Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.4.3.2:6.4.3.2 Trihotel: Existenzvernichtungshaftung 2.0
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.4.3.2
6.4.3.2 Trihotel: Existenzvernichtungshaftung 2.0
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS586191:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Materiële onderkapitalisatie: de financiering van de vennootschap (eigen vermogen plus vreemd vermogen) staat in een wanverhouding tot haar ondernemingsactiviteiten. Dit begrip is te onderscheiden van nominale onderkapitalisatie waarbij het eigen vermogen te gering is ten opzichte van het totale vermogen. Barneveld 2014, p. 312.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Al enkele jaren na het Bremer Vulkan oordeel, stapt het BGH in zijn Trihotel-uitspraak1 af van de Durchgriffshaftung als grondslag voor de Existenzvernichtungshaftung. Het BGH oordeelt:
‘Der Senat gibt jedoch das bisherige Konzept einer eigenständigen Haftungsfigur, die an den Missbrauch der Rechtsform anknüpft und als Durchgriffs(außen)haftung des Gesellschafters gegenüber den Gesellschaftsgläubigern ausgestaltet, aber mit einer Subsidiaritätsklausel im Verhältnis zu den §§ 30, 31 GmbHG versehen ist, auf. Stattdessen knüpft er die Existenzvernichtungshaftung des Gesellschafters an die missbräuchliche Schädigung des im Gläubigerinteresse zweckgebundenen Gesellschaftsvermögens an und ordnet sie – in Gestalt einer schadensersatzrechtlichen Innenhaftung gegenüber der Gesellschaft – allein in § 826 BGB als eine besondere Fallgruppe der sittenwidrigen vorsätzlichen Schädigung ein.‘2
De Existenzvernichtungshaftung wordt door het BGH gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad (§ 826 BGB)3 en dient als een interne aansprakelijkheidsnorm tegenover de vennootschap. Verder is de Existenzvernichtungshaftung niet subsidiair aan de kapitaalbeschermingsregels §§ 31, 30 GmbHG, er bestaat tussen beide bepalingen Anspruchsgrundlagenkonkurrenz.4 Met het Trihotel-oordeel is de aansprakelijkheid van de aandeelhouder die ongeoorloofd vermogen onttrekt aan het vennootschapsvermogen, verworden van een toestandsaansprakelijkheid (qualifizierten faktischen Konzerns) tot een gedragingsaansprakelijkheid (§ 826 BGB).
Sinds de Trihotel-uitspraak hebben opvolgende oordelen de nieuwe dogmatische koers bevestigd en op onderdelen verder ontwikkeld. De Gamma-uitspraak5 en de Sanitary-uitspraak6 bevestigen de ingeslagen weg en concretiseren de grenzen van het nieuwe aansprakelijkheidsconcept.
In de Gamma-beslissing oordeelt het BGH dat de existenzvernichtender Eingriff losstaat van het leerstuk van de materieller Unterkapitalisierung (materiële onderkapitalisatie).7 Bij existenzvernichtender Eingriff gaat het om vermogen dat wordt onttrokken aan het doelgebonden vermogen dat de vennootschap aanhoudt ten behoeve van de belangen van de schuldeisers. Bij materiële onderkapitalisatie gaat het om een wanverhouding tussen de ondernemingsactiviteiten en de financiering van de onderneming. Het BGH benadrukt dat het geen ruimte ziet voor een algemene vennootschappelijke aansprakelijkheid van aandeelhouders op grond van materiële onderkapitalisatie. Het BGH laat een persoonlijke aansprakelijkheid vanwege materiële onderkapitalisatie op grond van § 826 BGB echter open.8
Met de Sanitary-uitspraak geeft het BGH te kennen dat in faillissement een vennootschap een zelfstandig vermogensbelang heeft in de zin van het Trihotel-oordeel. Ook wanneer na datum faillissement vermogensonttrekking plaatsvindt, is de existenzvernichtender Eingriff van toepassing.9 Het leerstuk bevindt zich thans in een fase van verdere inkleuring. Zo bepaalde het BGH in 2012 dat de vordering uit Existenzvernichtungshaftung verjaart volgens de algemene regels voor verjaring (§§ 195, 199 BGB) en niet conform de bijzondere voorschriften uit het GmbHG.10 Met het concretiseren van de Existenzvernichtungshaftung sinds 2007, lijkt het BHG te kiezen voor het gebruik van meer civielrechtelijke instrumenten ter lediging van GmbH-concernproblematiek.