Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.6.2.2
II.6.2.2 Waarom plegen?
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460285:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierboven, par. II.2.6.3.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 16 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2869 onder het kopje ‘Vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde’.
Gritter noemt het arbo-recht en mededingingsrecht als voorbeelden waarin niet de leidinggevende, maar de rechtspersoon “primaire normadressaat” is. Gritter 2003, par. 5.7. Hoewel dit niet afdoet aan de voorbeelden, plaats ik de kanttekening dat ‘primair normadressaat’ mijns inziens een pleonasme is: je wordt geadresseerd door een norm, of je wordt het niet. Ik ben geen voorbeelden tegengekomen van normen met meerdere normadressaten in hiërarchisch verband.
In par. II.3.4.4 licht ik de functionele interpretatie van milieudelicten toe met voorbeelden.
De toepassing van de IJzerdraad-criteria in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden komt aan bod in par. II.3.4.5.
Röling in zijn noot bij HR 18 maart 1952, ECLI:NL:HR:1952:1, NJ 1952/314 (Kleurloos opzet) en HR 18 maart 1952, ECLI:NL:HR:1952:199, NJ 1952/315.
Zie hierboven par. II.2.7.3 onder reikwijdte van het opzet. Zie in het bijzonder Doorenbos 2021; Hartmann & Kroes 2016, par. 6; en de conclusie van A-G Vellinga bij het arrest HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783, ECLI:NL:PHR:2007:AZ878, NJ 2007/544 en de noot van Buruma onder dat arrest.
Als opzet van de leidinggevende niet aanwezig is (of niet kan worden bewezen), is een te overwegen alternatief om de leidinggevende aan te spreken als pleger van de overtredingsvariant van het betreffende delict; dat vergt geen opzet. De leidinggevende kan bij een niet-opzettelijke overtreding natuurlijk nog wel een beroep doen op een schulduitsluitingsgrond.
HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3121, NJ 2003/553, m.n. r.o. 3.5. Zie hieromtrent ook wat ik schrijf in par. II.2.7.3 onder ‘Opzet op facetten van de wederrechtelijkheid’.
De kenmerken van en criteria voor deelneming komen nader aan bod in par. II.5. Een voorbeeld van een uitspraak waarin de rechtbank wél plegen maar geen medeplegen heeft aangenomen, is Rb. Amsterdam 14 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:9376.
Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 18 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8694 en Rb. Overijssel 22 augustus 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:3019 t.a.v. feit 1 en Hof ’s-Hertogenbosch 16 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2869, r.o. 2.3.2-2.3.3.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Den Haag 18 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8694.
Dit gebeurde bijvoorbeeld in het (bestuursrechtelijke) rechtszaak tegen de curator in het kader van het faillissement van olieverwerkbedrijf North Refinery: ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:598. Bij North Refinery worden lekkages geconstateerd, en de curator wordt door het bevoegd gezag aangeschreven om maatregelen te treffen om bodemschade te voorkomen. De curator wordt aangesproken op grond van feitelijk leidinggeven, waarvoor in het bestuursrecht dezelfde regeling geldt als in het strafrecht. De aansprakelijkheid van de curator loopt vast op het accessoriteitsvereiste: de boedel van de failliete rechtspersoon is geen rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 lid 2 of 3. De curator kon echter in zijn hoedanigheid als drijver van de inrichting en dus als normadressaat van de geschonden milieuvoorschriften waarschijnlijk wel worden aangesproken als pleger.
De Hullu 2018, p. 438. Het deelnemingskarakter kan in commune delicten ook juist strafverhogend werken, maar bij milieudelicten lijkt het omgekeerde het geval.
Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1597, NBStraf 2016/124, m.nt. Van Leeuwen (Directeur Chemie-Pack), Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1594 (KAM-coördinator Chemie-pack).
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.3.1. In dit verband verwijst de Hoge Raad naar HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop.
