Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.6.4
5.6.4 Relativiteitsvereiste
1
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS296868:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ten aanzien van de buitencontractuele aansprakelijkheid is in aanvulling op de deelvragen zoals besproken in hoofdstuk 4 en paragraaf 5.2 tot en met 5.4 nog relevant of er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. De regel dat een handelen of nalaten als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt indien sprake is van een onrechtmatigheidscategorie (zie hoofdstuk 3.3.3), lijdt uitzondering indien er sprake is van een ‘rechtvaardigingsgrond’. Een rechtvaardigingsgrond doet de onrechtmatigheid volledig verdwijnen, zodat de aansprakelijkheid van de dader geheel wegvalt en voor een schadevergoeding geen plaats is. Bij rechtvaardigingsgronden kan allereerst gedacht worden aan de rechtvaardigingsgronden die ook in het strafrecht gelden (artikel 40-43 Wetboek van Strafrecht): overmacht (noodtoestand), noodweer, uitvoering van een wettelijk voorschrift en bevoegd gegeven ambtelijk bevel. Voorts kan toestemming van de benadeelde een omstandigheid zijn die de onrechtmatigheid wegneemt. Ik zal verder niet stilstaan bij de rechtvaardigingsgrond, omdat er geen bijzondere betekenis toekomt aan de rechtvaardigingsgrond in het licht van de accountantsaansprakelijkheid. Zie: Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, commentaar op art. 6:162 BW, aant. 7.1.2 e.v. en Spier/ Hartlief (2015), nr. 18.
Het relativiteitsvereiste vertoont raakvlakken met de causaliteitseis van art. 6:98 BW. Zowel art. 6:98 BW als het relativiteitsvereiste verschaffen een correctiemogelijkheid waarmee een te uitgebreide aansprakelijkheid voor aan derden toegebrachte schade kan worden vermeden. Tot op zekere hoogte lijkt de keuze voor het middel waarmee het doel wordt bereikt om het even. De Jong (2010b), p. 62. Zie voor de verschillende standpunten hierover: Verheij (2014).
De maatstaf van de Hoge Raad luidt: ‘Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt’ (HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 (Duwbak Linda), r.o. 3.4.1. Schade die het gevolg is van normschendend gedrag wordt derhalve slechts vergoed indien (i) de benadeelde als persoon (de kring van personen), (ii) de door hem geleden schade (het soort schade) en (iii) de wijze waarop die schade is ontstaan onder het beschermingsbereik van de geschonden norm vallen. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV (2015), § 3.4 de relativiteitsleer, nr. 129 Beschermingsstrekking norm, Spier/Hartlief (2015), p. 29.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV (2015), § 3.4 de relativiteitsleer, nr. 138 correctie Langemeijer.
Den Hollander (2016), p. 160.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV (2015), paragraaf 3.4 de relativiteitsleer, nr. 135 Relativiteitseis geldt voor alle drie onrechtmatigheidscriteria.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:163 BW, aant. 4.3.1 Inleiding; relativiteit bij ongeschreven zorgvuldigheidsnormen, met verwijzing naar Spier/Hartlief (2015), nr. 64, Lindenbergh (2007), p. 777, Lindenbergh (2007b), p. 12-13 en Klomp (1998), p. 398-402, Den Hollander (2016), 55 e. v., oefent kritiek uit op het ‘ingebakken’ karakter van de relativiteit bij ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.
Klomp (1998), p. 398-402.
Bras (2008), p. 67.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296 (Vied’Or), Van den Akker & Kostwinder (2007).
Nieuwenhuis wijst erop dat het vaak ondoenlijk is om eerst in abstracto een zorgvuldigheidsnorm te formuleren en pas vervolgens na te gaan of de benadeelde hieraan bescherming kan ontlenen. ‘In dat geval verdient het de voorkeur, het oordeel over de eventuele onzorgvuldigheid terstond te ‘relativeren’’, aldus Nieuwenhuis. Nieuwenhuis (1979), p. 620-622, Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:163 BW, aant. 4.3.1 Inleiding; relativiteit bij ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.
