Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/12.5.3.1
12.5.3.1 Inleiding
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS509680:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Alom wordt aangenomen dat achteraf een dwangsom kan worden opgelegd (zie P. SANDERS in zijn noot (sub 5) bij Pres. Rb. Breda 31 maart 1989, TvA 1989, blz. 130, P.A. STEIN in zijn noot bij RAB 11 december 1992, BR 1995, blz. 250, Burg. Rv. (VAN MIERLO), art. 611a, aant. 3, SNIJDERS, preadvies, no. 3.4 en A.I.M. VAN MIERLO, Arbitrage, beslag en executie, TvA 2006, 14 (blz. 41); in dezelfde zin RAB 11 mei 1989, TvA 1989, no. 23, College van Arbiters Stichting GIW 19 oktober 2004, TvA 2005, 21 en Pres. Rb. Breda 31 maart 1989, KG 1989, 193, TvA 1989, blz. 129, r.o. 3, derde al.; anders RAB 11 december 1992, TvA 1993, no. 5.
SNIJDERS, preadvies, no. 3.14 en A.I.M. VAN MIERLO, Arbitrage, beslag en executie, TvA 2006, 14 (blz. 43); zie vóór het bevel tot opheffing van een beslag in arbitrage STEIN in zijn noten bij RAB 21 juni 1993, BR 1995, blz. 148 respectievelijk RAB 19 mei 1994, BR 1995, blz. 73-77; tégen is W.H. HEEMSKERK in zijn noot bij RAB 9 februari 1993, BR 1993, blz. 828 (waarin het een declaratoir arbitraal vonnis tot onrechtmatigverklaring van een gelegd beslag betrof); vgl. ook PUNT, TvA 2008, blz. 87-89, tevens met betrekking tot mogelijkheden van executiegeschillen in arbitraal kort geding.
SNIJDERS, preadvies, no. 3.14 en A.I.M. VAN MIERLO, Arbitrage, beslag en executie, TvA 2006, 14 (blz. 43).
Is het constitutief vonnis bij de gewone rechter, zelfs in kort geding, niet mogelijk gemaakt omdat dit praktisch en wenselijk was? Het onderscheid tussen een condemnatoir arbitraal vonnis houdende een bevel tot opheffing en het constitutief opheffingsvonnis wordt helemaal relatief als men bedenkt dat arbiters op grond van art. 3:305 BW jo. art. 3:300 lid 1 BW zelfs een dwangvertegenwoordiger mogen aanwijzen die vervolgens de desbetreffende rechtshandeling (i e. de opheffing van het beslag) verricht.
Als wij aannemen dat arbiters bij constitutief vonnis een beslag mogen opheffen, zullen zij dit - ofschoon dit 'in kort geding iets bijzonders is' - evenals de gewone rechter ook in arbitraal kort geding mogen doen (zie PG Inv. 3, 5 en 6 (wijziging Rv, RO en Fw), blz. 96).
Een argument tégen 'opheffing in arbitrage' kan niet zijn gelegen in de wens dat de verlening van het beslagverlof en de opheffing van het beslag in één en dezelfde hand moeten blijven; de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft verleend is immers niet noodzakelijkerwijs dezelfde voorzieningenrechter die het beslag opheft (zie HR 23 februari 1996 (DICHB/IGVO), NJ 1996, 434 op grond waarvan ook de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding die volgens de gewone regels van relatieve competentie bevoegd is van de vordering tot opheffing mag kennisnemen).
Zie SNIJDERS, preadvies, no. 3.4 in fine respectievelijk A.I.M. VAN MIERLO, Arbitrage, beslag en executie, TvA 2006, 14 (blz. 40).
Vgl. ook Pres. Rb. Breda 31 maart 1989 (r.o. 3, derde alinea in fine), KG 1989, 193, TvA 1989, blz. 129, m.nt. P. Sanders) die de vordering tot oplegging van een dwangsom achteraf afwijst op de grond dat het scheidsgerecht (mogelijk in een arbitraal spoedgeding) de dwangsom kan opleggen.
Zie HvJ EG 6 oktober 1981 (Broekmeulen/Huisarts Registratie Commissie), NJ 1982, 143, HvJ EG 23 maart 1982 (Nordsee/Nordstem),NJ 1983, 149, SEW1984, blz. 539, m.nt. P. VAN NUFFEL, HvJ EG 27 april 1994 (Gem. Almelo/lJsselmifi, TvA 1995, blz. 189, m.nt. J.J. VAN HAERSOLTE-VAN HoF en HvJ EG 1 juni 1999 (Eco Swiss China Time/Benetton), NJ 2000, 339, m.nt. HTS, TvA 1999, blz. 100, m.nt. F. DE LY; vgl. ook Enquête bouwnijverheid, Eindrapport Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid en Deelproject 4, Kamerstukken II 2002/03, 28 244, no. 6, blz. 64, 279, 302 en 306-307 respectievelijk no. 11, blz. 65-69.
Verdrag van 31 maart 1965, Trb. 1965, 71; zie voor de beperkingen met betrekking tot scheidsgerechten F. DUMON met medewerking van A. VAN GELDER en J. VAN ROY, Benelux Gerechtshof, Gent 1984, no. 48; in dezelfde zin Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1044, aant. 2; anders - zo lijkt het - F. DE LY, TvA 2000, blz. 177.
