Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.3.2
12.3.2 Via ontwikkelingen in de rechtspraak naar de wenselijke oplossing
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364096:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smeehuijzen, AV&S 2005.
Conclusie voor HR 25 november 2005, RvdW 2005, 130, onder 6.5 en 6.6.
Het kan wishful thinking zijn, maar ik meen in bijvoorbeeld Hof Den Haag 22 juni 2007 (LIN BB0853) al iets terug te zien van de door mij bepleitte verscherping van de gezichtspuntencatalogus. Het hof loopt, zoals de Hoge Raad de feitenrechter heeft opgedragen, alle gezichtspunten af, maar overweegt dan: 'Het voorenstaande — en met name de gezichtspunten b), e) en g) — maken, in onderlinge samenhang bezien, dat niet kan worden geoordeeld dat (...) een beroep op verjaring (...) in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.' Inderdaad zou ik aan die gezichtspunten doorslaggevende betekenis willen toekennen.
Zie over die veronderstelling hiervoor, § 12.2.3.3.
Akkermans e.a. (2004).
Het advies wordt nader besproken in § 21.3.2.
Zie § 21.3.2.
In hoeverre verschilt het huidige recht van de door mij bepleite regel? In twee opzichten: (i) de voorwaarden waaronder volgens de Hoge Raad een beroep op de objectieve termijn in strijd is met de redelijkheid en billijkheid wijken af van de voorwaarden actualiteit en verifieerbaarheid van de vordering die ik zou stellen en (ii) er is in art. 3:310 lid 5 BW de algemene uitzonderingspositie van de personenschade waarvoor ik onvoldoende grond zie.
Wat het eerste punt betreft: ik heb er in een eerdere publicatie1 al eens voor gepleit de gezichtspuntencatalogus zodanig te herzien dat hij inderdaad nog slechts een escape biedt aan actuele, verifieerbare vorderingen — zie nader verderop in dit boek. A-G Verkade schreef in zijn conclusie voorafgaand aan een na die publicatie gewezen arrest: "Het geheel van de door Smeehuijzen aangedragen argumenten acht ik alleszins het overwegen waard. (...) Toch bekeer ik mij daartoe nog niet."2 De Hoge Raad deed dat ook nog niet. Omdat ik verwacht dat de gebreken in de huidige gezichtspuntencatalogus in de toekomst bij herhaling aan de dag zullen treden, acht ik het denkbaar dat de Hoge Raad op enig moment alsnog tot aanpassing overgaat.3
Wat het tweede punt betreft: mijns inziens is er geen verjaringsrechtelijke reden onderscheid te maken tussen personenschade en andersoortige schade. Als inderdaad personenschade zich langer manifesteert dan andere schade,4 zou wat mij betreft het gevolg eenvoudig zijn dat bij personenschade de objectieve termijn vaker buiten toepassing wordt gelaten. Anders gezegd: de algemene uitzonderingsregel die ik zou bepleiten, biedt voldoende mogelijkheden om recht te doen aan de bijzondere persistentie van personenschade. Maar zo dus niet de wetgever; die zonden personenschade categorisch van toepasselijkheid van de objectieve termijn uit.
Mijn zorg dat in zaken van personenschade net zozeer als in andere zaken op enig moment het bewijsrechtelijke nulpunt wordt bereikt en de vordering door tijdsverloop relevantie verliest, is in het kader van de totstandkoming van lid 5 ook vanuit het parlement geuit — in woorden van min of meer gelijke strekking althans. Dat heeft de Minister doen besluiten drie deskundigen te vragen hier onderzoek naar te doen.5 De deskundigen bepleiten in hun advies de spiegelbeeldige toepassing van de gezichtspuntencatalogus.
Het gaat hier niet om de details van die oplossing,6 maar wel om het principiële oordeel van de deskundigen dat de rechter bij beoordeling van oude, maar nog niet verjaarde vorderingen van personenschade waarde mag toekennen aan de gevolgen van tijdsverloop. Zo kan ook bij die vorderingen, hoewel bij gebreke van een objectieve termijn geen sprake is van verjaring, het debat toch een verjaringsrechtelijke dimensie krijgen. Dat lijkt mij een belangrijk besef. Welke de wat mij betreft overwegende argumenten in dat debat zouden moeten zijn, bespreek ik verderop.7
Al met al houd ik het voor mogelijk dat de rechtspraak zich zodanig ontwikkelt dat uiteindelijk het geldend recht zo niet bijna identiek, dan toch in belangrijke mate gelijkluidend is aan de regel dat een vordering na twintig jaar verjaart, tenzij die vordering nog actueel en verifieerbaar is.