In een ander arrest over verduistering heeft de Hoge Raad aangegeven dat er geen verplichting bestaat om een leidinggevende als feitelijk leidinggever in plaats van als pleger aan te spreken, indien het nodige bewijs daarvoor voorhanden is. HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9529, NJ 1987/362.
Hornman 2016b, p. 137.
Zoals ik ook concludeerde in paragraaf II.3, is (functioneel) plegerschap ideaaltypisch gezien een zeer geschikte daderschapsvorm voor de aansprakelijkheid van leidinggevenden voor milieudelicten. Dat is allereerst zo omdat milieuverplichtingen van ondernemingen vaak ook zijn geadresseerd aan natuurlijke personen met zeggenschap over de milieubelastende activiteiten. Als normadressaat kunnen leidinggevenden dus vaak zelf een eventueel kwalitatief bestanddeel vervullen.1 Men lijkt dat in de rechtspraak soms over het hoofd te zien.2
Let wel, normadressaatschap verschilt per norm. In het milieustrafrecht worden natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen het bedrijf dikwijls persoonlijk geadresseerd, maar dit hoeft niet zo te zijn in andere takken van het (bijzondere) strafrecht. Bijvoorbeeld, in het mededingingsrecht en het financieel-economische strafrecht is niet de leidinggevende maar de onderneming normadressaat.3
Leidinggevenden kunnen ook zelf de objectieve bestanddelen van milieudelicten vervullen. Dat kan in ieder geval wanneer de leidinggevende zelf (fysiek) de delictsgedraging verricht. In bedrijfscontext zal de tenuitvoerlegging van milieudelicten echter in de regel geschieden met tussenkomst van anderen, en dan ligt de aansprakelijkheidsfiguur ‘functioneel plegen’ meer voor de hand. Door functionele interpretatie van milieudelicten kan een leidinggevende ook zonder (fysieke) betrokkenheid bij de verboden gedraging de delictsgedraging verrichten.4 Daarnaast kan een verboden gedraging van een ondergeschikte op basis van de IJzerdraad-criteria worden toegerekend aan de leidinggevende. Deze criteria lenen zich goed voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, want leidinggevenden kenmerken zich juist door hun beschikkingsmacht over de bedrijfsprocessen en de handelingen van ondergeschikten, en vanwege hun positie kan van leidinggevenden in redelijkheid ook zorg worden gevergd om milieudelicten te voorkomen.5
Ook de subjectieve bestanddelen van milieudelicten geven geen aanleiding om voor het daderschap van leidinggevenden uit te wijken naar deelnemingsfiguren. Ingevolge de systematiek van de WED moeten de meeste milieumisdrijven opzettelijk worden begaan. Het opzetvereiste hoeft echter geen groot obstakel te vormen, omdat veel delictsgedragingen uit het economische strafrecht (waaronder die in het economische milieustrafrecht) naar hun aard opzettelijk worden begaan; ‘men blikt nu eenmaal geen boontjes uit nonchalance’.6 Niet voor niets zijn er auteurs die ervoor pleiten om bij economische delicten meer te eisen dan slechts kleurloos opzet op de bestanddelen van het delict.7 Ook het ‘globale’ opzetvereiste uit de Slavenburg-toets heeft beperkte meerwaarde, omdat de delictsgedragingen van veel bestuursrechtelijke milieuvoorschriften van zichzelf al behoorlijk globaal omschreven zijn.
