De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.5:5 Conclusie
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.5
5 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948199:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
425. In dit hoofdstuk is op basis van de algemene kaders van (de werking van) zaaksvervanging de werking van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap onderzocht. Daarbij zijn zowel de hoofdregeling van artikel 1:95 lid 1 BW als de regels van aanvullende zaaksvervanging van artikel 1:94 lid 6/artikel 1:94 lid 4 oud BW aan de orde gekomen. Gebleken is dat de regeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen per saldo als een uitzondering op de werking van boedelmenging kwalificeert. Dat de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW naar zijn aard in de verkrijgende werking van boedelmenging ingrijpt, heeft tot gevolg dat goederen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW nóóit tot de huwelijksgemeenschap kunnen gaan behoren. Is een goed reeds op een andere grond van de werking van de werking van boedelmenging uitgezonderd, dan komt men aan toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW niet toe, óók niet wanneer de tegenprestatie voor de verkrijging van dat goed voor meer dan de helft ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap is gekomen. Daar staat tegenover dat de kwalificatie van artikel 1:95 lid 1 BW als uitzondering op de verkrijgende werking van boedelmenging ook een ‘verruimend’ effect heeft. Dat verruimende effect is dat artikel 1:95 lid 1 BW óók toegepast kan worden op gevallen waarin van een ‘zuiver’ geval van zaaksvervanging géén sprake is, maar er door de werking van boedelmenging toch privévermogen van een echtgenoot verloren dreigt te gaan en voor het overige aan de voorwaarden van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan.
426. Waar voor ingrijpen via een regeling van zaaksvervanging altijd een voldoende (‘nadere’) rechtvaardiging is vereist, geldt dit óók voor de regeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen. Daardoor geldt dat niet middels zaaksvervanging kan worden ingegrepen wanneer de vermogensverschuiving die tot stand dreigt te komen plaatsvindt doordat degene wiens positie wordt aangetast daar direct invloed op heeft gehad. In dat geval kwalificeert de aantasting niet als ‘ongerechtvaardigd’, waardoor een beroep op zaaksvervanging afgewezen dient te worden. Daarbij is het echter niet zo dat degene die een beroep op zaaksvervanging wil doen in het geheel géén invloed mag hebben gehad op de dreigende aantasting van zijn positie. Bij de wettelijke gemeenschap van goederen komt dit tot uitdrukking doordat een echtgenoot het meestal zelf in de hand zal hebben gehad dat zijn eerdere privégoed is vervangen door een ander goed, bijvoorbeeld doordat hij privégelden heeft aangewend voor de verwerving van een nieuw goed. In dat geval heeft die echtgenoot zélf zijn privévermogen aangewend voor de verkrijging van een ander goed, en dus zélf invloed gehad op de dreigende aantasting van zijn goederenrechtelijke positie. Waar die echtgenoot echter géén invloed op heeft is dat het vervangende goed op grond van boedelmenging vervolgens gemeenschappelijk dreigt te worden. Boedelmenging werkt immers van rechtswege. Ter bescherming tegen het effect van déze goederenrechtelijke regel, waar de betreffende echtgenoot (dus) géén invloed op heeft, is ingrijpen via zaaksvervanging gerechtvaardigd (mits ook aan de overige voorwaarden van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan).
427. In het laatste deel van dit hoofdstuk zijn vervolgens de aanvullende regels van zaaksvervanging van artikel 1:94 lid 6/artikel 1:94 lid 4 oud BW aan de orde gekomen. Daarbij is gebleken dat deze regels waar nodig analoog toegepast mogen worden om in een samenhangende keten van vervanging van goederen alle schakels van vervanging door de werking van zaaksvervanging te laten dekken. Het gaat dan met name om de keten van vervanging bij de uitoefening van wilsrechten, alsmede om de keten van vervanging bij de verkoop van privégoederen van een echtgenoot. Bij beide ketens kan men niet alle stappen van vervanging onder de directe werking van een van de aanvullende regels van zaaksvervanging of artikel 1:95 lid 1 BW scharen. De ratio achter deze bepalingen brengt in dat geval echter met zich mee dat deze regels analoog op die stappen van vervanging mogen worden toegepast. Aldus wordt in beide gevallen de hele ‘keten’ van vervanging alsnog door regels van zaaksvervanging gedekt.