorkheftruck zou regelen.
1.2
Op 13 juni 2012 heeft in de loods van TOP in Frankrijk een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Bij een manoeuvre in het kader van de werkzaamheden heeft de vorkheftruck een betonnen element geraakt, waardoor dit element is omgevallen en terecht is gekomen op de benen van het slachtoffer, een door [verweerster 1] ingehuurde ZZP-er, die ten gevolge van dit ongeluk blijvend letsel heeft opgelopen; zijn beide onderbenen zijn geamputeerd. Chauffeur van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval was een 17-jarige persoon, die sedert 15 augustus 2011 bij [verweerder] in dienst was als leerling-timmerman.
1.3
De vorkheftruck werd ten tijde van het ongeval gebruikt bij het plaatsen van prefab betonnen elementen ten behoeve van de bouw van een uiendroogwand. Deze betonnen elementen waren 6 meter lang, 1.20 meter breed en 20 cm dik. De betonnen elementen wogen elk 3 ton. De voorraad betonnen elementen stond op de vloer van de loods. Er werd telkens één element met de heftruck van de voorraad gehaald en vervolgens vervoerd naar de plaats waar de elementen boven op elkaar gestapeld moesten worden. Ten tijde van het ongeluk diende de bovenste rij elementen geplaatst te worden kort onder het dak van de loods, waardoor een voordien toegepaste werkwijze voor het plaatsen van de betonnen elementen niet mogelijk was. In verband daarmee is op de vorkheftruck een kist geplaatst, waaraan het betonnen element met lijmklemmen kon worden vastgemaakt en zo kon worden vervoerd. Door deze werkwijze werd echter het zicht van de chauffeur van de vorkheftruck op de lepels van de heftruck beperkt. Het ongeluk is ontstaan doordat de bestuurder van de vorkheftruck bij het naar voren rijden van de heftruck met de lepels daarvan in aanraking is gekomen met een (op de werkvloer staand) niet gezekerd betonnen element. Het betonnen element is vervolgens omgevallen en terecht gekomen op het slachtoffer.
1.4
TWS had ter uitvoering van de huurovereenkomst een Bedrijven Compact Polis (BCP) afgesloten bij Achmea. De BCP dekte het risico “Verkeer werktuig zelfrijdend”. Blijkens “Hoofdstuk 4: Verkeer” van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden vielen daaronder de aansprakelijkheid ingevolge de WAM en voorts de wettelijke aansprakelijkheid voor werkmaterieel. Deze laatste verzekering was in “Paragraaf 0 Algemeen deel Verkeer” van de verzekeringsvoorwaarden beperkt tot gebeurtenissen die plaatsvinden binnen Nederland, België, Luxemburg en Duitsland.
1.5
[verweerster 1] had ten tijde van het ongeval een AVB-verzekering afgesloten bij Nationale Nederlanden.
1.6
Het slachtoffer heeft in verband met dit ongeval [verweerder] gedagvaard teneinde schadevergoeding te verkrijgen. Bij vonnis van 24 juli 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant voor recht verklaard dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door het slachtoffer ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade (hierna ook: de hoofdprocedure). [verweerder] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, maar de zaak is daarna geroyeerd.
1.7
In de hoofdprocedure heeft [verweerder] toestemming verkregen om Achmea en Nationale Nederlanden in vrijwaring te dagvaarden. Dit laatste heeft geleid tot een vonnis van 18 december 2013, waarbij Nationale Nederlanden is veroordeeld om aan [verweerder] te betalen datgene waartoe [verweerder] in de hoofdzaak jegens het slachtoffer mocht worden veroordeeld. Nationale Nederlanden heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar de zaak is daarna geroyeerd.
1.8
De zaak die thans in cassatie aan de orde komt is de vrijwaringszaak van [verweerder] tegen Achmea. De rechtbank Zeeland-West Brabant heeft bij vonnis van 18 december 2013 de vordering van [verweerder] afgewezen. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de wijze waarop de vorkheftruck op de locatie werd gebruikt, niet is te beschouwen als een gedraging die typisch is voor deelname aan het verkeer en dat dus geen sprake is van WAM-schade (rov. 16 en 17).
1.9
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het hof ’s-Hertogenbosch.
1.10
Bij arrest van 6 december 2016 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van [verweerder] toegewezen. Hiertoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen. De verzekering bij Achmea geeft op grond van art. 3 lid 1 WAM dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe ‘een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven’. Tussen partijen staat vast dat de verzekeringsplicht ingevolge de WAM ook geldt voor een vorkheftruck als de onderhavige en dat de onder de WAM vallende gebeurtenissen in Frankrijk ook door de verzekering zijn gedekt. Onder het begrip ‘terrein’ in de zin van art. 1 lid 1 WAM valt tevens het terrein in de loods waar de werkzaamheden door de vorkheftruck werden uitgevoerd. Beoordeeld moet worden of de manoeuvre met de vorkheftruck, waardoor het ongeval plaatsvond, valt onder het begrip ‘in het verkeer’ (rov. 3.4.1). Op basis van de feiten in de hoofdprocedure is het hof van oordeel dat sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig. Het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ omvat immers mede ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’, waarbij het hof heeft verwezen naar de beslissing van het HvJEU 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk). Het hof heeft overwogen dat dit oordeel voor alle duidelijkheid zowel geldt in het geval dat de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval als in het geval dat de vorkheftruck niet aan het rijden was (rov. 3.4.3). Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [verweerder] dient te worden toegewezen, nu zij als schadelijdende partij op grond van art. 6 WAM een directe aanspraak bij Achmea als WAM-verzekeraar kan indienen (rov. 3.5).
1.11
Achmea heeft tegen het arrest van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna Achmea heeft afgezien van repliek en [verweerder] heeft gedupliceerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel is gericht tegen rov. 3.4.3 (door het middel onder 1.1 abusievelijk aangeduid als rov. 3.4.5) van het bestreden arrest. Na een inleiding waarin geen klachten zijn opgenomen, bestaat het middel uit twee onderdelen en een veegklacht.
2.2
Onderdeel 1.1 betoogt dat het hof in rov. 3.4.3 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking op grond van art. 3 lid 1 WAM. Volgens het onderdeel strekt de verplichte verzekeringsdekking niet zó ver dat daaronder ook schade valt die is veroorzaakt door een multifunctioneel motorrijtuig die niet de verwezenlijking van een verkeersrisico betreft, althans niet is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, althans is veroorzaakt door gebruik van de werkfunctie van een multifunctioneel motorrijtuig welk gebruik overeenstemt met de gebruikelijke werkfunctie van dat motorrijtuig. Het onderdeel betoogt dat in ieder geval onjuist is het – kennelijke – uitgangspunt van het hof dat voor het antwoord op de vraag of een schade valt onder de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking van art. 3 lid 1 WAM, reeds voldoende is dat het schadeveroorzakend gebruik overeenstemt met de gebruikelijke functie van een multifunctioneel motorrijtuig, ongeacht of dat gebruik primair of uitsluitend overeenstemt met de gebruikelijke werkfunctie van dat multifunctioneel motorrijtuig en niet (op relevante wijze) met de motorrijtuigfunctie.