Daarmee wil ik echter niet zeggen dat het vervullen van de opzeteis een automatisme is: opzet op de delictsgedraging is zeker niet bij ieder milieudelict even vanzelfsprekend.8 Het oprichten van een milieu-inrichting zal bijvoorbeeld in de regel opzettelijk gaan, maar het lozen op oppervlaktewater kan best onbewust en ongewild geschieden (bijvoorbeeld door een onbekend defect van één van de installaties binnen de inrichting). Bovendien dopt (of blikt) niet iedereen zijn eigen boontjes: ondergeschikten kunnen buiten het willen en weten om van de leidinggevende om milieuovertredingen begaan. Daarnaast vergen bepaalde milieudelicten ook opzet op facetten van de wederrechtelijkheid, en die opzet moet bij een plegende leidinggevende aanwezig zijn. Neem bijvoorbeeld artikel 10.2 Wm met het verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze te storten buiten een inrichting: een gedraging van een leidinggevende is pas in strijd met dit artikel als hij wist (of in ieder geval de kans op de koop toeneemt) dat de gestorte stoffen kunnen worden aangemerkt als ‘afvalstoffen’.9
Leidinggevenden kunnen dus zelf alle bestanddelen van menig milieudelict vervullen. Mogelijk kan de leidinggevende onder omstandigheden in plaats van als pleger ook worden aangesproken als deelnemer; er bestaat immers overlap tussen de aansprakelijkheidsfiguren. Echter, bezien vanuit de criteria van de verschillende daderschapsvormen, zie ik geen goede redenen om bij overlap een leidinggevende in plaats van als pleger (primair) als feitelijk leidinggever of als medepleger te vervolgen. Voor de aansprakelijkheid van een deelnemer gelden namelijk aanvullende voorwaarden.10 Zo geldt er voor deelnemers een accessoriteitsvereiste, en voor plegers niet. Verder moet bij deelneming worden bewezen dat de verdachte de deelnemingshandeling (opzettelijk) heeft verricht. Daarnaast is voor deelneming in beginsel (voorwaardelijk) opzet vereist op het grondfeit, ook wanneer het delict geen subjectief bestanddeel bevat (zoals bij milieuovertredingen doorgaans het geval is). Bij functioneel plegen zit daarentegen geen zelfstandig opzetvereiste ingebakken: voor de toerekening van de verboden gedraging aan de functionele pleger is ‘slechts’ het schenden van een zorgplicht voldoende.
Een andere reden om in geval van overlap te kiezen voor plegerschap, is dat het aanmerken van een plegende leidinggevende als deelnemer kan leiden tot kromme redeneringen. Bijvoorbeeld, wanneer een plegende leidinggevende van een klein bedrijf wordt aangesproken als feitelijk leidinggever, worden – ingevolge het specifieke accessoriteitsvereiste van feitelijk leidinggeven – voor het daderschap van de rechtspersoon eerst het strafbare feit van de leidinggevende toegerekend aan de rechtspersoon, om vervolgens te bewijzen dat de leidinggevende aan het strafbare feit (en daarmee indirect aan zichzelf) feitelijk leiding heeft gegeven.11 Er zijn zelfs rechtszaken waarin de énige werkzame persoon van een bedrijf, tevens directeur en enig aandeelhouder, toch werd aangesproken als feitelijk leidinggever.12 Dit is op zijn best omslachtig te noemen, maar in het slechtste geval kan de aansprakelijkheid van een plegende leidinggevenden onnodig stranden op het daderschap van de rechtspersoon.13
Een aanvullend argument dat nog in stelling kan worden gebracht, is dat er ook in de normatieve zin wat voor te zeggen is om leidinggevenden aan te spreken als pleger. Door hun bijdrage aan het delict te duiden als deelneming, is het verwijt dat de leidinggevende wordt gemaakt soms lichter, of in ieder geval anders dan het verwijt dat een leidinggevende wordt gemaakt in het kader van plegen; het geeft de aansprakelijkheid ten onrechte een collectieve connotatie. Kern van het verwijt is immers dat de leidinggevende zélf in strijd heeft gehandeld met een verplichting die aan hem of haar persoonlijk is geadresseerd. Bijvoorbeeld, bij feitelijk leidinggeven zal een belangrijk deel van de juridische strijd draaien om het daderschap van de rechtspersoon, hetgeen kan afleiden van het eigen aandeel van de aangesproken leidinggevende in het milieudelict. Het gewicht van het verwijt is overigens ook belangrijk voor de strafmaat; deelnemers kunnen weliswaar de maximale straf opgelegd krijgen, maar het staat rechters vrij om deelnemers te ontzien.14 Door de leidinggevende aan te spreken als pleger, is in de juridisch strijd en bij de straftoemeting duidelijk dat deze persoon het strafbare feit zelfstandig en ten volle heeft begaan.
