Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/5.2.3
5.2.3 Wijze van benoeming en ontslag
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386131:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Houwen 2014a, p. 142.
Houwen zegt dat sprake moet zijn van “benoeming en ontslag in plaats van vrije toe- en uittreding” en lijkt daarmee een onderscheid te willen maken met een vergadering van leden of aandeelhouders; leden of aandeelhouders kunnen immers – in beginsel – vrijelijk toe- en uittreden.
Zie ook Hamers 2015, p. 144, en Asser/Rensen 2-III* 2012/337 (voor wat betreft bestuurders). Rensen merkt op dat de wet zwijgt over aanvaarding van de benoeming en ook de statuten over dit onderwerp plegen te zwijgen. Hij meent echter dat in ons rechtsstelsel, behoudens uitdrukkelijke voorziening, zoals bijvoorbeeld bij voogdij, niet mag worden aangenomen, dat iemand bestuurder wordt zonder zijn instemming. Ik meen dat dit voor de benoeming als lid van een raad van toezicht niet anders is dan voor de benoeming als bestuurder.
Dit geldt eveneens voor de benoeming als bestuurder. De Kluiver noemt het voorbeeld dat de statuten bepalen dat het bestuur van een bepaalde organisatie het bestuur van de stichting vormt (De Kluiver, 1988, p. 180). De Kluiver merkt, mijns inziens terecht, op dat een dergelijke bepaling zich niet verdraagt met het stichtingenrecht, waarin essentieel is dat de rechter uiteindelijk kan ingrijpen als het bestuur zijn taak in het licht van de doelstelling van de stichting onjuist vervult. Dit ingrijpen zou zonder zin zijn als de statutaire bepaling dat personen van rechtswege bestuurder zijn rechtsgeldig is. Ontslag zou dan onmogelijk zijn.
Zie ook Bijlage 1.
Zie voor zorginstellingen 6.2.4 GCZ 2017 en voor culturele instellingen 6.7 GCC 2014.
Zie ook Bijlage 1.
In gelijke zin: Rensen 2015.
Vletter-Van Dort (Vletter-Van Dort 2013) merkt op: “In de praktijk worden interne toezichthouders, of het nu visiteurs zijn, leden van een RvT of leden van een one tier board altijd door het bestuur van het pensioenfonds benoemd. Dit blijkt ook uit de ‘Aanbevelingen deskundig en competent pensioenfondsbestuur’. De RvT en visitatiecommissie stellen ingevolge het Wetsvoorstel versterking bestuur weliswaar zelf een profielschets op voor hun leden, maar de nieuwe wet bepaalt niet op welke wijze benoeming plaatsvindt, noch of de RvT of de visitatiecommissie een stem heeft in het benoemingsproces van haar eigen leden. Zoals aangegeven wordt het aan de nieuw op te stellen code overgelaten om te regelen op welke wijze benoeming van intern toezichthouders dient plaats te vinden.”
Houwen merkt naar mijn mening terecht op dat de inhoud van het takenpakket, de aard en omvang van de bevoegdheden alsmede de samenstelling en de inrichting in onderlinge samenhang bezien bepalend zouden moeten zijn voor de kwalificatie als toezichthoudend orgaan.1 Elk van deze elementen is van belang. Op de inhoud van de taak en bevoegdheden van de raad van toezicht ga ik in de hierna volgende paragrafen in. Met “samenstelling en inrichting” doelt Houwen, als ik hem goed begrijp, ook op het feit dat leden van de raad van toezicht als zodanig benoemd of aangewezen moeten worden. Er kan in ieder geval geen sprake zijn van vrije toe- en uittreding, zoals bij de algemene vergadering.2
Aanvaarding van de benoeming
De huidige wet noch het Wetsvoorstel btrp bepaalt hoe en door wie leden van de raad van toezicht van een stichting worden benoemd en ontslagen. De statuten dienen de wijze van benoeming of de aanwijzing van de leden van de raad van toezicht te regelen. Wat betreft dat laatste: de oprichter van een stichting kan zichzelf of iemand anders als eerste lid van de raad van toezicht aanwijzen in de statuten. De benoeming of aanwijzing dient echter door de benoemde c.q. aangewezen persoon (impliciet of expliciet) aanvaard te worden.3 Op grond van algemene rechtsbeginselen geldt immers (evenals voor de benoeming van bestuurders) dat aanvaarding nodig is aangezien niemand tegen zijn wil lid van een toezichthoudend orgaan zou mogen worden. Leden van een toezichthoudend orgaan kunnen immers net als bestuurders persoonlijk aansprakelijk gehouden worden voor hun handelen.
Zoals ik reeds opmerkte kan een persoon niet uit hoofde van zijn functie (qualitate qua, zie de opmerking over de Bisschop van ’s-Hertogenbosch hiervoor) of door de benoeming bij een andere rechtspersoon (bijvoorbeeld de benoeming als lid van de raad van toezicht van een “holding-stichting”) van rechtswege lid worden van de raad van toezicht.4 Vereist is dat een persoon wordt benoemd als lid van de raad van toezicht van de desbetreffende stichting zelf. Belanghebbenden bij die stichting moeten op kunnen komen tegen een dergelijke benoeming, door het aan de benoeming ten grondslag liggende benoemingsbesluit bij de stichting aan te vechten.