2.3
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. De Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM)2.heeft oorspronkelijk haar bestaan te danken aan twee Benelux-verdragen die nimmer in werking zijn getreden.3.Nadien is de WAM gewijzigd naar aanleiding van de in 1966 tot stand gekomen Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, met bijbehorende ‘Gemeenschappelijke Bepalingen’, welk verdrag op 1 juni 1976 in werking is getreden.4.In toenemende mate wordt de inhoud van de WAM echter beheerst door Europese regelgeving, oorspronkelijk neergelegd in vijf Europese richtlijnen die strekken tot aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen. In 2009 is de tekst van de eerste vijf richtlijnen, inclusief de daarin aangebrachte wijzigingen, ingetrokken en vervangen door de Europese WAM-richtlijn (Richtlijn 2009/103/EG).5.Bij de uitleg van de diverse bepalingen van de WAM moet derhalve mede acht worden geslagen op de bepalingen van de WAM-richtlijn en op de Gemeenschappelijke Bepalingen behorend bij de Benelux-overeenkomst, alsmede op de uitleg die daaraan wordt gegeven door het HvJEU resp. het Benelux Gerechtshof (hierna: BenGH).6.
2.4
In de onderhavige zaak gaat het om de uitleg van art. 3 lid 1 WAM, welke bepaling thans, voor zover van belang, als volgt luidt:
Art. 3 lid 1 WAM:
‘De verzekering moet (…) dekken de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven (…).’
2.5
In de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-overeenkomst van 1966 is in art. 3, § 3, het volgende bepaald:
Art. 3 § 3 Gemeenschappelijke bepalingen:
‘3. De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door het motorrijtuig veroorzaakte schade dekken zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.’
2.6
In art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn is het volgende opgenomen:
‘Iedere lidstaat treft (…) de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.’
2.7
Bij de Wet van 30 november 1983 is de aansprakelijkheidsdekking onder de WAM beperkt tot het verkeersrisico.7.In de parlementaire geschiedenis is hierover het volgende opgemerkt:
‘Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt een vraag op te lossen, die (…) in de praktijk is gerezen, namelijk of de verzekering alleen dekking moet geven voor aansprakelijkheid voor verkeersongevallen, of dat zij ook aansprakelijkheid moet dekken die ontstaat door het aanrichten van schade buiten het verkeer, bij voorbeeld door het gebruik van bepaalde soorten motorrijtuigen als graaf- of hijswerktuig. De strekking van de wet is ongetwijfeld beperkt (…), maar de omschrijving (…) van het risico dat moet worden gedekt, is ruim. Aangezien de wet beoogt een bijzondere bescherming van verkeersslachtoffers te verschaffen, is het gewenst om deze beperkte strekking in de wet te laten uitkomen. De voorgestelde tekst maakt nu duidelijk dat de verplichting tot verzekering slechts bestaat met betrekking tot de aansprakelijkheid voor verkeersongevallen door invoeging van de woorden “in het verkeer”. (…) De term “in het verkeer” moet niet zó beperkt worden opgevat, dat daaronder alleen wordt begrepen schade, die door het verzekerd motorrijtuig wordt toegebracht, wanneer het zelf in beweging is: daaronder valt bij voorbeeld ook de schade die ontstaat doordat het – stilstaande – verzekerde motorrijtuig verkeerd staat geparkeerd. Evenzeer valt daaronder verkeersschade die bij voorbeeld wordt toegebracht door over de weg rijdende graaf- en hijswerktuigen, echter niet de schade die door deze werktuigen bij de uitvoering van werkzaamheden wordt veroorzaakt, zoals kabelschade’.8.
Alleen aansprakelijkheid voor in het verkeer door een motorrijtuig veroorzaakte schade behoeft derhalve te worden gedekt. Onder ‘verkeer’ wordt overigens niet alleen verkeer op de openbare weg verstaan, maar ook op een terrein dat voldoet aan de definitie in de zin van art. 1 WAM, namelijk een terrein dat toegankelijk is voor het publiek of voor een zeker aantal personen die het recht hebben daar te komen.9.
2.8
De vraag of sprake is van schade die veroorzaakt is met of door een motorrijtuig bij deelneming aan het verkeer speelt vooral een rol bij motorrijtuigen die niet of niet alleen zijn ingericht voor het verplaatsen van personen en goederen over wegen en terreinen, maar daarnaast uitsluitend of mede kunnen worden gebruikt als werktuig voor het verrichten van andere werkzaamheden dan vervoer. Hierbij kan gedacht worden aan verrijdbare hei-installaties, draglines, vorkheftrucks en bulldozers.10.Bij schadeveroorzaking door een dergelijk multifunctioneel motorrijtuig rijst de vraag of bij het gebruik van een zodanig motorrijtuig als werktuig sprake is van de verwezenlijking van het verkeersrisico.
2.9
Over deze vraag heeft het BenGH zich uitgesproken in zijn arrest van 23 oktober 1984 in antwoord op door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen.11.De zaak betrof schade die was veroorzaakt door een vorkheftruck tijdens hef- en stapelwerkzaamheden van pallets beladen met balen rijst. De pallets moesten binnen een loods worden verplaatst van het magazijn naar een opslagplaats. De vorkheftruck verplaatste zich bij de hef- en stapelwerkzaamheden om een juiste positie in te nemen, waarna balen rijst op de geheven pallet zijn gaan schuiven en aan de andere zijde van een scheidingswand op een slachtoffer zijn gevallen. Het BenGH heeft de door de Hoge Raad gestelde vragen, in de kern, als volgt beantwoord. De WAM dekt alleen de schade die met of door een motorrijtuig bij deelneming aan het verkeer is veroorzaakt. Het gebruik van een motorrijtuig als werktuig (en niet als vervoermiddel) sluit niet uit dat sprake is van deelneming aan het verkeer. Beslissend is of schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Niet karakteristiek voor schadeveroorzaking in het verkeer is de verplaatsing van het motorrijtuig in verband met het uitvoeren van de taak als werktuig, zoals het zich verplaatsen met de wielen teneinde een juiste positie in te nemen. Daarnaast brengt het feit dat een motorrijtuig, voordat het als ‘werktuig’ wordt gebruikt en schade veroorzaakt, zich naar de plaats van het werk heeft bewogen en daarbij aan het verkeer heeft deelgenomen, nog niet mee dat de daarna, bij het gebruik van het motorrijtuig als werktuig, veroorzaakte schade moet worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt.
2.10
In het eindarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door het hof vastgestelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat in het concrete geval de vorkheftruck als werktuig bezig was met de hef- en stapelwerkzaamheden op het moment waarop het ongeval geschiedde en dat niet kan worden gezegd dat de schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. De aansprakelijkheid voor de schade was derhalve niet gedekt door de WAM.12.
