Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.5.1
9.5.1 De uitkoopprijs luidt in geld
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS600005:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Grinten acht het verdedigbaar dat in geval van een voorafgaand bod de OK de prijs overeenkomstig de tegenprestatie van het bod in aandelen vaststelt. Wel merkt hij daarbij op dat ‘[men] hiertegen kan aanvoeren, dat de wetgever heeft gedacht aan een prijs in geld’, zie Handboek (1992), p. 330.
OK 21 mei 1992 (ro. 3.2), NJ 1992/698 (Holec). In kritische zin Buijn/Storm (2013), p. 1136.
Evenzo Van Vliet (1999), p. 111-112; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/689 sub c. De vastgestelde prijs wordt ingevolge art. 2:92a/201a lid 5 BW vanaf de peildatum verhoogd met de wettelijke rente en daarnaast komen betaalbaar gestelde uitkeringen in diezelfde periode in mindering op de prijs (§ 9.2.2 sub g). Een dergelijke regeling is, zonder nader toelichting, moeilijk voorstelbaar bij een uitkoopprijs anders dan in geld. Bovendien voorziet het systeem van consignatie als bedoeld in art. 2:92a/201a lid 8 BW niet in de mogelijkheid van een prijs in natura (§ 10.4).
OK 19 juli 2001 (ro. 3.6), JOR 2001/182 (Reckitt Benckiser).
Art. 2 §3 Uitkoop-KB.
§ 327b AktG.
Art. 15 lid 5 dertiende EG-richtlijn. Het oorspronkelijke voorstel van de richtlijn kende geen keuzemogelijkheid. De prijs moest dezelfde vorm hebben als de onder het bod geboden tegenprestatie, zie hierover Hermans (2002), p. 501.
Art. 43 Overname-KB. Onder de oude Belgische regeling was uitkoop alleen mogelijk tegen een prijs in geld, zie Van der Elst (2008), p. 353; Verhoest (2008), p. 197.
S. 981(2) CA 2006. Hierover Palmer (2012), nr. 12.309.
§ 39a(3) WpÜG.
In kritische zin hierover: Hijmans van den Bergh (2006), p. 226; Josephus Jitta (2006), p. 234.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49. Tijdens de parlementaire behandeling doet de Eerste Kamer-fractie van de VVD nog tevergeefs een poging om de mogelijkheid van uitkoop tegen betaling anders dan in geld in te voeren, Kamerstukken I 2006-2007, 30 419, nr. C, p. 11.
De algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW bepaalt, anders dan de bijzondere uitkoopregeling in art. 2:359c lid 6 BW, niet expliciet dat de uitkoopprijs in geld moet luiden.1
In de uitkoopprocedure inzake Holec uit 1992 beslist de OK dat uitkoop tegen betaling van een prijs in aandelen niet in overeenstemming is met het wettelijk systeem van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW. Door een uitkoopprijs in aandelen ‘wordt de waarde van een uit te kopen aandeel niet door de rechter bepaald, doch door het moment waarop zodanig aandeel aan eiseres wordt aangeboden, hetgeen niet de bedoeling van voormeld artikel kan zijn’, aldus de OK.2 Het wettelijk systeem lijkt ook niet te zijn toegerust op de mogelijkheid van een uitkoopprijs in aandelen.3
De OK bevestigt in de Reckitt Benckiser-zaak uit 2001 dat een uitkoopprijs in aandelen niet mogelijk is. Zij motiveert haar beslissing dit keer echter met een beroep op de bescherming van de minderheidsaandeelhouders. De laatstgenoemden hebben volgens haar ‘immers recht op een uitkoopsom in – naar eigen inzicht te besteden – geld en aan hen mag niet een bepaalde besteding van die uitkoopsom worden opgedrongen’.4
Ook voor de algemene uitkoopregeling in België5 en Duitsland6 geldt dat de uitkoopprijs in geld moet luiden. Anders dan in Nederland is dit echter wel expliciet in de wet opgenomen.
Voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW bepaalt het zesde lid wel uitdrukkelijk dat de uitkoopprijs in geld moet luiden.
De dertiende EG-richtlijn geeft de lidstaten drie mogelijkheden met betrekking tot de aard van de vast te stellen prijs: (i) de prijs moet dezelfde vorm krijgen als de tegenprestatie van het voorafgaand bod, (ii) de prijs moet in geld luiden of (iii) de lidstaten kunnen bepalen dat tenminste als alternatief geld wordt geboden.7
De (vereenvoudigde) uitkoopregeling in België8 en het Verenigd Koninkrijk9 kennen de eerste variant. Duitsland heeft ten aanzien van de bijzondere uitkoopregeling voor de derde mogelijkheid gekozen.10
Voor de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW heeft de wetgever, in navolging van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW, gekozen voor de tweede variant en uitkoop tegen betaling anders dan in geld niet mogelijk gemaakt.11 De gedachte is dat het in het kader van de uitkoopregeling, dat het karakter van onteigening heeft, niet past om de minderheidsaandeelhouder te dwingen een andere vergoeding te aanvaarden dan een vergoeding in geld.12