HR 13 oktober 2006, LJN: AW2077, C04/279HR (De Nederlandsche Bank/Stichting Vie d’Or). De Stichting Verzekeringskamer is nadien opgegaan in De Nederlandse Bank.
Het beschermingsdoel betreft de vraag of de geschonden norm naast een of meer algemene belangen ook individuele vermogensbelangen beoogt te beschermen. Hollander pleit in dit verband voor terughoudendheid. Dit is aan de orde indien de rechter de beantwoording van deze vraag aan de wetgever overlaat. Hierbij is relevant wat de wetgever hierover heeft gesteld in de wettekst en wetsgeschiedenis door middel van positieve aanwijzingen. Na beantwoording van de vraag van het beschermingsdoel, komt men toe aan de beschermingsomvang. Den Hollander pleit er in zijn dissertatie voor dat bij de beantwoording van de vraag naar het beschermingsdoel sprake dient te zijn van een terughoudende opstelling. Slechts indien vast staat dat de overtreden norm onder het beschermingsdoel valt, wordt toegekomen aan de vraag naar de beschermingsomvang. Hierbij dient volgens Den Hollander sprake te zijn van een actieve opstelling. Den Hollander (2016), p. 162/163.
Artikel 14 Wta luidt: ‘De accountantsorganisatie draagt er zorg voor dat de externe accountants die bij haar werkzaam zijn of aan haar zijn verbonden voldoen aan het bij of krachtens afdeling 3.2 bepaalde’.
Hijink (2013), p. 865/866.
RB Rotterdam 7 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:820 (Vestia/Deloitte), r.o. 3.1.
De onrechtmatige daad heeft een relatief karakter (artikel 6:163 BW). Dat wil zeggen dat de pleger van een onrechtmatige daad niet aansprakelijk is tegenover iedere benadeelde die schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten.2 Iemand die een rechtsnorm overtreedt en daardoor onrechtmatig handelt, is jegens de benadeelde slechts gehouden de door zijn daad veroorzaakte schade te vergoeden, indien de overtreden norm de strekking heeft de benadeelde in het geschonden belang te beschermen.3 Indien er sprake is van een geslaagd beroep op het ontbreken van relativiteit, wil dit niet altijd zeggen dat er geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen jegens de benadeelde. Mogelijk kan namelijk een beroep worden gedaan op de correctie Langemeijer.4 De correctie Langemeijer houdt in dat indien wordt geoordeeld dat de geschonden wettelijke norm niet strekt tot bescherming van de schade zoals die door de benadeelde is geleden, er toch sprake kan zijn van overtreding van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm jegens de benadeelde. De corrective Langemeijer biedt daarmee een incidenteel bijsturingsmechanisme.5
Het relativiteitsvereiste is van toepassing op alle drie de onrechtmatigheidscategorieën: inbreuk op een recht, strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm en strijd met een wettelijke norm.6
Relativiteit en strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm
Het relativiteitsvereiste is in het licht van mijn onderzoek uitsluitend van belang voor de aansprakelijkheid van de accountant jegens derden of van de individuele accountant jegens de opdrachtgever van de accountantsorganisatie waar hij werkzaam is (of waaraan hij als partner verbonden is). Bij deze vormen van aan sprakelijkheid is de toepasselijke norm bij het overgrote deel van de cases de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van ‘een redelijk handelende en redelijk bekwame extern controlerende accountant’ (zie paragraaf 3.3.3). In de literatuur wordt het standpunt verdedigd dat bij een schending van deze ongeschreven zorgvuldigheidnorm, de relativiteit in de toepasselijke zorgvuldigheidsnorm ‘zit ingebakken’.7 Zulks komt voort uit het feit dat de ongeschreven norm speciaal voor ieder geval wordt geconcretiseerd en geformuleerd.8 Mijns inziens zit het relativiteitsvereiste in het Vie d’Or arrest inderdaad ingebakken in het onrechtmatigheidsoordeel. De Hoge Raad hanteert in het arrest een ruime benadering ten aanzien van aansprakelijkheid jegens derden, inhoudende dat de accountant de belangen van een ruime groep derden in ogenschouw dient te nemen. Het vertrekpunt hierbij is dat derden in beginsel mogen vertrouwen op het beeld dat in de jaarrekening wordt geschetst en hun gedrag daarop mogen afstemmen.9
De Hoge Raad gaat daarmee uit van aansprakelijkheid tegenover een in beginsel onbepaalbare groep van derden voor vergoeding van vermogensschade die op een vooraf veelal niet te voorziene wijze kan ontstaan.10 Men noemt dit ook wel het relatieve karakter van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.11 Het relativiteitsvereiste heeft hierdoor geen zelfstandige betekenis.
