De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/6.4.4:6.4.4 De overige opties
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/6.4.4
6.4.4 De overige opties
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS390636:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Maar zie Blanco Fernández in zijn noot bij HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, RO 2013/30; JOR 2013/133, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Biek Holdings/A. c.s.), die stelt dat ook voor het Nederlandse recht de erkenning van rechtssubjectiviteit van de vennootschap past bij de rechtsvormende taak van de Hoge Raad.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toekenning van rechtsbevoegdheid aan de VOF zonder haar rechtspersoonlijkheid toe te kennen, zoals dat voor de Duitse OHG is gebeurd, is mijns inziens een minder wenselijke figuur.1 Ik zie namelijk geen voordelen boven het toekennen van rechtspersoonlijkheid, zodat het beter lijkt om voor de reeds ingebedde figuur van rechtspersoonlijkheid te kiezen.
De aan- en afwas van (aandelen in) goederen zoals we dat in Duitsland zien, is mijns inziens een redelijk alternatief, maar heeft als groot nadeel dat er een geheel nieuwe rechtsfiguur moet worden ontworpen. Niet alleen kan dit erg lang gaan duren, maar ook kan men gaandeweg steeds weer tegen nieuwe vragen en problemen aanlopen. Zo is het de vraag of aan- en afwas ook moet kunnen plaatsvinden als een vennoot failliet is.
De Belgische bedingen van aanwas en van tontine zijn mijns inziens niet wenselijk als oplossing van de vermogensrechtelijke problemen rond de Nederlandse VOF, al was het maar omdat het aankomt op een heel precieze formulering, die uiteraard tot de nodige uitlegproblemen kan leiden. Zo kan onduidelijkheid bestaan over de uitleg van de voorwaarden en over de vraag of de voorwaarde al dan niet is ingetreden. Het kan dan ook onzeker zijn aan wie de eigendom van de goederen toekomt. De mogelijkheid om vergoeding voor erfgenamen uit te sluiten verhoudt zich niet tot het recht op de legitieme portie. De aanwezigheid van een ‘werkelijk kanscontract’ kan door erfgenamen steeds ter discussie worden gesteld, zodat steeds het gevaar van procedures en, uiteindelijk, inkorting dreigt. Het tontinebeding is mijns inziens onaanvaardbaar om de belangrijkste reden dat daar derden bij betrokken zijn en blijven die met de VOF niets te maken hebben.