Benoemende instantie, benoemend orgaan of coöptatie
In de statuten kan worden bepaald dat een ander stichtingsorgaan dan de raad van toezicht zelf of dat een derde de leden van de raad benoemt. Mogelijk kent de stichting geen andere organen dan het bestuur en de raad van toezicht en is er evenmin een “logische” derde voorhanden. Om die reden kan ook worden gekozen voor een systeem waarbij de raad van toezicht zelf zijn leden benoemt.
Dit systeem van coöptatie wordt in veel sectorale codes voorgeschreven en/of als uitgangspunt gehanteerd.5 Coöptatie heeft als voordeel dat de raad van toezicht zijn onafhankelijkheid (van de benoemingsgerechtigde) kan bewaken, maar heeft als mogelijk nadeel dat steeds uit eenzelfde netwerk wordt geput. Om die reden wordt voor sommige soorten stichtingen, bijvoorbeeld voor stichtingen in de semipublieke sector, zoals zorginstellingen, maar ook voor culturele instellingen, voorgeschreven dat toezichthouders die bij dergelijke stichtingen door coöptatie worden benoemd, openbaar (via een advertentie) geworven moeten worden.6
Benoeming voor bepaalde of onbepaalde tijd
Leden van de raad van toezicht kunnen voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd worden benoemd. Een benoeming voor bepaalde tijd, bijvoorbeeld voor een periode van vier jaar met de mogelijkheid om één of meerdere keren herbenoemd te worden, wordt net als de coöptatieregeling in veel sectorcodes voorgeschreven.7 Door deze vaste periode voor te schrijven wordt bereikt dat de benoeming van nieuwe leden of herbenoeming van bestaande leden en daarmee de samenstelling van de raad van toezicht periodiek aan de orde komt en geëvalueerd wordt (zie ook paragraaf 7.3.4 hierna). Bovendien kan een rooster van aftreden worden opgesteld, waarmee voorkomen wordt dat leden van de raad van toezicht tegelijk aftreden.
Indien een lid van de raad van toezicht voor een periode van ten hoogste vier jaar is benoemd, defungeert hij na verloop van deze vier jaar. Teneinde te voorkomen dat leden van de raad van toezicht defungeren alvorens nieuwe leden zijn benoemd, kunnen de statuten bepalen dat een lid van de raad van toezicht in functie blijft totdat in herbenoeming of opvolging is voorzien. Het desbetreffende lid van de raad van toezicht treedt dan bijvoorbeeld af in de eerstvolgende vergadering die wordt gehouden na ommekomst van zijn vierjaarsperiode, indien in die vergadering een opvolgend lid wordt benoemd. Indien op grond van sectorregels echter een strikte periode van vier jaar geldt, dient deze strikte periode in de statuten in acht genomen te worden.
Een lid van de raad van toezicht dat voor onbepaalde tijd is benoemd blijft lid totdat hij wordt ontslagen of aftreedt. Het is ook mogelijk in de statuten te bepalen dat het lidmaatschap van de raad van toezicht eindigt bij het verlies van een bepaalde kwaliteit.
Flexibele wettelijke regeling
Boek 2 BW biedt vooralsnog geen basis voor de instelling van een raad van toezicht. De benoeming van leden van de raad van toezicht is dus evenmin in Boek 2 BW geregeld, als gevolg waarvan dit wordt overgelaten aan sectorregels en/of individuele statuten. Het Wetsvoorstel btrp laat benoeming van leden van de raad van toezicht eveneens vrij. Anders dan bij corporatieve rechtspersonen is er geen algemene vergadering of een vergelijkbaar orgaan dat “boven het toezichthoudend orgaan staat” en op grond van de algemene wettelijke regeling de bevoegdheid heeft om leden van de raad van toezicht te benoemen.
Grenzen aan benoembaarheid
Ik meen dat het stichtingenrecht terecht flexibel is wat betreft de benoembaarheid van leden van de raad van toezicht, maar dat één grens duidelijk vastgelegd zou moeten worden: in Boek 2 BW zou bepaald dienen te worden dat het bestuur niet de leden van de raad van toezicht mag benoemen.8 Uit de aard van het toezicht, dat wil zeggen: het feit dat toezicht wordt gehouden op het bestuur, volgt dat het benoemende orgaan niet het bestuur zelf zou mogen zijn. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar bij pensioenstichtingen komt – of in ieder geval kwam – het regelmatig voor dat het bestuur van de pensioenstichting de leden van de raad van toezicht zelf benoemt. In de literatuur wordt terecht opgemerkt dat het bestuur op die manier in staat is de kracht en deskundigheid van het op haar gehouden toezicht zelf te organiseren, hetgeen niet de bedoeling van toezicht kan zijn.9