Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.4.8
11.4.4.8 Standaardvoorwaarde 5: latent liquidatieverlies deelneming
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491484:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
De aanwezigheid van een latent liquidatieverlies blokkeert de toegang tot de wettelijke doorschuifregeling van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 omdat de latere heffing in zo’n geval niet (geheel) verzekerd is. Zie onderdeel 11.3.10.
De liquidatieverliesregeling van art. 13d en 13e Wet VPB 1969 is complex en kent nadere voorwaarden en nuanceringen.
Op grond van deze bepaling komt een liquidatieverlies slechts in aftrek ingeval de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam is voltooid in uiterlijk het derde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of nagenoeg geheel is gestaakt of, indien dat eerder is, daartoe is besloten. Deze beperking geldt niet als de belastingplichtige doet blijken dat het op een later tijdstip voltooien van de vereffening niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting.
Vgl. ook de toelichting op de voormalige standaardvoorwaarde 5 in het Beleidsbesluit V-N 2001/8.1, onderdeel 5.
In dergelijke situaties dient ook rekening te worden gehouden met de temporele voorwaarde van art. 13d, lid 14, onderdeel c, Wet VPB 1969.
Standaardvoorwaarde 5 moet per verkrijgende rechtspersoon worden toegepast.
Het begrip onderneming is als volgt gedefinieerd: de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon. Zie het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 1.1.
Zie onderdeel 11.4.4.11.
Met ingang van 1 januari 2022 wijzigt art. 20, lid 2, Wet VPB 1969. Zie de Wet van 16 december 2020, Stb. 2020, 540 en het Koninklijk Besluit van 21 mei 2021, Stb. 2021, 257. Vermoedelijk wordt deze standaardvoorwaarde dan ook aangepast, zodat de winst toerekenbaar aan de betreffende onderneming in een ander jaar boven de € 1 miljoen slechts voor de helft beschikbaar is (temporisering). Per 1 januari 2022 wijzigt namelijk ook de vergelijkbare regeling in het fiscale-eenheidsregime (art. 15ab, lid 3, Wet VPB 1969).
De termijn voor achterwaartse verliesverrekening is één jaar (art. 20, lid 2, Wet VPB 1969).
Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 6 in verbinding met bijlage 7. Daarin is onder meer de voorwaarde opgenomen dat toepassing van deze (goedkeurende) regeling met zich brengt dat het liquidatieverlies niet ook in mindering komt op de winst van de verkrijgende rechtspersoon.
Het gaat over de regeling zoals beschreven in het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 5.2. De kern daarvan is dat een nasplitsingsverlies van een verkrijger kan worden verrekend met voorsplitsingswinst van de zuivere splitser voor zover het nasplitsingsverlies toerekenbaar is aan het van de zuivere splitser afkomstige vermogen en voor zover die voorsplitsingswinst is ‘meegegeven’ aan de desbetreffende verkrijger. Zie onderdeel 11.4.4.11.
Zie art. 13d, lid 14, onderdeel b, Wet VPB 1969.
Zie art. 13e, lid 1, Wet VPB 1969, waarin nog meer voorwaarden zijn genoemd. Met de uitdrukking ‘buiten concern’ doel ik op een voortzetting door een ander dan de belastingplichtige/voortzetter of een met hem verbonden lichaam.
Behoorde de voortgezette onderneming vóór de zuivere splitsing tot het vermogen van de zuivere splitser, dan gaat het hier dus over de winst die wordt behaald met de overgenomen onderneming. Uit standaardvoorwaarde 5 kan dus (impliciet) worden afgeleid dat de staatssecretaris van mening is dat een ‘latent art. 13e-liquidatieverlies’ op grond van de fiscale indeplaatstreding kan overgaan van de splitser naar een verkrijger. Dit is lijn met de wetsgeschiedenis waarin meer in algemene zin is opgemerkt dat de verkrijgers met betrekking tot de verkregen vermogensbestanddelen de kwalificaties, omstandigheden, latente verplichtingen dan wel termijnen overnemen. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 11. Zie ook de onderdelen 11.3.11.2 en 12.5.3.
Zie Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.5.1.5, p. 388.
Een vergelijkbare standaardvoorwaarde wordt gekoppeld aan een fiscaal gefaciliteerde bedrijfsfusie, afsplitsing en juridische fusie op verzoek. In al die gevallen heeft die standaardvoorwaarde betrekking op alle lichamen die aan de betreffende reorganisatie deelnemen. Het is daarom niet voor redelijke twijfel vatbaar dat voor een fiscaal begeleide zuivere splitsing op verzoek hetzelfde geldt.