Zie HvJ EG 23 maart 1982 (Nordsee/Nordstem),NJ 1983, 149, r.o. 14, SEW 1984, blz. 539, m.nt. P. VAN NUFFEL en HvJ EG 1 juni 1999 (Eco Swiss China Time/Benetton), NJ 2000, 339, m.nt. HTS, TvA 1999, blz. 100, m.nt. F. DE LY; zie voorts SANDERS, Het nieuwe arbitragerecht, art. 1044, aant. 2.4, SNIJDERS, preadvies, no. 5.4, Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1044, aant. 2, MEIJER 2010 (T&C Rv), art. 1044, aant. lb.
Thans zullen maatregelen aan de orde komen die de gewone rechter ondanks een geldige overeenkomst tot arbitrage kan gelasten, dit naast de maatregelen die het scheidsgerecht zelf kan treffen.
Maatregelen waartoe de gewone rechter bij uitsluiting bevoegd is, zullen niet aan de orde komen. Voor de laatstgenoemde maatregelen kan men denken aan maatregelen tot bewaring van recht (art. 1022 lid 2 Rv en art. 1074 lid 2 Rv jo. art. 700 Rv), aan de opheffing van bewarende beslagen (art. 705 Rv), aan maatregelen betreffende de executie van een arbitraal vonnis (executiegeschillen) (art. 438 Rv en art. 1066 leden 2-6 Rv) en kan daartoe ook worden gedacht aan de oplegging van een dwangsom achteraf (waarbij volgend op het einde van de opdracht van het scheidsgerecht betreffende een bepaalde (hoofd)veroordeling, alsnog een dwangsom wordt opgelegd voor het geval dat aan de desbetreffende (hoofd)veroordeling in het daaraan voorafgaand arbitraal vonnis niet zal worden voldaan) (art. 611a lid 1 Rv).1 Het gaat hierbij met name de vraag of arbiters dergelijke maatregelen überhaupt mogen treffen (zie 1.1 en 10.4.4.2).
Verdedigd kan overigens worden dat ook arbiters dit soort maatregelen (bijvoorbeeld de opheffing van bewarende beslagen en de oplegging van een dwangsom achteraf) kunnen treffen.
Zo bepleiten SNIJDERS en VAN MIERLO dat - in het verlengde van de mogelijkheden voor arbiters om bij condemnatoir vonnis onder oplegging van een dwangsom te bevelen dat een beslag wordt opgeheven - wordt bezien of arbiters niet ook een constitutief vonnis strekkende tot opheffmg van een conservatoir beslag zouden mogen wijzen.2 Beiden menen dat daartoe wel wetswijziging nodig is, dit - wegens de mogelijk ingrijpende gevolgen van een opheffmg - mede met het oog op introductie van de goedkeuring ("verlof tot tenuitvoerlegging") van de voorzieningenrechter voor het arbitraal constitutief opheffmgsvonnis.3 Zelf meen ik dat - als wij, zoals SNIJDERS en VAN MIERLO, de opheffmg niet van openbare orde achten - arbiters "eenvoudigweg" tot opheffing van een beslag bij constitutief vonnis bevoegd zijn.4 Arbiters mogen in het algemeen een constitutief vonnis wijzen.5 Voor een dergelijk vonnis geldt thans ook niet de eis van "verlof tot tenuitvoerlegging" (hoe ingrijpend het ook is). Hetzelfde geldt overigens voor een ingrijpend declaratoir vonnis. De ingrijpende gevolgen van een opheffing vormen mijns inziens dan ook niet voldoende rechtvaardiging voor de introductie van een "verlof tot tenuitvoerlegging" van een constitutief vonnis.6
Zelf meen ik - anders dan SNIJDERS, doch met VAN MIERLO - dat de gewone rechter (i. e. de voorzieningenrechter van de rechtbank) niet exclusief bevoegd is alsnog een dwangsom op te leggen, doch dat ook arbiters dit mogen doen.7 Wel zie ik het praktisch probleem dat volgend op een arbitraal geding en het einde van de opdracht van het scheidsgerecht voor de oplegging van een dwangsom achteraf niet gemakkelijk een nieuw scheidsgerecht wordt samengesteld voor dit soort acties. Toch zie ik wel enige ruimte op dit punt, met name als de oplegging van de dwangsom achteraf in arbitraal kort geding wordt gevorderd (vgl. art. 1051 lid 1 Rv en art. 42a en f NAI Reglement).8
Overigens zullen partijen zich in de praktijk, ook als arbiters dit soort maatregelen wel (zouden) mogen treffen, veelal toch tot de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding wenden omdat het scheidsgerechtfunctus officio is en de benoeming van een nieuw scheidsgerecht niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding blijft bevoegd ondanks een geldige overeenkomst tot arbitrage (zie 12.5.3.2).
Voor bepaalde maatregelen heeft een scheidsgerecht de medewerking van de gewone rechter nodig. Men kan hierbij denken aan het verhoor van onwillige getuigen (art. 1041 Rv) en het verzoek om inlichtingen over buitenlands recht (art. 1044 Rv) (zie 7.3.3.4). Wij zouden ook kunnen denken aan de prejudiciële vraagstelling aan het Europese Hof van Justitie waartoe een scheidsgerecht niet (rechtstreeks) bevoegd is (art. 267 VwEU).9 Hetzelfde geldt overigens met betrekking tot prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof (art. 6 Verdrag betreffende instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof).10 Verdedigd kan worden dat zulks wel mogelijk is met tussenkomst van de gewone rechter.11 Zij blijven thans buiten beschouwing.
De maatregelen die (ook) de gewone rechter — ondanks een geldige overeenkomst tot arbitrage — kan treffen zijn: de voorlopige voorzieningen in kort geding (12.5.3.2) en de voorlopige bewijsmaatregelen (12.5.3.3).