2.11
Uit deze rechtspraak volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verkeersfunctie met het daaruit voortvloeiende verkeersrisico en de werkfunctie met het mogelijke werkrisico. De verkeersfunctie ziet op het verplaatsen van personen of goederen over wegen of terreinen en de werkfunctie op het uitsluitend of mede dienen als werktuig voor andere verrichtingen dan het bewerkstelligen van vervoer.13.In dit verband merk ik op dat niet in alle WAM-polissen de gedekte aansprakelijkheid wordt beperkt tot het verkeersrisico, waardoor het gemaakte onderscheid tussen verkeersfunctie en werkfunctie in die gevallen niet relevant is.14.In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, is het hof in rov. 3.4.1 – onbestreden in cassatie – veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden geen uitgebreidere dekking verlenen dan ingevolge de WAM noodzakelijk is.
2.12
Het HvJEU heeft in zijn arrest van 4 september 2014 (Vnuk) uitleg gegeven aan art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn15., in het bijzonder aan het daarin vervatte begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’.16.In deze zaak ging het om het volgende. Tijdens het opstapelen van hooibalen op de zolder van een hooischuur reed een tractor met aanhangwagen, toen die op de binnenplaats van de boerderij achteruitreed om met de aanhangwagen de hooischuur binnen te rijden, tegen een ladder waarop Damijian Vnuk was geklommen. Vnuk is daardoor gevallen en heeft schade geleden. Vnuk heeft tegen de Sloveense verzekeringsmaatschappij, waarbij de eigenaar van de tractor een verzekering had afgesloten, een geding aangespannen tot het verkrijgen van schadevergoeding. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de Sloveense rechter de vordering afgewezen, omdat de verplichte verzekeringspolis wel de schade dekte die is veroorzaakt door het gebruik van een tractor als vervoermiddel, maar niet de schade die is veroorzaakt bij het gebruik van een tractor als werktuig of sleeptuig. Het Sloveense hooggerechtshof heeft vervolgens aan het HvJEU de volgende vraag gesteld:
‘Moet het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de zin van artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn] aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de omstandigheden van de onderhavige zaak, waarin de verzekeringsnemer van verweerster tijdens het opstapelen van hooibalen in een hooischuur met een tractor die was voorzien van een aanhangwagen, is gebotst tegen een ladder waarop verzoeker was geklommen, omdat het ongeval zich niet in een wegverkeerssituatie heeft voorgedaan?’.
2.13
Bij beantwoording van de prejudiciële vraag heeft het HvJEU onder meer het volgende beslist. Allereerst heeft het Hof overwogen dat een tractor met aanhangwagen beantwoordt aan de definitie van voertuig zoals omschreven in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn. Onder ‘voertuigen’ in de zin van die richtlijn dienen te worden verstaan ‘alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers’ (punten 37-38). Daaruit volgt echter niet noodzakelijkerwijs dat een tractor met een aanhangwagen is onderworpen aan de bij art. 3, lid 1, Eerste richtlijn opgelegde verzekeringsplicht. Daarvan is alleen sprake wanneer hij gewoonlijk is gestald op het grondgebied van een lidstaat die dit type voertuig niet van de werkingssfeer van deze bepaling heeft uitgesloten (punten 39-40). Daarnaast is van belang dat de uitleg van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ niet aan de beoordeling van elke lidstaat kan worden overgelaten (punten 41-42). Het Hof overweegt dat in de verschillende taalversies van art. 3, lid 1, Eerste richtlijn verschillen bestaan aangaande de soort situaties waarop de verzekeringsplicht ziet. Zo wordt in sommige taalversies (waaronder de Nederlandse) verwezen naar ‘deelneming aan het verkeer’, waardoor de indruk ontstaat dat de verzekeringsplicht uitsluitend ziet op ongevallen die zich voordoen in het wegverkeer. In andere taalversies verwijst de bepaling naar het ‘gebruik’ van voertuigen zonder nadere verduidelijking, zodat de indruk ontstaat dat de verzekeringsplicht ziet op de wettelijke aansprakelijkheid uit het gebruik of de werking van een voertuig, ongeacht of het gebruik of de werking ervan in het wegverkeer plaatsvindt (punten 43-45). Een uniforme toepassing van bepalingen van Unierecht vereist dat deze worden uitgelegd in het licht van onder meer de in alle talen opgestelde versies. Wanneer verschillen bestaan tussen de taalversies zal bij de uitlegging moeten worden gelet op de algemene opzet en doelstelling van de Unieregeling. De doelstelling van de Unieregeling inzake de verplichte verzekering bestaat uit de bescherming van de slachtoffers van door een motorrijtuig veroorzaakt ongeval en de vrijmaking van het verkeer van personen en goederen met het oog op de door de richtlijnen nagestreefde verwezenlijking van de interne markt (punten 46-55). Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat de Uniewetgever de benadeelden van een ongeval dat door het gebruik van een voertuig is veroorzaakt, heeft willen uitsluiten van de door de Eerste tot en met de Derde richtlijn geboden bescherming, wanneer dat gebruik overeenstemt met de gebruikelijke functie van dat voertuig (punt 56). Bovendien, zo overweegt het Hof, is het onderhavige ongeval veroorzaakt door een voertuig dat achteruitreed om zich op een welbepaalde plaats te positioneren en dus blijkt het ongeval te zijn veroorzaakt door het gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan, hetgeen de verwijzende rechter niettemin dient te controleren (punt 58). Het Hof heeft het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ aldus uitgelegd dat
‘het mede ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan. Zo kan dit begrip zien op het manoeuvre dat een tractor op de binnenplaats van een boerderij uitvoert om met de aanhangwagen waarmee deze tractor is uitgerust, een schuur binnen te rijden, zoals in het hoofdgeding, hetgeen de verwijzende rechter dient te controleren’.17.
2.14
Ik keer terug naar het cassatiemiddel. In rov. 3.4.3 van het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat in de onderhavige zaak sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig. Het hof heeft dit oordeel onderbouwd door te verwijzen naar het arrest-Vnuk van het HvJEU, waarin het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ aldus wordt uitgelegd dat het mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’. Het hof heeft hierbij opgemerkt dat het niet relevant is of de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval. Het hof neemt klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet langer behoeft te worden onderzocht of schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Dit houdt in dat ook voor een multifunctioneel voertuig geldt dat elk gebruik van het voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan, ook als het de werktuigfunctie van het multifunctioneel voertuig betreft, kan worden aangemerkt als ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’. Naar mijn mening kon het hof echter niet op grond van het Vnuk-arrest tot dit oordeel komen en bestaat gerede twijfel over de vraag op welke wijze het Vnuk-arrest moet worden uitgelegd.