Beleidsbesluit NLF 2021/1059, bijlage 1, standaardvoorwaarde 3.
Beleidsbesluit NLF 2021/1059, onderdeel 1.1.
Standaardvoorwaarde 5 bepaalt het volgende:
“1. Als op het tijdstip van het splitsingsvoorstel, bedoeld in artikel 2:334f BW, tot het vermogen van een bij de zuivere splitsing betrokken rechtspersoon een deelneming behoort waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is besloten, geldt de volgende beperking bij de bepaling van de winst van de verkrijgende rechtspersoon van na het splitsingstijdstip.
2. Een liquidatieverlies uit hoofde van de in het vorige lid bedoelde deelneming, dat krachtens artikel 13d Wet Vpb 1969 in aanmerking mag worden genomen, komt slechts in aftrek tot het bedrag van de (overige) winst dat is toe te rekenen aan de onderneming waartoe de deelneming direct voorafgaand aan het splitsingstijdstip behoorde.
3. Het resterende bedrag wordt als liquidatieverlies in mindering gebracht op en tot ten hoogste de positieve belastbare bedragen van de verkrijgende rechtspersoon van de jaren genoemd in artikel 20, tweede lid, Wet Vpb 1969, in de volgorde waarin deze zijn ontstaan, voor zover er winst is toe te rekenen aan de desbetreffende onderneming.
4. De toerekening bedoeld in de vorige leden vindt plaats met toepassing van de winstsplitsing van voorwaarde 8 (op overeenkomstige wijze).
5. Voor zover een liquidatieverlies in een voorafgaand jaar op het belastbare bedrag in mindering wordt gebracht, zal de aanslag over dat jaar worden herzien. Over het bedrag van de herziening wordt geen belastingrente vergoed.
6. Als op het tijdstip van het splitsingsvoorstel (bedoeld in artikel 2:334f BW) tot het vermogen van een splitsende rechtspersoon een onderneming behoort waarop artikel 13e Wet Vpb 1969 van toepassing is, zijn de vorige leden van deze voorwaarde van overeenkomstige toepassing op een in verband met die onderneming door de verkrijgende rechtspersoon na het splitsingstijdstip krachtens artikel 13e in aanmerking te nemen liquidatieverlies.”
De achtergrond van standaardvoorwaarde 5
Standaardvoorwaarde 5 gaat over een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing en een op het tijdstip van het splitsingsvoorstel (zie hierna) aanwezig latent liquidatieverlies ter zake van deelnemingen.1 Op grond van art. 13d Wet VPB 1969 is de deelnemingsvrijstelling bij de houder van de deelneming niet van toepassing op een liquidatieverlies. Zo’n verlies wordt berekend door het voor de deelneming opgeofferde bedrag te verminderen met de liquidatie-uitkeringen.2 Het moment waarop het liquidatieverlies in aftrek kan worden gebracht, wordt niet beheerst door goed koopmansgebruik. Indien aan een aantal nadere voorwaarden is voldaan, komt een liquidatieverlies namelijk in aftrek op het tijdstip waarop de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam is voltooid (art. 13d, lid 14, Wet VPB 1969). Dat biedt planningsmogelijkheden, zij het dat rekening moet worden gehouden met de temporele voorwaarde van art. 13d, lid 14, onderdeel c, Wet VPB 1969.3 Het planningsgevaar dreigt als de houder van een te liquideren deelneming (op korte termijn) te weinig positieve winst verwacht waarop het (latente) liquidatieverlies in mindering kan worden gebracht. Wordt met het voltooien van de vereffening van het vermogen van die deelneming gewacht tot na een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing, dan zou het zonder deze standaardvoorwaarde mogelijk zijn om het ten tijde van de splitsing latent aanwezige liquidatieverlies pas na het splitsingstijdstip te realiseren en dit vervolgens af te zetten tegen de totale nasplitsingswinst van de verkrijger, dus zonder winstsplitsing.4
De werking van standaardvoorwaarde 5 met betrekking tot latente art. 13d-liquidatieverliezen
