De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/6.4.1:6.4.1 Inleiding
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/6.4.1
6.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385850:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken is gebleken dat het hoog tijd is dat de Nederlandse wetgever het vermogensrechtelijke regime voor de VOF verduidelijkt en vereenvoudigt. Ik concludeer dat het moeilijk is om vanuit goederenrechtelijk perspectief een keuze te maken voor een van de in dit hoofdstuk beschreven alternatieven, omdat aan ieder alternatief voor- en nadelen kleven. Dit betekent echter niet dat de wetgever het maar moet laten ‘bij het oude’, omdat de huidige situatie in elk geval (veel meer) onduidelijkheid en onzekerheid brengt dan veel van de besproken alternatieven. Geen enkele wetswijziging kan alle problemen oplossen en alle vragen beantwoorden. Er doen zich immers steeds weer specifieke omstandigheden voor die niet (kunnen) worden voorzien. Zou dit anders zijn, dan hadden wij niet zo’n zwaar belaste rechtspraak. Zelfs de meest bekende en geaccepteerde rechtsfiguren roepen nog steeds vragen op, leiden tot geschillen en zorgen soms voor onduidelijkheid en onkenbaarheid. Zo kan een eens overgedragen goed terug vallen aan de vervreemder als de titel voor overdracht wordt vernietigd (een eventuele inschrijving in de openbare registers geeft dan niet meer de werkelijke situatie weer), kunnen goederen worden overgedragen onder voorwaarde waarbij het voor derden niet altijd duidelijk is of de voorwaarde al dan niet is vervuld en kennen wij ook de verkrijging door vererving waarvoor bijvoorbeeld inschrijving geen constitutief vereiste is. Om al deze onduidelijkheden voor derden te verzachten, kennen wij tal van bepalingen van derdenbescherming. Ik zie niet in waarom een wettelijke regeling met waar nodig (derden)beschermende bepalingen niet ook voor contractuele samenwerkingsverbanden waarborgen zou kunnen bieden. Zo wordt het burgerlijke recht meer benaderd vanuit zijn dienende functie in plaats van als een kader dat hetgeen wenselijk is inperkt.
Het is van belang dat de wetgever voorziet in vangnetbepalingen voor die gevallen die nu onduidelijk zijn en die de vennoten niet geregeld hebben, zonder daarbij naar onrealistische perfectie te streven die de rechtsontwikkeling alleen maar stil legt. Daartoe dienen knopen te worden doorgehakt. De vennoten kunnen zelf vervolgens van veel van de door de wetgever gemaakte keuzes afwijken als de uitkomst van die keuze niet lijkt te passen bij hun specifieke verhouding. Bij geschillen kunnen zij nog steeds bij de rechter terecht.
In paragraaf 4.2. geef ik aan dat mijn voorlopige voorkeur uitgaat naar toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de VOF, gelet op de daaraan verbonden vermogensrechtelijke voordelen. In de eindconclusie in hoofdstuk 13 zal blijken dat de figuur van optionele rechtspersoonlijkheid uiteindelijk mijn voorkeur heeft.