De aanvullende voorwaarden die gelden voor deelnemingsfiguren zijn geenszins theoretische obstakels, maar kunnen daadwerkelijk de aansprakelijkheid van leidinggevenden verhinderen.
Een voorbeeld hiervan kan worden gevonden in de Chemie-Pack jurisprudentie.15 De directeur werd vrijgesproken van feitelijk leidinggeven aan het brandstichten door de rechtspersoon, omdat niet kon worden aangetoond dat de directeur kennis had van het gebruik van een gasbrander voor het ontdooien van de membraanpomp, of feiten die rechtstreeks met die verboden gedraging verband hielden. Daarentegen had het hof wel vastgesteld dat de directeur de leiding had binnen het bedrijf en verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken; dat de directeur ervan op de hoogte was dat op het buitenterrein vloeistofcontainers met gevaarlijke stoffen werden geplaatst; dat op datzelfde buitenterrein de membraanpomp werd gebruikt en dat die pomp werd gespoeld met xyleen; en dat de veiligheidsrisico’s die daar mogelijk aan waren verbonden niet in kaart waren gebracht. Ook achtte het hof bewezen dat de directeur ervan op de hoogte was dat er bij lage temperaturen problemen waren met de pomp. Voor zover ik kan beoordelen op basis van de weergegeven feiten, lijkt mij hier duidelijk sprake van beschikkingsmacht en schending van een zorgplicht. Verder lijkt me ook verdedigbaar dat hier sprake is van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid (schuld). Bovendien is de leidinggevende zelf normadressaat van het (tot eenieder gerichte) artikel 158 Sr. Het lijkt er daarom op dat de leidinggevende op grond van functioneel plegen culpoze brandstichting kan worden verweten, maar de aansprakelijkheid is vastgelopen op het opzet dat wordt vereist door de tenlastegelegde deelnemingsfiguur.
Deelnemingsfiguren vormen weliswaar een uitbreiding op de aansprakelijkheidsmogelijkheden die er zijn op basis van het plegerschap, maar dat betekent niet dat het per definitie makkelijker is iemand aan te spreken als deelnemer dan als pleger. De uitbreiding is complementair: deelneming biedt uitkomst in situaties die niet bestreken worden met plegen. Echter, als iemand wél kan worden aangesproken op basis van plegen, dan komt het de kracht en inzichtelijkheid van de redenering niet ten goede om de verdachte tóch als deelnemer te vervolgen. Kortom, plegen is bij veel milieumisdrijven (en zeker bij milieuovertredingen) in de regel de meest geëigende daderschapsvorm voor de aansprakelijkheid van leidinggevenden.
Een vergelijkbaar geluid is overigens al eerder vertolkt door de Hoge Raad in het Overzichtsarrest medeplegen. Daarin constateert de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie bij commune delicten ‘vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap’.16 Waarschijnlijk heeft de Hoge Raad diens opmerking toegespitst op commune delicten, omdat veel economische delicten zijn geadresseerd aan de rechtspersoon. Zoals aan bod kwam in paragraaf II.2.6.3 zijn leidinggevende functionarissen in het milieustrafrecht vaak zélf normadressaat, waardoor de opmerking van de Hoge Raad mijns inziens ook opgaat voor milieudelicten.17
Ook Hornman presenteert plegen in plaats van feitelijk leidinggeven als “de weg van de minste weerstand”, en hij verbaast zich ook over de terughoudendheid om leidinggevenden als pleger aan te spreken; “[j]uridisch gezien is er, behoudens het voornoemde normadressaatschap, evenwel geen enkele reden om functioneel daderschap niet toe te passen op leidinggevenden van rechtspersonen. Voor het OM zou het aantrekkelijk kunnen zijn om meer naar die mogelijkheid te kijken.”18