Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.3.3.2
V.3.3.2. Wanneer is er erfrechtelijke binding?
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS579115:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, §§ 2278, Rn. 6.
Zie over de vorm hierna par. 3.6 van dit hoofdstuk.
Ebenroth, Erbrecht, Rn. 251.
Nolting, Inhalt, Ermittlung und Grenzen der Bindung beim Erbvertrag, p. 32 e.v.
Soms wordt ook bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een bindende beschikking in een overeenkomst aansluiting gevonden bij § 2270 Abs 2 BGB, welk artikel ziet op het gemeinschaftliches Testament. Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, §§ 2278, Rn. 6.
Ebenroth, Erbrecht, Rn. 251 en de daar vermelde literatuur.
Ook voor de materiële uitleg van een beschikking moet vóóraf de vraag beantwoord worden of er al dan niet sprake is van een bindende beschikking. Afhankelijk van de beantwoording is immers uitleg van uiterste wilsbeschikkingen of uitleg van overeenkomsten aan de orde. Nolting, Inhalt, Ermittlung und Grenzen der Bindung beim Erbvertrag, p. 3.
Münch Komm – Musielak, § 2278, Rn. 3.
Voor uitleg van overeenkomsten geldt in Nederland de Haviltex-formule (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (CJHB; Haviltex). Deze houdt in dat een grammaticale uitleg niet volstaat, maar ook acht moet worden geslagen op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen partijen te dien aanzien van elkaar mochten verwachten.
Zie MünchKomm – Musielak, § 2278, Rn. 5 en de daar vermelde literatuur. Ruimer Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, §§ 2278, Rn. 9: ‘Entscheidend is aber auch, welches erkennbare Ziel der Nachlaßplanung durch die Zuwendung vervolgt wird, so daß auch Art und Wert derselben eine Rolle spielen, wie aber auch der Gedanke der Familienbindung oder der Errungenschaftsgedanke des betroffenen Vermögens. Das Bindungsint resse ist dabei aus der Sicht des Vertragspartners des verfügenden Erblassers zu bestimmen.’
Palandt-Edenhofer, BGB, § 2298, Rn. 5. Vgl. in dit kader art. 4:46 lid 3 BW.
Hiervoor is al aangegeven dat het enkele feit dat een beschikking in een overeenkomst is opgenomen niet wil zeggen dat de betrokken beschikking (erfstelling, legaat of last) bindend is. Niet zelden moet er uitleg aan te pas moet komen voor de beantwoording van de vraag of de testateur bedoeld heeft, ondanks dat de beschikking in de overeenkomst is opgenomen, de beschikking eenzijdig herroepelijk te doen zijn.1
Gelet op het feit dat de notaris bij de totstandkoming van het Erbvertrag betrokken is (§ 2276 Abs. 1 BGB),2 kan men zich de vraag stellen waarom uitlegperikelen in Duitsland geen zeldzaamheid zijn. Het advies aan partijen3 om in het Erbvertrag vast te leggen welke beschikkingen eenzijdig zijn en welke beschikkingen bindend zijn, is formeelwel aan het juiste adres, maar zou eigenlijk aan de notaris gericht moeten zijn. De notaris is eveneens betrokken bij de variant van § 2276 Abs. 2 BGB (huwelijkse voorwaarden gecombineerd met Erbvertrag), openstaand voor echtgenoten, waar de voor de huwelijkse voorwaarden vereiste vorm geldt (§ 1410 BGB). Wel moet hierbij opgemerkt worden dat het Erbvertrag ook als onderhands gesloten stuk aan de notaris kan worden aangeboden (§ 2276 BGB en § 2232 BGB), hetgeen de uitlegproblemen zou kunnen verklaren.
Er bestaat geen wettelijk vermoeden, noch een regel van uitleg dat erfstellingen, legaten en lasten, opgenomen in een overeenkomst, bindende beschikkingen zijn.