2.15
Hoewel het HvJEU heeft overwogen dat de doelstelling van slachtofferbescherming een steeds centraler wordende rol speelt in de Europese richtlijnen, rijst de vraag of het HvJEU door de gegeven invulling van het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ een verruiming van de dekking van de WAM-verzekering heeft beoogd. In de zaak die ten grondslag ligt aan het Vnuk-arrest is immers sprake van schade die is veroorzaakt doordat het voertuig (de tractor) bij het lossen achteruitreed en daarmee is schade ontstaan door het gebruik van een tractor overeenkomstig zijn motorrijtuigfunctie. Het onderscheid tussen de verkeersfunctie en de werkfunctie (met het daaruit voortvloeiende werkrisico) van een multifunctioneel voertuig is hierbij niet aan de orde. Ik wijs in dit verband op hetgeen A-G Mengozzi heeft overwogen in zijn conclusie voorafgaand aan het Vnuk-arrest:
’44. Aangezien het ongeval waarvan Vnuk het slachtoffer is geworden, is veroorzaakt doordat het voertuig achteruitreed, is ten slotte het schadeverwekkende feit in casu wel degelijk het gebruik van het voertuig als zodanig, zonder dat het voor de beslechting van het hoofdgeding nodig is nader te onderzoeken welke impact het gebruik van een voertuig als werktuig zou kunnen hebben op de werkingssfeer van de verzekeringsplicht’.18.
A-G Mengozzi heeft tevens tot terughoudendheid opgeroepen bij het geven van een definitie van het begrip ‘deelneming aan het verkeer’:
‘11. Alvorens tot de kern van de zaak te komen, wil ik opmerken dat deze zaak (…) meer haken en ogen heeft dan het lijkt. Er komt een lacune in het Unierecht aan het licht en het is thans de taak van het Hof om deze lacune weg te nemen in een rechtsgebied dat zeer polymorf is omdat door of met een voertuig veroorzaakte ongevallen vele gedaantes kunnen aannemen. Bijgevolg zou het voor het Hof nuttig zijn om een standpunt in te nemen dat kan bijdragen aan de beslechting van het hoofdgeding, door stil te staan bij de specifieke kenmerken van de onderhavige zaak zonder een definitieve uitlegging te willen geven van het begrip „deelneming aan het verkeer”.
12. De bijzondere terughoudendheid waartoe ik oproep, is enkel ingegeven door het onvermogen om op een zodanig gevarieerd gebied met één enkele definitie te omvatten wat kan worden verstaan onder een ongeval ten gevolge van de deelneming aan het verkeer of het gebruik van een motorrijtuig. (…).’
2.16
Zoals het middel onder 3.6 terecht betoogt, rijst de vraag of het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ zo ruim moet worden uitgelegd dat daaronder ook valt schadeveroorzaking door het gebruik van een multifunctioneel motorrijtuig, welk gebruik primair of uitsluitend in overeenstemming is met de gebruikelijke functie van het motorrijtuig als werktuig. In het Vnuk-arrest was de vraag niet aan de orde of de gebruikelijke functie van de tractor méér inhoudt dan deelname aan het verkeer, maar die vraag kan wel aan de orde zijn indien schade is veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat mede is ingericht om als werktuig te fungeren door het gebruik van dat motorrijtuig als werktuig. Het kan dan voorkomen dat het gebruik van dat voertuig in overeenstemming met de gebruikelijk functie ervan niets van doen heeft met verkeersdeelneming en de verwezenlijking van een verkeersrisico.
2.17
In de literatuur is in dit verband het voorbeeld gegeven van een ongeval met een mobiele kraanwagen in verankerde stand tijdens het verplaatsen van bouwmateriaal. Zo schrijft Wansink:
‘Denk aan een vorkheftruck of een mobiele kraanwagen. Stel dat de laatste in een verankerde stand op de openbare weg naast een bouwplaats ‘kraanwerkzaamheden’ verricht en daarbij door een ongelukkige manoeuvre bij het verplaatsen van bouwmateriaal door de lucht schade aan derden toebrengt, dan is toch alleszins verdedigbaar te stellen dat hier – overeenkomstig de norm van het Hof van Justitie – sprake is van gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie daarvan? Immers het functioneren als kraan (werktuig) is toch een gebruikelijke functie van een mobiele kraanwagen? Betekent dit laatste nu dat de mobiele kraanwagen terwijl het vanaf de openbare weg zijn werkzaamheden verricht, volgens de norm van het Hof van Justitie ten tijde van de schadeveroorzaking ook blijft deelnemen aan het verkeer? En genieten daardoor alle benadeelden, daaronder begrepen personen die op de bouwplaats werkzaam zijn, de WAM-voorrechten, zoals een eigen recht tegen de WAM-verzekeraar? Dit, terwijl dit niet het geval zou zijn indien dezelfde kraanwerkzaamheden vanaf dezelfde plaats zouden worden verricht door een niet-mobiele kraan. Sterker nog, brengt de door het Hof gegeven invulling van het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ niet mee dat het voorgaande ook zou gelden indien de mobiele kraanwagen vanaf een afgesloten bouwterrein dezelfde werkzaamheden verricht en daarbij op de naastgelegen openbare weg personen schade toebrengt?’19.
Wansink besluit zijn bijdrage met de vraag – die ook het middel thans aan de orde stelt – of het HvJEU heeft beoogd bij de uitleg van het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ uit te gaan van een ruimere bescherming van verkeersslachtoffers. Wansink is van mening dat alleen een nadere prejudiciële beslissing die vraag afdoende zal kunnen beantwoorden en ik ben dat met hem eens.20.
2.18
Ik meen dat tussen de zaak die in het Vnuk-arrest aan de orde was en de zaak die thans in cassatie moet worden beslist, een belangrijk verschil bestaat. Zo ontstond de schade in de onderhavige zaak door het gebruik van de vorkheftruck (werktuigfunctie) bij een manoeuvre tijdens het stapelen van de betonnen elementen, terwijl in de Vnuk-zaak de schade ontstond door het achteruitrijden van de tractor met aanhangwagen (voertuigfunctie) in de hooischuur. Dit verschil, gevoegd bij de onzekerheid die in de literatuur bestaat over de strekking van het Vnuk-arrest, brengt naar mijn mening met zich dat van een ‘acte clair’ of van een ‘acte éclairé’ geen sprake is. Ik meen dan ook dat het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU is aangewezen over de reikwijdte van de dekking van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering op grond van art. 3 Europese WAM-richtlijn, waarmee art. 3 lid 1 WAM in lijn dient te zijn.
2.19
Onderdeel 1.2 betoogt dat voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat in dit geval de schade is veroorzaakt door het gebruik van de vorkheftruck als motorrijtuig en niet primair en uitsluitend als werktuig, dat oordeel in het licht van de toedracht van het ongeval onjuist en onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel volgt uit de vastgestelde feiten dat het ongeval zich heeft voorgedaan toen de vorkheftruck als werktuig werd gebruikt.
2.20
Gelet op mijn bespreking van onderdeel 1.1 behoeft de klacht in onderdeel 1.2 geen behandeling.
2.21
Onderdeel 2 bevat de klacht dat het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven door op basis van het Vnuk-arrest van het HvJEU, dat is gewezen nadat het partijdebat op dit punt reeds was afgesloten, tot zijn oordeel te komen zonder partijen eerst in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de betekenis van dat arrest voor de beslissing in de onderhavige zaak. Onderdeel 3 betreft een veegklacht en is gericht tegen de op rov. 3.4.3 voortbouwende onderdelen in rov. 3.5, 3.6 en 3.7 van het bestreden arrest.
2.22
Nu ik in de onderhavige zaak adviseer tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU, kan bij deze stand van zaken de behandeling van de onderdelen 2 en 3 achterwege blijven.