Relativiteit en strijd met een wettelijke norm
Met betrekking tot strijd met een wettelijke norm is het Vie d’Or arrest waarin de Verzekeringskamer aansprakelijk wordt gesteld vermeldenswaardig.12 De Ver zekeringskamer is in de ogen van de polishouders tekortgeschoten in het toezicht op Vie d’Or. De polishouders beroepen zich op de norm dat het toezicht op verzekeraars op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf zorgvuldig moet worden uitgeoefend door de Verzekeringskamer. De Hoge Raad komt ter zake het beschermingsdoel van de overtreden norm13 tot de conclusie dat het wettelijk toezicht niet alleen het ‘algemeen belang van bescherming en bevordering van het vertrouwen in het verzekeringswezen’ beoogt te beschermen, maar ook de ‘individuele vermogensbelangen’ van ‘polishouders’. Het tekortschieten van de Verzekeringskamer is volgens de Hoge Raad derhalve onrechtmatig jegens polishouders die daardoor in hun individuele vermogensbelangen worden getroffen en daardoor schade lijden. Hiermee is aan het relativiteitsvereiste voldaan. Ik heb deze uitspraak opgenomen omdat deze relevant kan zijn voor de vraag of een accountantsorganisatie aansprakelijk kan worden gesteld door derden indien de accountantsorganisatie de zorgplicht van artikel 14 van de Wta14 heeft geschonden. Deze zorgplicht houdt in dat de accountantsorganisatie ervoor moet zorgen dat de aan haar verbonden externe accountants zich houden aan alle eisen die de wet aan externe accountants stelt (zie paragraaf 2.4.2.5 omtrent de eisen gesteld aan de individuele externe accountant). Het doel van de Wta is ‘een gerechtvaardigd herstel van het vertrouwen in de accountant en de door hem ten behoeve van het publiek gegeven verklaringen15’ en hiermee lijkt tevens de bescherming van individuele belanghebbenden beoogd. Hijink16 merkt ter zake artikel 14 van de Wta op dat: ‘Een nog niet beantwoorde vraag is of dit door de AFM bestuursrechtelijk vaststellen van overtredingen van controlevoorschriften door controlerend accountants die natuurlijk persoon zijn, civielrechtelijk gevolgen kan hebben voor de accountantsorganisatie waaraan zij verbonden zijn’. Wellicht zou een schending van artikel 14 Wta dus civielrechtelijk gevolgen kunnen hebben vanuit het oogpunt van strijd met een wettelijke norm en het relativiteitsvereiste. De vraag van Hijink zal aan de orde komen in het geschil tussen Vestia en Deloitte. Vestia neemt namelijk het standpunt in dat Deloitte haar zorgplicht op grond van artikel 14 Wta ter zake van de controle(s) niet is nagekomen en daardoor jegens Vestia onrechtmatig heeft gehandeld en/of tekort is gekomen.17