Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.1:19.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.1
19.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497114:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bevindingen in de voorbije hoofdstukken maken wel duidelijk dat deze studie een momentopname is. De gelding van het recht tegen gedwongen zelfbelasting en het nemo tenetur-beginsel waarin dit recht wortelt, varieert in de tijd. In dit hoofdstuk staat de toekomstige betekenis van het recht tegen gedwongen zelfbelasting voor Nederlandse punitieve belastingzaken centraal. Naast ontwikkelingen in de Straatsburgse en Nederlandse nemo tenetur-rechtspraak zelf, zal die betekenis door tal van andere ontwikkelingen kunnen worden bepaald. Voor wat betreft het EVRM-corpus verdient hier vermelding de ontwikkeling in de verhouding van het EHRM tot de verdragsstaten. Daarbuiten kunnen vooral technische en andere ontwikkelingen in de fiscale handhaving de (toekomstige) betekenis van nemo tenetur voor punitieve belastingzaken aanmerkelijk beïnvloeden.
Deze vooruitblik is aanleiding voor de formulering van (een denkrichting voor) een alternatieve benadering van nemo tenetur in punitieve belastingzaken, die weliswaar aansluit op de door het Hof erkende grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, maar min of meer loskomt van de huidige uitleg en toepassing van dit recht door het Hof respectievelijk de Nederlandse wetgever en rechter. Daarbij zal ik de fiscale boeteprocedure voorop stellen. Eerder bleek dat de Straatsburgse rechtspraak over het recht tegen gedwongen zelfbelasting, in fiscale strafzaken hoogstens aanvullende werking heeft.1 In fiscale boetezaken is de (zelfstandige) betekenis van dit recht (veel) groter. Zowel het boeterechtelijk zwijgrecht als de nemo tenetur-rechtspraak in Nederlandse fiscale boetezaken, steunt rechtstreeks op het in art. 6 EVRM gelezen recht tegen gedwongen zelfbelasting.2 Dit maakt vooral het fiscaal boeterecht gevoelig voor (ontwikkelingen in) de nemo tenetur-rechtspraak van het EHRM. Verandering in perceptie over de geldingskracht van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zal zich vroeg of laat kunnen vertalen in een op- of neergang van nemo tenetur-bescherming voor de (fiscale) boeteling. Ook in Straatsburg. Welke kant het op zal gaan, laat zich niet zomaar voorspellen. De Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak tendeert weliswaar naar ruime gelding van nemo tenetur als belangrijke ‘due process’-waarborg voor de integriteit van het nationale strafproces, maar een neergang is om verschillende, hierna te bespreken redenen ook goed mogelijk.