3. Prejudiciële vraag
3.1
De slotsom is dat voor de beoordeling van het cassatieberoep het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU is aangewezen. De vraag aan het Hof zou als volgt kunnen luiden:
Dient het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ als bedoeld in art. 3, eerste alinea, van Richtlijn 2009/103/EG zo ruim te worden uitgelegd dat daaronder ook valt schadeveroorzaking door het gebruik van een multifunctioneel motorrijtuig, welk gebruik primair of uitsluitend in overeenstemming is met de gebruikelijke functie van het motorrijtuig als werktuig?
4. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het HvJEU zal verzoeken uitspraak te doen over de onder 3.1 van deze conclusie genoemde vraag van uitlegging en het geding zal schorsen totdat het HvJEU naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑01‑2018
Zie rov. 3.1, 3.2 en 3.4.2 van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 6 december 2016 en rov. 1 t/m 9 van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 18 december 2013.
Wet van 30 mei 1963 betreffende de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen (Stb. 1963, 228), in werking getreden per 1 juli 1964 (Stb. 1964, 202). Deze wet is sedertdien vele malen op tal van onderdelen gewijzigd, laatstelijk bij wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82.
Verdrag van 7 januari 1955 tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, met bijbehorende gemeenschappelijke bepalingen (Trb. 1955, 16) en de Aanvullende Overeenkomst van 3 juli 1956 (Trb. 1965, 75).
Benelux-overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, met Gemeenschappelijke bepalingen en Protocol van ondertekening (Trb. 1966, 178). De bevoegdheid van het Benelux Gerechtshof om uitleg te geven aan dit verdrag berust op het Aanvullend Protocol van 26 september 1968 (Trb. 1968, 184).
Met ingang van 7 oktober 2009 geldt Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (Pb EU 2009, L 263) (gecodificeerde versie).
Zie reeds HR 12 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2297, NJ 1979/291, m.nt. A.R. Bloembergen; VR 1979/62, m.nt. H.A. Bouman, rov. 10. Hierbij verdient opmerking dat dit onverlet laat dat de nationale wet de benadeelden ruimere waarborgen kan bieden. In de preambule van de Benelux-overeenkomst is opgenomen dat ‘ieder der landen de vrijheid behoudt voor zijn grondgebied bepalingen af te kondigen, die de waarborg ten behoeve van benadeelden vergroten’. Tevens geldt dit voor jurisprudentie die gunstiger is voor de benadeelde blijkens BenGH 20 mei 1983, nr. A82/4, NJ 1985/10, m.nt. F.H.J. Mijnssen; VR 1983/59, m.nt. H.A. Bouman. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de WAM-richtlijn. Zie bijv. F.J. Blees, Schadevergoeding internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.2.4.
Wet houdende wijziging van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, Stb. 1983, 614.
MvT, Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14 281, nr. 3, p. 16-17.
Zie ook H.J.J. de Bosch Kemper & R. Gruben, De WAM in werking. 50 jaar jurisprudentie, 7.1 Verkeer.
Zie ook J.H. Wansink, Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, nr. 320.2.
Zie HR 8 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AJ4948, NJ 1986/457 en BenGH 23 oktober 1984, nr. A83/2, ECLI:NL:XX:1984:AD6462, NJ 1986/458 (Visser/Centraal Beheer).
HR 7 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD6464, NJ 1986/459, m.nt. W.C.L. van der Grinten; VR 1986/115, m.nt. v.W.v.C.
Zie ook J.H. Wansink, Hoe helder is de Europese invulling van het WAM-begrip “deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen”?, AV&S 2015/8, onder 5; H.J.J. de Bosch Kemper & R. Gruben, De WAM in werking. 50 jaar jurisprudentie, 7.1 Verkeer.
Zie Wansink, t.a.p; De Bosch Kemper & Gruben, t.a.p.
Strikt genomen ging het om de uitleg van art. 3, lid 1, Richtlijn 72/1666/EEG (de eerste WAM-richtlijn). Dit artikellid stemt overeen met art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn (2009/103/EG). Krachtens art. 29 van laatstgenoemde richtlijn is Richtlijn 72/166/EEG ingetrokken.
HvJEU 4 september 2014, zaak C-162/13, ECLI:EU:C:2014:2146 (Damijan Vnuk/Zavarovalnica Triglav d.d.).
Zie punt 59 en het dictum van het arrest-Vnuk.
Zie ECLI:C:EU:2014:106.
Zie J.H. Wansink, Hoe helder is de Europese invulling van het WAM-begrip “deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen”?, AV&S 2015/8, onder 5.
Wansink, a.w., onder 6.
Beroepschrift 28‑02‑2017
CASSATIEDAGVAARDING
Op achtentwintig … februari tweeduizendzeventien, op verzoek van
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. h.o.d.n. INTERPOLIS, een naamloze vennootschap gevestigd te Apeldoorn (‘Interpolis’), die woonplaats kiest aan het Gustav Mahlerplein 50 te (1082 MA) Amsterdam, Postbus 75505 (1070 AM) Amsterdam (Houthoff Buruma), ten kantore van de advocaten bij de Hoge Raad mr. B.T.M. van der Wiel en mr. N.T. Dempsey, die door Interpolis zijn aangewezen om als zodanig haar te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure,
heb ik,
[Heb ik, Hendrikus Hermanus Vogels, toegevoegd gerechtsdeurwaarder ten kantore van Robert Pieter van Veenendaal, gerechtsdeurwaarder te Rotterdam en aldaar kantoorhoudende aan de Willemskade 21,]
- 1.
de vennootschap onder firma [verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats], en haar vennoten
- 2.
[verweerder 2], wonende te [woonplaats], en
- 3.
[verweerster 2], wonende te [woonplaats],
die in de vorige instantie laatstelijk woonplaats hebben gekozen te (2593 HT) 's‑Gravenhage aan de Anna van Saksenlaan 30, ten kantore van de advocaat mr. C. Blanken (Ekelmans & Meijer Advocaten),
- 1.
op laatstvermeld adres exploot gedaan op de voet van art. 63 lid 1 Rv, sprekende met en voor ieder van hen (hierna tezamen ‘[verweerders]’) afzonderlijk een afschrift hiervan latende aan:
[mevr. J. Wetters, aldaar werkzaam]
- 2.
aangezegd dat Interpolis cassatieberoep instelt tegen het eindarrest, gewezen op 6 december 2016, van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.148.907/01, tussen Interpolis als geïntimeerde en [verweerders] als appellanten (het ‘arrest’);
- 3.
gedagvaard om op vrijdag 17 maart 2017, om 10.00 uur 's ochtends, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad te verschijnen op de zitting van de Hoge Raad in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag;
- 4.
aangezegd voorts dat indien ten minste één verweerder in het geding is verschenen, tegen de niet verschenen verweerder(s) verstek wordt verleend en tussen Interpolis en de verschenen verweerder(s) wordt voortgeprocedeerd mits ten aanzien van de niet verschenen verweerder(s) de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, waarna tussen alle partijen één arrest zal worden gewezen, dat als een arrest op tegenspraak wordt beschouwd;
- 5.
aangezegd dat van [verweerders] bij verschijning in het geding een in de bijlage bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken1. genoemd griffiegeld zal worden geheven, met dien verstande dat van een persoon die onvermogend is een bij of krachtens de wet vastgesteld griffiegeld voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd (1o) een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in art. 29 van de WRb, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in art. 24 lid 2 WRb, dan wel (2o) een verklaring van het bestuur van de Raad voor de Rechtsbijstand, als bedoeld in art. 7 lid 3 onderdeel e van de Wrb, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens art. 35 lid 2 Wrb;
- 6.
aangezegd dat van verweerders in cassatie die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven;
- 7.
aangezegd voorts dat het griffierecht binnen vier weken nadat [verweerders] in het geding zijn verschenen door hen moet zijn betaald, bij gebreke waarvan hun recht vervalt om verweer in cassatie te voeren of om van hun zijde in cassatie te komen;
- 8.
