Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.5
6.3.5 Voorbehoud tienjaarsregel bij vertalingen (<geenverwijzing>art. 30 lid 2geenverwijzing> onder b, tweede volzin)
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461629:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 25 lid 3 van de Romeinse en de Brusselse versies. Volgens art. 30 lid 2 onder b, eerste volzin, gaat het daarbij alleen om de vertaling in een taal die algemeen wordt gebruikt in het land dat het voorbehoud maakt.
Bij de Berner Conventie is door de Parijse conferentie van 1971 een Aanhangsel opgenomen dat betrekking heeft op de positie van ontwikkelingslanden (zie Actes BC 1971). Zie daarover nader Ricketson & Ginsburg 2006, p. 879-963. Merk op dat art. V lid 1 onder a (ii) van het Aanhangsel in Trb. 1972, 157 onjuist is vertaald. De bijzin 'zelfs indien het een land is dat geen lid is van de Unie' moet zijn: 'zelfs indien het niet een land is dat geen lid is van de Unie', men raadplege de Franse tekst: 'même s'il n'est pas un pays étranger á l'Union'; zie ook Actes BC 1971, p. 211 (Signed text). Terzijde: ontwikkelingslanden die gebruikmaken van de mogelijkheid van art. II van het Aanhangsel kunnen in beginsel geen voorbehouden ex art. 30 lid 2 meer maken (art. V lid 2 en 3 Aanhangsel).
Let wel: de reciprociteitsbepaling heeft alleen betrekking op het voorbehoud genoemd onder b, niet op een voorbehoud dat op grond van art. 30 lid 2 onder a is gemaakt (zie daarover Ricketson & Ginsburg 2006, p. 1086-1087).
De onderhavige uitzondering op het non-discriminatiebeginsel werkt niet 'automatisch': het gaat om een mogelijkheid waar de Unielanden gebruik van kunnen maken.
905. Inleiding. De vierde materiële-reciprociteitsuitzondering op het Berner nondiscriminatiebeginsel ligt verscholen in artikel 30 lid 2 onder b, tweede volzin, dat werd opgenomen tijdens de Stockholmse conferentie in 1967. Deze zeldzame materiële-reciprociteitsuitzondering heeft betrekking op het voorbehoud om het recht van vertaling te beperken.
906. Voorbehoud `tienjaarsregel'. Dit voorbehoud wordt genoemd in de eerste volzin van artikel 30 lid 2 onder b. Het gaat om het volgende. Artikel 8 van de Berner Conventie bepaalt dat de door de conventie beschermde auteurs gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijk werk het uitsluitend recht genieten om vertalingen te maken of daartoe toestemming te verlenen. Ten aanzien van artikel 8 kan op grond van artikel 30 lid 2 onder b, eerste volzin, een voorbehoud worden gemaakt. Dit voorbehoud houdt in dat in plaats van artikel 8, artikel 5 van de Berner Conventie van 1896 wordt toegepast, volgens welke bepaling het recht op vertaling ophoudt te bestaan indien de auteur niet binnen tien jaar na de eerste publicatie van het originele werk, van dit recht gebruikt heeft gemaakt door een vertaling te publiceren in één van de landen van de Unie (de `tienjaarsreger).1 Het voorbehoud staat alleen open voor landen die voor het eerst tot de Berner Conventie toetreden (artikel 30 lid 2 onder b, eerste volzin) en voor ontwikkelingslanden die reeds bij de Unie zijn aangesloten maar die onder eerdere versies van de conventie op dit punt geen voorbehoud hadden gemaakt (artikel V lid 1 onder a (ii) van het Aanhangsel bij de Berner Conventie).2
907. Relatieve materiële-reciprociteitsuitzondering. Op dit voorbehoud heeft de materiële-reciprociteitsuitzondering in de tweede volzin van artikel 30 lid 2 onder b betrekking. Zij kent de andere Unielanden de bevoegdheid toe om het recht van vertaling terzake van werken die in het voorbehoud-land zijn ontsprongen, tot 'een soortgelijke bescherming' ineen te laten schrompelen.3 Het gaat hier dus om een relatieve materiële-reciprociteitsuitzondering.4
908. Uitzondering ontwikkelingslanden. Deze reciprociteitsuitzondering is evenwel niet toegelaten, indien het desbetreffende land van oorsprong een ontwikkelingsland is dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig artikel V lid 1 onder a van het Aanhangsel, zo bepaalt artikel I lid 6 onder b Aanhangsel.
909. Praktijk. Voor zover valt na te gaan zijn er nu geen landen die het voorbehoud van artikel 30 lid 2 onder b, eerste volzin, maken. De reciprociteitsuitzondering in de tweede volzin heeft dus geen praktische betekenis.