Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/3.3.3.4
3.3.3.4 Gebruik van voorraad
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS298334:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd in HR 4 december 2009, nr. 07/13230, V-N 2009/64.15 waarin hij overweegt: ‘3.4.4. (..) het enkele verrichten of doen verrichten van werkzaamheden aan een bedrijfsmiddel met het oog op de bestemming van het bedrijfsmiddel, houdt niet in het bezigen ervan in de zin van artikel 15, lid 4, van de Wet en ook niet de ingebruikname in de zin van artikel 20, lid 2, van de Zesde richtlijn; in dit geval is slechts sprake van gereed maken voor het beoogde gebruik (vgl. HR 10 oktober 2008, nr. 41570, UJN BF7176, BNB 2009/26).’
Zoals een voorraad drukwerk die wordt aangehouden door een verzekeraar (zie de hierna te bespreken uitspraak van het Hof Amsterdam).
Uit de hiervoor in 3.3. geciteerde rechtsoverweging van de Hoge Raad (BNB 2008/53, ro. 3.4.3) zou opgemaakt kunnen worden dat de fictie van het onmiddellijk gebruik geldt voor alle niet-investeringsgoederen (en niet-investeringsdiensten), en dus ook voor een geactiveerde voorraad van roerende zaken. Naar mijn mening is deze laatste gevolgtrekking niet juist. Op tot de geactiveerde voorraad behorende roerende zaken wordt weliswaar niet afgeschreven, maar er vinden wel afboekingen op plaats al naargelang de tot de voorraad behorende goederen worden gebruikt. Bij de aanschaf van roerende zaken die tot de (geactiveerde) voorraad gaan behoren is geen sprake van ‘uitgaven die boekhoudkundig worden verwerkt als waren zij onmiddellijk verbruikt, ongeacht de duur van het werkelijke gebruik en ongeacht of zij daadwerkelijk onmiddellijk na de aanschaf – dan wel op een later tijdstip – worden gebruikt.’ Daarom ben ik van mening dat voor deze niet-investeringsgoederen de fictie van het onmiddellijk gebruik niet geldt. Bij deze goederen is het feitelijk en administratief mogelijk om het moment van afname (het moment waarop de goederen aan de ondernemer worden geleverd) en het moment van gebruik te scheiden. De Hoge Raad lijkt zich hierbij aan te sluiten in HR 10 oktober 2008, nr. 41570, BNB 2009/26 (noot Bijl), waar hij in ro. 4.2.2. zegt dat een belanghebbende door hem aangeschafte zaken in gebruik neemt in de zin van de Wet zodra hij deze feitelijk gaat bezigen. Het klaarmaken voor het gebruik kon nog niet worden aangemerkt als het feitelijk gebruiken.1 In casu ging het om roerende zaken die, naar ik aanneem, werden geactiveerd (duohuisvuilwagens, duocontainers, stadsemmers, afvalcontainers). Bij de roerende zaken die niet geactiveerd worden maar waarbij de aanschafkosten onmiddellijk ten laste van het resultaat worden geboekt, is mijns inziens de situatie anders. Toepassing van de fictie van het onmiddellijk gebruik ligt bij deze goederen voor de hand.
Naar mijn mening maakt het geen verschil of het gaat om een handelsvoorraad, een voor een productieproces bestemde voorraad grondstoffen of halffabrikaten of om een voorraad goederen die gebruikt wordt voor te verrichten diensten.2 Op het moment dat de goederen aangeschaft en geactiveerd worden vindt de aftrek plaats op basis van de bestemming. Bij onttrekking aan de voorraad voor gebruik (verkoop, verwerking in het productieproces of bij een dienst) kan de aftrek worden herzien op basis van het gebruik. Als de aangeschafte goederen niet worden geactiveerd moeten de goederen geacht worden onmiddellijk gebruikt te worden.
In het licht van het voorstaande vraag ik mij af of Hof Amsterdam, 27 mei 2002, nr. 01/2189, V-N 2002/52.21 wel correct is. Het ging in deze zaak om een voorraad drukwerk die door een verzekeraar voor vrijgestelde verzekeringsactiviteiten zou worden gebruikt. Dat drukwerk is, vanwege een naamswijziging van het bedrijf, ongebruikt aan een papierrecyclingbedrijf verkocht om te worden vernietigd. Volgens het hof heeft belanghebbende door de belaste levering het drukwerk voor het eerst gebezigd in het kader van haar onderneming en is er op dat moment op grond van art. 15, lid 4, wet alsnog recht op teruggaaf van de eerder niet in aftrek gebrachte belasting ontstaan. Naar mijn mening had het hof moeten onderzoeken of de aanschafkosten van het drukwerk waren geactiveerd of onmiddellijk ten laste van het resultaat waren geboekt. Als het laatste het geval was geweest, had het hof naar mijn mening ervan moeten uitgaan dat het drukwerk al was gebruikt voor vrijgestelde doeleinden. Herziening van de aftrek zou dan niet meer aan de orde hebben kunnen komen.