Interpolis voert tegen het arrest aan als:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden:
INLEIDING2.
A. De aanleiding voor deze procedure is een ernstig ongeval dat op 13 juni 2012 in Frankrijk de door [verweerders] ingehuurde ZZP'er [het slachtoffer] is overkomen. [verweerders] bouwde in opdracht van TOP Oignons S.r.l. (‘TOP’) een uiendroogwand. De werkzaamheden brachten mee dat in een loods van TOP zware betonnen elementen moesten worden verplaatst en boven elkaar gestapeld. Hiervoor werd door [verweerders] gebruik gemaakt van een door TOP van Techno West Services B.V. (‘TWS’) gehuurde vorkheftruck (die door een — minderjarige, ongecertificeerde — werknemer van [verweerders] werd bediend). TWS had voor de vorkheftruck een Bedrijven Compact Polis (‘BCP’) afgesloten bij Interpolis.3. Deze verzekering dekte zowel het WAM-risico als de wettelijke aansprakelijkheid voor werkmateriaal. Die laatste dekking was echter beperkt tot de Benelux en Duitsland. [verweerders] had ten tijde van het ongeval een AVB-verzekering afgesloten bij Nationale Nederlanden (‘NN’). Het ongeval is ontstaan doordat bij het uitvoeren van de werkzaamheden met de vorkheftruck een van de betonnen elementen is aangetikt, dit element is omgevallen en daarbij op [het slachtoffer] beland.4.
B.
Bij vonnis van 24 juli 2013 heeft de Kantonrechter Middelburg (de ‘kantonrechter’) voor recht verklaard dat [verweerders] jegens [het slachtoffer] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade.5.
C.
[verweerders] heeft — na daartoe verkregen verlof — zowel NN als Interpolis in vrijwaring gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd dat zij (althans in ieder geval één van hen) gehouden zijn dekking te verlenen voor de aansprakelijkheid jegens [het slachtoffer].
D.
In de vrijwaringsprocedure tegen Interpolis heeft [verweerders] zich op het standpunt gesteld dat het ongeval dat [het slachtoffer] is overkomen onder de dekking valt van de door TWS bij Interpolis afgesloten BCP. Daartoe heeft [verweerders] een beroep gedaan op 1) de polisvoorwaarden, die een ruimere WAM-dekking zouden inhouden dan uit de wet volgt,6. 2) de maatschappelijke opvattingen,7. 3) het zogenaamde spiegelbeeldleerstuk8. en 4) de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.9. Voorts heeft [verweerders] bij repliek gesteld 5) dat — ook indien op grond van de polisvoorwaarden geen sprake zou zijn van een ruimere WAM-dekking dan uit de wet voortvloeit10. — in dit geval een op grond van de WAM verplicht gedekt verkeersrisico zich heeft verwezenlijkt.11. Interpolis heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
E.
De kantonrechter heeft de vordering van [verweerders] in de vrijwaringsprocedure tegen NN toegewezen.12. De kantonrechter heeft [verweerders]s vordering in de vrijwaringsprocedure tegen Interpolis afgewezen. De kantonrechter overwoog — voor zover thans in cassatie relevant — dat geen sprake was van onder de WAM verplicht gedekte schade:
- 16.
[verweerders] baseert haar vorderingsrecht op Achmea echter op de polisvoorwaarden en verwijst daarvoor naar de pagina's 1 en 13 van de polisvoorwaarden. Pagina 1 betreft het algemene deel en pagina 13 de wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen. Nu de wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen als een specialis is te beschouwen, zal de kantonrechter dit punt als eerste beoordelen. Als verzekerde wordt onder meer verstaan de werkgever van de bestuurder van het motorrijtuig die aansprakelijk is voor de schade die door de bestuurder is veroorzaakt. [verweerders] zou dus als verzekerde kunnen worden aangemerkt, maar Achema heeft aangevoerd dat er geen sprake is van WAM-schade. Dit verweer treft doel. De wijze waarop en de locatie waar de heftruck werd gebruikt op 13 juni 2012 is niet te beschouwen als een gedraging die typisch is voor deelname aan het verkeer (zie ook Hoge Raad 7 februari 1986, NJ 1986, 459). De aan [het slachtoffer] overkomen schade is niet veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor het verkeer. Overigens is het ook maar de vraag of de heftruck op 13 juni 2012 wel als motorrijtuig werd gebruikt en niet slechts als hijswerktuig (Hoge Raad 5 oktober 2017, LJN BB3317 en rechtbank Groningen 30 maart 2006, JA 2006,80).
F.
[verweerders] is hiertegen in appel gekomen. In grief 1 — die was gericht tegen het hiervoor geciteerde oordeel van de kantonrechter — betoogde [verweerders] wederom dat gelet op de polisvoorwaarden sprake was van een ruimere WAM-dekking dan uit de wet volgt.13. Subsidiair betoogde [verweerders] dat zich in dit geval wel een onder de WAM verplicht gedekte verkeersrisico heeft verwezenlijkt:14.
- 23.
Mocht uw Hof echter van oordeel zijn dat de dekking van het WAM-risico in de polis van Interpolis zich in casu wel beperkt tot het ‘verkeersrisico’ dan stelt [verweerders] zich op het standpunt dat zich in deze een verkeersrisico heeft verwezenlijkt.
[verweerders] heeft hiertoe in eerste aanleg — CvR onder 17–19 al het nodige gesteld en verwijst teneinde al te veel herhaling te voorkomen naar de stellingen op dat punt.
G.
Bij Memorie van Antwoord heeft Interpolis haar verweer gehandhaafd dat onder meer géén sprake was van een dekking die verder ging dan de WAM verplicht voorschrijft,15. en dat het verkeersrisico zich niet heeft voorgedaan:16.
geen verkeersrisico
- 32.
Interpolis handhaaft dat het verkeersrisico zich hier niet heeft voortgedaan. Nu [verweerders] volstaat te verijzen haar zijn repliek, veroorlooft Interpolis te verwijzen naar haar antwoord sub 16 e.v. en dupliek sub 18 e.v. Op deze plaats wordt benadrukt dat bij het zogenoemde aanpikken van de lading, die lading is aangestoten door een zogenoemde lepel van de heftruck en daardoor die lading is omgevallen.