Nolting pleitte in zijn dissertatie voor een wettelijke regel van uitleg, waarbij bij twijfel wordt uitgegaan van gebondenheid aan de beschikking. Zijn motief voor een dergelijke regeling volgt uit de volgende passage:
‘Die Kritik an der Verfahrensweise der herrschenden Meinung zusammengefaßt, ist festzustellen, daß die am Interesse orientierte Auslegung eine größere Sachgerechtigkeit vortäuscht, als sie zu erreichen vermag. Rechtsprechung und Literatur bieten zwar ein einheitliches Bild. Bei genauerem Hinsehen erweist sich diese Geschlossenheit jedoch als wenig hilfreich. Ein Betroffener, der für eine Entscheidung Orientierungspunkte sucht, wird mit der Argumentation in den Entscheidungen nur wenig anfangen können. Denn das überwiegend benutzte Abgrenzungsmerkmal “Interesse” ist zu unbestimmt, als daß es etwa helfen könnte, ein Prozeßrisiko einzuschätzen.’4
Voor het gemeinschaftliches Testament bestaat in § 2270 BGB Abs. 2 wel een wettelijk vermoeden met betrekking tot de vraag of een beschikking ‘wechselbezüglich’ is.5 Hierover later in par. 3.3.3 van dit hoofdstuk meer.
Geleerd wordt dat slechts sprake is van een bindende beschikking indien dit uitdrukkelijk in de overeenkomst is opgenomen dan wel, indien dit niet het geval is, binding de wil van partijen zou zijn.6 Er is dan sprake van uitleg van overeenkomsten, als gevolg waarvan niet alleen de wil van erflater maar ook die van de andere partij of partijen centraal staat (§§ 133 BGB en 157 BGB).7 Het is niet ondenkbaar dat de verschillende partijen hier verschillende inzichten en belangen hebben. Gelet hierop geldt:
‘Vielmehr muss nach dem Inhalt der einzelnen Verfügungen differenziert und danach gefragt werden, ob durch sie der Vertragspartner des Erblassers oder ein Dritter begünstigt wird und in welchem Verhältnis der begünstigte Dritte zu den Vertragschließenden steht.’8
Deze bewoordingen doen denken aan het handvat dat art. 4:46 BW geeft: ‘verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen’. In art. 4:46 BW zijn het echter niet overeenkomsten die het object van de uitleg zijn.9
Bij de uitleg van de erfovereenkomst kan men een onderscheid maken tussen beschikkingen ten gunste van een contractspartij of ten gunste van een derde. Als vuistregel kan aangenomen worden dat beschikkingen ten behoeve van de contractspartner als bindend aangemerkt moeten worden, tenzij dringende redenen tot een andere conclusie zouden moeten voeren. Uitleg lijkt in het bijzonder tot binding te leiden indien, bijvoorbeeld, sprake is van ‘entgeltige Erbverträgen’ (met tegenprestatie/Erbverzicht).
Bij beschikkingen ten behoeve van derden is de verhouding waarin de derde tot de contractanten staat van belang bij de uitleg. Heersend is hierbij dat indien de beschikking ten gunste van een verwant van de contractant/testateur strekt, geen binding bestaat en indien de beschikking ten behoeve van een verwant van de contractant/niet-testateur strekt wel binding aangenomen wordt. Indien bijvoorbeeld door echtgenoten gemeenschappelijke kinderen ingezet worden, leidt dat op grond van ‘Lebenserfahrung’ tot het uitgangspunt dat beide contractanten, voor zover ze ook testateur zijn, binding gewild hebben. Is sprake van niet-verwanten dan zou op basis van morele gronden geconcludeerd kunnen worden dat binding beoogd is.10 Het belang (‘Interesse’) bij de binding lijkt dus grote invloed te hebben op de uitkomst van de uitleg. Bij de uitleg van de partijbedoeling mag ook gelet worden op daden en verklaringen van partijen en omstandigheden, waarvan niet blijkt uit de overeenkomst.11
Het spreekt mijns inziens voor zich dat indien de Nederlandse wetgever ooit weer zou opteren voor zuiver contractueel erfrecht deze uitlegperikelen vermeden moeten worden. Dit is niet eens moeilijk te verwezenlijken. Men zou immers kunnen bepalen dat beschikkingen slechts bindend zijn indien dit uitdrukkelijk en per beschikking is bepaald. Dit past ook bij de ingrijpendheid van de erfrechtelijke binding en de daarbij behorende ‘Belehrung’. Een en ander kan men aan de notaris toevertrouwen. Onderhandse contractuele uiterste willen moeten met man en macht bestreden worden (art. 4:95 BW).