Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.3.3:7.3.3 Reformatio in peius
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.3.3
7.3.3 Reformatio in peius
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS297342:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
255
Het reformatio in peius-beginsel is van belang op het moment dat de appelrechter toekomt aan de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel. Immers, op dat moment betrekt hij stellingen van de geïntimeerde bij zijn beoordeling. Die stellingen kunnen ertoe leiden dat het voor de appellant ongunstige dictum van de uitspraak in eerste aanleg (grotendeels) in stand blijft. Waar die stellingen echter niet toe kunnen leiden, is dat de appellant met de uitspraak in appel slechter af is dan hij was geweest zonder het instellen van het appel. Immers, als de geïntimeerde meer wil dan hem in eerste aanleg is toegewezen, dan ligt het op zijn weg om (tegen dat deel van de uitspraak) incidenteel appel in te stellen. Kortom, als de consument niet met zijn wederpartij mee-appelleert, dan krijgt hij in ieder geval niet meer dan hetgeen hem bij uitspraak in eerste aanleg is toegekend. Hoe verhoudt deze regel zich tot het EU-recht?
In de Heemskerk-zaak stond het reformatio in peius-beginsel centraal. Het betrof weliswaar een bestuursrechtelijke kwestie, maar het principe is hetzelfde. De vraag die was gesteld door het Nederlandse CBb luidt als volgt: “Brengt de effectieve toepassing van het [EU-recht] met zich dat door de ambtshalve toetsing aan bepalingen van het [EU-recht] het – in het Nederlandse bestuursprocesrecht verankerde – beginsel dat een indiener van een beroep door het instellen van dat beroep niet in een nadeligere positie mag worden gebracht dan hij zou hebben verkeerd zonder het instellen van dat beroep, wordt doorbroken?”1 Nu is het reformatio in peius-beginsel in het bestuursprocesrecht wel wat verschillend van dit beginsel in het civiele appelprocesrecht. Waar het in het appelprocesrecht vooral het verdedigingsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor dient, dient het in het bestuursprocesrecht de rechtsbescherming van het individu. Daarmee lijkt mij de status van het beginsel in het appelprocesrecht van fundamenteler aard dan de status van het beginsel in het bestuursprocesrecht. Het HvJ EU beantwoordde de vraag als volgt:
“Een dergelijke verplichting [tot doorbreking van het reformatio in peius-beginsel] zou namelijk niet alleen indruisen tegen het beginsel van eerbiediging van het recht van verweer, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, die ten grondslag liggen aan een bovengenoemd verbod, maar zou voor de particulier die beroep heeft ingesteld tegen een voor hem bezwarende handeling, het risico meebrengen dat dit beroep hem in een ongunstiger positie brengt dan die waarin hij zou hebben verkeerd wanneer hij zich ervan had onthouden dit beroep in te stellen.”2
Met deze overweging maakt het HvJ EU duidelijk dat het reformatio in peius-beginsel niet hoeft te wijken voor de effectiviteit van het EU-recht. Aangezien het HvJ EU expliciet verwijst naar het verdedigingsbeginsel en de rechtszekerheid is deze overweging mijns inziens ook toepasbaar op het in het appelprocesrecht voorkomende reformatio in peius-beginsel.3