Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.6.6.4
7.6.6.4 Objectiefrechtelijke leer, uitzonderingen
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575213:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 214. Naast het (weerlegbare) wettelijk vermoeden en het jurisprudentiële vermoeden onderscheiden zij ook nog het processuele vermoeden en het anderszins feitelijke vermoeden. Indien de rechter op grond van een bepaald processueel feit een ander niet-vaststaand feit behoudens tegenbewijs aanneemt, spreken zij van een processueel vermoeden. Indien de rechter op basis van de in een procedure gestelde en gebleken (hulp)feiten de aanwezigheid van een ander voor toewijzing van het beoogde rechtsgevolg relevant feit aanneemt (behoudens tegenbewijs) spreken zij over een feitelijk vermoeden.
Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 214.
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 214.
Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 213.
In de jurisprudentie zijn bijzondere regels van bewijslastverdeling ontstaan. Het gaat daarbij niet om wettelijke vermoedens (zoals bijvoorbeeld de door Snijders c.s. gebruikte voorbeelden als artikel 7:658 BW voor wat betreft werkgeversaansprakelijkheid en de uit het goederenrecht afkomstige bepalingen als artikel 3:109, 3:118 lid 3 en 3:119 lid 1 BW) maar om vermoedens naar ongeschreven recht. Snijders, Klaassen & Meijer duiden dit aan als jurisprudentiële vermoedens.1 Jurisprudentiële vermoedens worden wel aangeduid als omkeringsregels (§ 7.6.6.5).2 Daarbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat het niet gaat om de omkering van de bewijslast in de betekenis dat daarmee tevens het bewijsrisico wordt omgekeerd.
Het gaat bij jurisprudentiële vermoedens die worden aangeduid als omker-ingsregels om gevallen waarbij de rechter op grond van een bepaald feit een ander niet vaststaand feit aanneemt behoudens tegenbewijs. Deze situatie kan zich dus voordoen indien op grond van een vaststaand feit een niet-vaststaand feit ten voordeel van de partij met de bewijslast wordt aangenomen, behoudens tegenbewijs. De bewijslast in de zin van bewijsrisico rust na de omkering nog steeds bij degene die zich op het rechtsgevolg beroept. Wordt door middel van het tegenbewijs dat wordt aangedragen door de wederpartij het vermoeden weerlegd, dan treedt het beoogde rechtsgevolg niet in.3
In het geval de rechter besluit, op grond van een van de uitzonderingen zoals die zijn neergelegd in artikel150 Rv, de bewijslast aan een andere partij te geven dan degene die deze op grond van de objectiefrechtelijke leer zou hebben gehad is sprake van een omkering van de bewijslast en daarmee ook een omkering van het bewijsrisico, in die zin dat zowel de bewijslast als het bewijsrisico berusten bij de wederpartij van degene die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept.4