Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.5.3
3.3.5.3 De benaming ‘trustvermogen’
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717463:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook: C.Æ. Uniken Venema, Law en equity in het Anglo-Amerikaanse privaatrecht: rechtsvergelijkende beschouwingen betreffende de belangrijkste structuren en begrippen in het Anglo-Amerikaanse privaatrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 161 en W.J. Zwalve, ‘‘You can’t have your cake and eat it.’ Art. 3:84 lid 3 BW als kernbepaling van toekomstig Nederlands trustrecht’, RMThemis 2015/4, p. 141-142.
Zie paragraaf 2.4.7.
Vgl. ook: S.C.J.J. Kortmann, ‘Past “de trust” in het Nederlandse recht?’, in: D.J. Hayton e.a. (red.), Vertrouwd met de trust. Trust and trust-like arrangements (serie ondernemingen en recht), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 187.
Teneinde transparantie te bevorderen en misbruik van de trustfiguur tegen te gaan, is het naar mijn mening wenselijk dat de trustee zijn hoedanigheid te allen tijde kenbaar maakt.
Men denke bij ‘andere schuldeisers’ bijvoorbeeld aan de schuldeisers van de begunstigden.
Vgl. ook: C.Æ. Uniken Venema, Law en equity in het Anglo-Amerikaanse privaatrecht: rechtsvergelijkende beschouwingen betreffende de belangrijkste structuren en begrippen in het Anglo-Amerikaanse privaatrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 161 en W.J. Zwalve, ‘‘You can’t have your cake and eat it.’ Art. 3:84 lid 3 BW als kernbepaling van toekomstig Nederlands trustrecht’, RMThemis 2015/4, p. 142. Anders: D.W. Aertsen, De trust. Beschouwingen over invoering van de trust in het Nederlandse recht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2004, p. 74-75.
De goederen van de trust worden ingevolge artikel 3:127 lid 2 sub a BWC, naast de benaming ‘trustgoederen’ tevens aangeduid als het trustvermogen. Mijns inziens is de benaming ‘trustvermogen’ in casu niet op haar plaats, gelet op het feit dat dit begrip ten onrechte de indruk wekt dat zowel schulden als goederen voorafgaand aan de instelling van de trust onder trustverband kunnen worden geplaatst, terwijl enkel het onder trustverband brengen van goederen mogelijk is.1 Dit betekent dat er van schulden die voorafgaand aan de instelling van de trust bestaan, vaak incorrect aangeduid als de trustschulden, nimmer sprake kan zijn.
Nadat de trust tot stand is gekomen kan de trustee wel schulden maken in de uitoefening van zijn functie. Men denke bijvoorbeeld aan de situatie waarin een onroerende zaak onder trustverband is geplaatst en de trustee onderhoudswerkzaamheden ten aanzien van de genoemde onroerende zaak laat uitvoeren. In een dergelijk geval is hij in beginsel, naar Anglo-Amerikaans recht, persoonlijk aansprakelijk jegens derden voor de schulden die voortvloei- en uit de onderhoudswerkzaamheden en kunnen de schuldeisers deze schulden in beginsel verhalen op zijn privévermogen.2 In het Curaçaose recht dient voor dit soort situaties aansluiting te worden gezocht bij het bepaalde in artt. 3:136 lid 3 en 3:157 BWC. Om de verhaalsmogelijkheden op het privévermogen van de trustee te beperken en de functie van trustee aantrekkelijker te maken, vermoed ik dat de Curaçaose wetgever heeft besloten om op dit punt af te wijken van het Anglo-Amerikaanse, in het bijzonder het Engelse recht.3
Conform art. 3:136 lid 3 BWC moet de trustee te allen tijde – behoudens het bepaalde in de trustakte, de verkeersopvattingen of de onmogelijkheid c.q. het verbod naar het toepasselijke recht – aan zijn wederpartij kenbaar maken dat hij als trustee optreedt. Is zijn hoedanigheid kenbaar voor de derde, dan is hij als trustee aansprakelijk voor de schulden die hij in het kader van de uitoefening van zijn functie maakt, doch is zijn privévermogen niet vatbaar voor verhaal en zijn de schuldeisers aangewezen op de trustgoederen.4 In dit kader meen ik dat het gebruik van het woord ‘trustschuld’ wel passend is, ondanks het feit dat ook deze ‘trustschulden’ geen onderdeel zijn van het geheel van trustgoederen. Is hij niet bekend als trustee bij de derde, dan is hij evengoed in de hoedanigheid van trustee aansprakelijk maar is verhaal door de schuldeisers uitsluitend mogelijk op zijn privévermogen.5/6
Hoewel de Curaçaose wetgever een zekere betekenis toekent aan de term ‘trustvermogen’, is het gebruik hiervan naar mijn mening vatbaar voor meerdere interpretaties. Enerzijds zou het begrip ‘trustvermogen’ – zoals neergelegd in artt. 3:127 lid 2 sub a, 3:137 lid 1 en 3:155 lid 1 BWC – kunnen verwijzen naar het begrip afgescheiden geheel van goederen, waarbij de trustgoederen afgescheiden dienen te blijven van het privévermogen van de trustee. Anderzijds zou deze benaming tevens kunnen duiden op het feit dat schuldeisers van de schulden die zijn gemaakt in het kader van het beheer van de trust – de trustschulden – een exclusieve verhaalspositie hebben en zich derhalve boven alle andere schuldeisers7 kunnen verhalen op de trustgoederen. In dat laatste geval kan de exclusiviteit in de verhaalspositie evenwel trekken van een ‘afgescheiden vermogen’ vertonen, in het bijzonder in de situatie dat een onderneming c.q. een aandeel in een openbare personenvennootschap in een trust is ondergebracht.
Mede gelet op het bovenstaande en ter voorkoming van verwarring, moeten in plaats van het begrip ‘trustvermogen’, aanduidingen als ‘het geheel van afgescheiden trustgoederen, ‘trustgoederen’ of het Nederlandse equivalent van het Anglo-Amerikaanse woord ‘trustfund’, het zogenaamde ‘trustfonds’, worden gebezigd teneinde zo dicht mogelijk te blijven bij de definitie in het Anglo-Amerikaanse trustrecht. Voorts spreekt het Anglo-Amerikaanse recht van ‘trust property’ ofwel ‘assets’ c.q. ‘trust res’, hetgeen op trustgoederen duidt.8