H.
Het hof heeft in rov. 3.4.1 veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat de verzekeringsvoorwaarden waarin de WAM-dekking was geregeld géén uitgebreidere dekking verleenden dan ingevolge de WAM noodzakelijk is. Na te hebben vastgesteld dat onder de WAM vallende gebeurtenissen in Frankrijk zijn gedekt onder de BCP oordeelde het hof als volgt:
Het hof gaat er vanuit dat onder het begrip ‘terrein’ van artikel 1 lid 1 WAM tevens valt het terrein in de loods waar de onderhavige werkzaamheden door de vorkheftruck werden uitgevoerd. Onder dit begrip dient immers mede te worden begrepen ‘een terrein dat toegankelijk is voor een zeker aantal personen die het recht hebben daar te komen. Derhalve dient thans nog beoordeeld te worden of de manoeuvre van de vorkheftruck, waardoor het ongeval plaatsvond, valt onder het begrip ‘in het verkeer’.
3.4.2.
Behalve hetgeen hierboven in de vaststaande feiten reeds is vermeld over de werkzaamheden die tot het ongeval hebben geleid, heeft [verweerster 1] VOF in de gedingstukken zelf en voorts met verwijzing naar de inhoud van het vonnis in de hoofdprocedure nog het volgende gesteld.
(Feiten vonnis in de hoofdprocedure). De vorkheftruck werd ten tijde van het ongeval gebruikt bij het plaatsen van prefab betonnen elementen ten behoeve van een uiendroogwand. Deze betonnen elementen waren 6 meter lang, 1.20 meter breed en 20 cm dik en wogen elk 3 ton. De voorraad betonnen elementen stond op de vloer van de loods. Er werd telkens een element met de heftruck van de voorraad gehaald en vervolgens vervoerd naar de plaats waar de elementen boven op elkaar gestapeld moesten worden. Ten tijde van het ongeluk diende de bovenste rij elementen geplaatst te worden kort onder het dak van de loods, waardoor een voordien toegepaste werkwijze voor het plaatsen van de betonnen elementen niet mogelijk was. In verband daarmee is op de vorkheftruck een kist geplaatst, waaraan het betonnen element met lijmklemmen kon worden vastgemaakt en zo kon worden vervoerd. Door deze werkwijze werd echter het zicht van de chauffeur van de vorkheftruck op de lepels van de heftruck beperkt.
(Paragraaf 22 nrvg). Het ongeluk is ontstaan doordat de bestuurder van de vorkheftruck bij het naar voren rijden van de hoftruck met de lepels daarvan in aanmerking is gekomen met een (op de werkvloer staand) niet gezekerd betonnen element.
Het betonnen element is vervolgens omgevallen en op de daarachter staande [het slachtoffer] terechtgekomen.
Achmea heeft deze, door [verweerster 1] VOF weergegeven, toedracht van het ongeval niet bestreden, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
3.4.3
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake was van een schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig. Het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ omvat immers mede ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’ (HvJ EU 04-09-2014, ECLI:EU:C:2014:2146). Voor alle duidelijkheid merkt het hof op dat dit oordeel geldt zowel in het geval de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval als in het geval de vorkheftruck niet aan het rijden was.
Grief 1 in het principaal appel slaagt.
I.
Op basis van het bovenstaande concludeerde het hof dat de vordering van [verweerders] dient te worden toegewezen nu zij als schadelijdende partij op grond van art. 6 WAM direct een aanspraak bij Interpolis als WAM-verzekeraar kan indienen (rov. 3.5).
J.
Interpolis' cassatiemiddel richt zich met de hieronder opgenomen — deels met elkaar verbonden en alle in hun onderlinge samenhang te beschouwen — klachten tegen 's hofs oordeel in rov. 3.4.3 dat sprake is van een schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan zoals bedoeld in art. 3 lid 1 WAM,17. oftewel dat de schade in kwestie valt binnen de omvang van de verplichte dekking op grond van deze bepaling.
Klachten
1.
Onjuiste uitleg reikwijdte verplichte verzekeringsdekking ex art. 3 lid 1 WAM
1.1.
Het hof heeft in rov. 3.4.5 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking ex art. 3 lid 1 WAM. Het hof heeft miskend dat die verplichte verzekeringsdekking niet zó ver strekt dat daaronder ook valt schade veroorzaakt door een multifunctioneel motorrijtuig18. die niet de verwezenlijking van een verkeersrisico betreft, althans niet is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer,19. althans (primair/uitsluitend) is veroorzaakt door gebruik van de werkfunctie van een multifunctioneel motorrijtuig welk gebruik overeenstemt met de gebruikelijke werkfunctie van dat multifunctioneel motorrijtuig. In ieder geval is rechtens onjuist 's hofs — kennelijke20. — uitgangspunt dat voor het antwoord op de vraag of een schade valt onder de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking ex art. 3 lid 1 WAM reeds voldoende is dat het schadeveroorzakend gebruik overeenstemt met de (een) gebruikelijke functie van een multifunctioneel motorrijtuig, ongeacht of dat gebruik (primair/uitsluitend) overeenstemt met de gebruikelijke werkfunctie van dat multifunctioneel motorrijtuig en niet (op relevante wijze) met de motorrijtuig-functie.
1.2.
Voor zover het hof het voorgaande niet zou hebben miskend, althans zou hebben geoordeeld dat in dit geval de schade is veroorzaakt door het gebruik van de vorkheftruck als motorrijtuig (en niet — primair/uitsluitend — als werktuig), is het met subonderdeel 1.1 bestreden oordeel in het licht van de door het hof in rov. 3.4.2 vastgestelde toedracht van het ongeval onjuist althans onbegrijpelijk. Uit de vastgestelde feiten en het verweer van Interpolis volgt immers dat het ongeval zich voordeed toen de vorkheftruck (primair/uitsluitend) als werktuig werd gebruikt bij het verplaatsen c.q. liften van betonnen elementen waarbij tijdens het als werktuig manoeuvreren een betonnen element is aangetikt, dit element is omgevallen en daarbij op [het slachtoffer] is beland.21. Voornoemd gebruik, manoeuvreren en schadeveroorzaking door de vorkheftruck kan niet — althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt — worden aangemerkt als de verwezenlijking van een verkeersrisico, althans karakteristieke schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, althans gebruik van de vorkheftruck als motorrijtuig en niet (uitsluitend/primair) als werktuig. De casus in deze zaak onderscheidt zich wezenlijk van die in het door het hof aangehaalde arrest van het Hof van Justitie EU (‘HvJ EU’) in de zaak Vnuk.22. Die procedure betrof namelijk een tractor die een ongeval veroorzaakte tijdens het achteruit een loods inrijden om de lading van de aan de tractor gekoppelde aanhangwagen te lossen. Het schadeveroorzakende feit in de zaak Vnuk was — anders dan in deze zaak — duidelijk terug te voeren tot het gebruik van de tractor als motorrijtuig (en niet als werktuig).23.
