Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/10.2.2.1
10.2.2.1 Aandelenfusie
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS401774:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2e druk, Kluwer, 2000, paragraaf 14.1.1.
Wet van 24 december 1959, Stb. 499.
Wet van 10 september 1992, Stb 491.
HvJ EU 17 juli 1997, nr. C-28/95 (Leur-Bloem), BNB 1998/32. Het arrest wordt als verrassend gezien omdat het in deze zaak louter om een nationale aandelenruil ging en het de vraag was of het Europese Hof van Justitie überhaupt wel bevoegd was het EU-recht toe te passen in deze zaak.
In het Besluit IB 1941 (art. 21a) werd een bepaling ingevoerd voor aanmerkelijk belanghouders die het mogelijk maakte de bij een aandelenfusie ontstane fiscale claim door te schuiven naar de verworven aandelen. Een wettelijke faciliteit voor aandeelhouders-ondernemers en onder de vennootschapsbelasting vallende aandeelhouders-lichamen werd niet nodig geacht.1 De wetgever heeft voor het eerst een aandelenfusiefaciliteit geregeld bij de Wet van 24 december 1959.2 De aandelenfusiefaciliteit werd lange tijd gekenmerkt door twee eisen, namelijk de zogenoemde materiële fusie eis en de duurzaamheidseis. Dit hield in dat de faciliteit alleen kon worden toegepast als sprake was van een materiële onderneming die duurzaam gebundeld werd tot een in financieel en economisch opzicht grotere eenheid. De door de lidstaten op 23 juli 1990 aangenomen Fusierichtlijn werd in Nederland geïmplementeerd door middel van de Wet van 10 september 1992.3 In de parlementaire toelichting werd aangegeven dat de implementatie voornamelijk een technische aanpassing behelsde van de reeds bestaande regelingen.4 De aandelenfusiefaciliteit kreeg toen voor het eerst ook voor aandeelhouders-ondernemers en lichamen een eigen plaats in de wet, namelijk art. 14b Wet IB 1964. De materiële fusie eis bleef in eerste instantie bestaan, maar na het Leur-Bloem arrest van het Europese Hof van Justitie5 in 1997 werd deze door de wetgever niet meer als voorwaarde gesteld. Het HvJ EU achtte de materiële fusie eis strijdig met de Richtlijn en besliste dat de bij de Richtlijn ingevoerde regeling zonder onderscheid van toepassing is op elke fusie, splitsing, inbreng van activa en aandelenruil ongeacht om welke redenen deze plaatsvindt en of deze van financiële, economische of zuiver fiscale aard is. Het Leur-Bloem arrest was voor de wetgever aanleiding om de wettelijke regelingen voor de aandelenfusie (en ook de bedrijfsfusie) in 2001 te herzien.6 Tegelijkertijd werden tevens alle in de Nederlandse wet geldende antimisbruikbepalingen voor toepassing van aandelenfusie, bedrijfsfusie, juridische fusie en splitsing zoveel mogelijk gestroomlijnd. Daarmee werd getracht een betere aansluiting te vinden bij de bepalingen uit de Fusierichtlijn. De voorwaarden voor toepassing van de aandelenfusiefaciliteit zijn vanaf 2001 in art. 3.55 Wet IB 2001 opgenomen, die via de schakelbepaling art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 ook geldt voor de vennootschapsbelasting. De huidige regels omtrent de aandelenfusie worden verder besproken in hoofdstuk 10.2.4.1.