2. Ontoelaatbare verrassingsbeslissing
2.1.
Voorts heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk oordeel door op basis van zijn — te verstrekkende24. — uitleg van het Vnuk-arrest direct te oordelen dat sprake was van een schade die onder de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking ex art. 3 lid 1 WAM valt, in plaats van partijen eerst in de gelegenheid te stellen zich over de betekenis van het Vnuk-arrest voor de beslissing van deze zaak uit te laten. Door dit na te laten, heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven en aldus in strijd gehandeld met25.
‘het fundamentele beginsel van procesrecht dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast met een beslissing van de rechter, waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat geen rekening behoefden te houden.’
2.2.
Immers, het hof is kennelijk op basis van zijn uitleg van het Vnuk-arrest, tot het oordeel gekomen dat — anders dan volgt uit de arresten van het Benelux Gerechtshof26. en uw Raad27. in de zaak [naam 1]/Centraal Beheer — de verplichte dekking van artikel 3 lid 1 WAM niet beperkt is tot het verkeersrisico, althans niet vereist is dat bij schadeveroorzaking door het gebruik van een multifunctioneel motorrijtuig de schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Daarmee is het hof uitgegaan van een uitleg van art. 3 lid 1 WAM die 1) afwijkt van eerdere jurisprudentie van het Benelux-Gerechtshof en Uw Raad en daarmee nieuw is en 2) afwijkt van het uitgangspunt van beide partijen ten aanzien van de reikwijdte van de verplichte art. 3 WAM-dekking. Zowel Interpolis als [verweerders] hadden namelijk tot uitgangspunt genomen dat die verplichte dekking beperkt is tot de verwezenlijking van een verkeersrisico c.q. schade die is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.28. Partijen hebben in hun processtukken ook geen rekening kunnen houden met het Vnuk-arrest nu dit arrest is gewezen nadat Interpolis haar memorie van antwoord had ingediend.29.
2.3.
Gelet op het voorgaande had het Hof — alvorens uitspraak te doen — partijen in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de betekenis van het Vnuk-arrest voor deze zaak en eventueel hun stellingen daarop nader aan te passen.30. Dit geldt te meer in een geval als dit waarin — minst genomen — serieuze discussie mogelijk is over de vraag wat precies de betekenis is van de beslissingen van het HvJ EU in het Vnuk-arrest wanneer de schade is veroorzaakt door het gebruik van een multifunctioneel motorrijtuig welk gebruik (primair/uitsluitend) overeenstemde met de gebruikelijke werkfunctie van dat motorrijtuig.31.
3. Veegklacht
3.1.
Voor zover één of meer van de hiervoor vermelde klachten tot cassatie leiden, kunnen 's hofs op rov. 3.4.3 voortbouwende oordelen in rov. 3.5 (directe aanspraak van [verweerders] jegens Interpolis ex art. 6 WAM), 3.6 (verwerping voorwaardelijk incidenteel appel Interpolis) en 3.7 (proceskostenveroordeling) evenmin in stand blijven.
Conclusie
Interpolis vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten, Interpolis vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Kosten exploot: € [80,42]
Deurwaarder
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑02‑2017
Te raadplegen op http://www.kbvg.nl/griffierechtentabel
Vgl. voor de vaststaande feiten en het procesverloop rov. 3.1–3.3 van 's hofs arrest en rov. 1–9 van het vonnis van de Kantonrechter Middelburg d.d. 18 december 2013 (het ‘vonnis’).
Dagvaarding productie 3 (polisvoorwaarden) en CvA productie 1 (polisbladen).
Zie ook 's hofs rov. 3.4.2.
MvG productie 1. [verweerders] heeft hoger beroep ingesteld. Dit appel is, blijkens 's hofs rov. 3.1.d, geroyeerd.
Dagvaarding § 13–19.
Dagvaarding § 20–22.
Dagvaarding § 23–26.
Dagvaarding § 27.
Repliek § 14–16.
Repliek § 17–19.
MvG productie 2. NN heeft hoger beroep ingesteld tegen het voor haar veroordelend vonnis. Dit hoger beroep is — blijkens 's hofs rov. 3.3 — geroyeerd.
MvG § 14–22.
MvG § 23.
MvA § 9–31.
MvA § 32. Zie voorts CvA § 16–19 en CvD § 15–20 en 24.
‘De verzekering moet tegen betaling van één enkele premie (…) dekken de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven (…)’
Dat wil zeggen een werktuig dat tevens als motorrijtuig in de zin van de WAM kan worden gekwalificeerd.
Vgl. Benelux-Gerechtshof 23 oktober 1984, NJ 1986(458 en HR 7 februari 1986, NJ 1986/459 ([naam 1]/Centraal Beheer), rov. 2.1–2.2.
Zie het slot van 's hofs rov. 3.4.3 alwaar het hof overweegt dat voor zijn oordeel irrelevant is of de vorkheftruck ten tijde van het ongeval wel of met aan het rijden was.
CvA § 18 en CvD § 18–19. Zie ook de overige in voetnoot 16 vermelde vindplaatsen.
HvJ EU 4 September 2014, C-162/13, ECLI:EU:C:2014:2146.
Vgl. A-G Mengozzi in nr. 44 van zijn conclusie vóór het arrest van het HvJEU en J.H. Wansink, ‘Hoe helder is de Europese invulling van het WAM-begrip ‘deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen’?,’AV&S 2015/8, p. 56.
Zie middelonderdeel 1.
HR 21 december 2001, NJ 2004/34 (Panama Carabic Overseas Saving/Town House Development), rov. 3.4.
Benelux-Gerechtshof 23 oktober 1984, NJ 1986/458.
HR 8 april 1986, NJ 1986/457.
Zie de hiervoor in voetnoot 11, 14 en 16 vermelde vindplaatsen. Het betoog van [verweerders] dat voor WAM-dekking onder de BCP voldoende was dat de schade ‘met of door het motorrijtuig’ was veroorzaakt, was gebaseerd op de stelling dat op grond van de polisvoorwaarden een ruimere WAM-dekking was afgesproken dan uit de WAM volgt: zie de hiervoor in voetnoot 6, 10 en 13 vermelde vindplaatsen.
Interpolis' memorie van antwoord is ingediend op 12 augustus 2014. Het Vnuk-arrest is gewezen op 4 september 2014, Weliswaar dateert de memorie van antwoord in incidenteel appel van 21 oktober 2014, maar het voorwaardelijk incidenteel appel had geen betrekking op de uitleg van artikel 3 lid 1 WAM, maar op welke verwachtingen [verweerders] mocht hebben terzake de verzekeringsdekking van het ongeval als grondslag voor zijn beroep op spiegelbeelddekking.
HR 3 februari 1984, NJ 1984/765 (Interpolis/X), rov. 3.5 (slot). Zie nader H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel Appel (Burgerlijk Proces & Praktijk 2). Deventer: Kluwer 2009, nr. 15 en J. Ekelmans, in eerste aanleg (Burgerlijk Proces & Praktijk 16), Deventer: Kluwer 2015, nr. 51.
Zie J.H. Wansink, a.w. p. 56.