Standaardvoorwaarde 5, lid 1 geeft de volgende omschrijving van een latent art. 13d-liquidatieverlies: op het tijdstip van het splitsingsvoorstel als bedoeld in art. 2:334f BW behoort tot het vermogen van één of meer splitsingspartners een deelneming waarvan de onderneming (nagenoeg) geheel is gestaakt of daartoe besloten is.5 Standaardvoorwaarde 5 heeft in de eerste plaats betrekking op latente liquidatieverliezen ter zake van deelnemingen die vóór de zuivere splitsing al in handen waren van de verkrijgende rechtspersoon.6 Deze deelnemingen behoren tot zijn ‘oorspronkelijke onderneming’.7 In de tweede plaats ziet standaardvoorwaarde 5 op latente liquidatieverliezen met betrekking tot deelnemingen die de verkrijger bij de splitsing heeft overgenomen van de splitser. Deze deelnemingen maken deel uit van de ‘overgenomen onderneming’. Standaardvoorwaarde 5, lid 2 bepaalt dat een liquidatieverlies uit hoofde van de hier bedoelde deelnemingen slechts in aftrek komt tot het bedrag van de (overige) winst dat is toe te rekenen aan de onderneming waartoe de geliquideerde deelneming direct vóór het splitsingstijdstip behoorde. Op grond van standaardvoorwaarde 5, lid 4 vindt deze winsttoerekening plaats met toepassing van de winstsplitsingsregels van standaardvoorwaarde 8.8
Het is mogelijk dat het liquidatieverlies niet (geheel) in het nasplitsingsjaar waarin de vereffening is voltooid in aftrek kan worden gebracht, omdat in dat jaar te weinig winst wordt behaald door de onderneming waartoe de geliquideerde deelneming vóór de zuivere splitsing behoorde. Hiervoor bevat standaardvoorwaarde 5, lid 3 een regeling. Het (resterende) liquidatieverlies kan dan in aftrek worden gebracht op de positieve belastbare bedragen van de verkrijger van de jaren genoemd in art. 20, lid 2, Wet VPB 1969, in de volgorde waarin deze zijn ontstaan (carry back en carry forward). Dit geldt voor zover er in zo’n jaar winst is toe te rekenen aan de betreffende onderneming en tot ten hoogste het positieve belastbare bedrag van dat jaar.9 Voor zover een liquidatieverlies in mindering wordt gebracht op het belastbaar bedrag van een voorafgaand jaar, zal de aanslag over dat jaar in zoverre worden herzien (standaardvoorwaarde 5, lid 5). Over het bedrag van de herziening wordt geen belastingrente vergoed, omdat het belastbaar feit uit een later jaar stamt. Onder omstandigheden kan een liquidatieverlies zelfs achterwaarts worden verrekend met voorsplitsingswinsten van de splitsingspartner die de betreffende deelneming voorafgaand aan het splitsingstijdstip hield.10 Hierbij moet worden bedacht dat het winstverleden van de (verdwenen) zuivere splitser niet zonder meer te benaderen is. Daarom bevat de toelichting op standaardvoorwaarde 5 een specifieke goedkeurende regeling voor liquidatieverliezen die na het splitsingstijdstip worden gerealiseerd en die betrekking hebben op deelnemingen die behoren tot de overgenomen onderneming. Op grond van die goedkeuring kan het liquidatieverlies onder voorwaarden in aftrek worden gebracht op het positieve belastbare bedrag van de (verdwenen) zuivere splitser van het jaar vóór het splitsingstijdstip.11 Deze goedkeuring geldt met overeenkomstige toepassing van de regeling en voorwaarden voor de achterwaartse verliesverrekening.12
De werking van standaardvoorwaarde 5 met betrekking tot latente art. 13e-liquidatieverliezen
Op grond van standaardvoorwaarde 5, lid 6 gelden de hiervoor besproken regels ook indien tot het vermogen van een aan de zuivere splitsing deelnemende rechtspersoon op het tijdstip van het splitsingsvoorstel (art. 2:334f BW) een onderneming behoort waarop art. 13e Wet VPB 1969 van toepassing is. Dit is aan de orde als zich achtereenvolgens de volgende gebeurtenissen voordoen. Een belastingplichtige, die op een later moment zal gaan deelnemen aan een zuivere splitsing, heeft een deelneming in een lichaam dat wordt ontbonden. De belastingplichtige zet de onderneming van het ontbonden lichaam zelf voort en kan daarom nog geen liquidatieverlies in aftrek brengen.13 Vervolgens komt een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing tot stand met de belastingplichtige als splitser of verkrijger. Na de zuivere splitsing wordt de voortgezette onderneming gestaakt of (gedeeltelijk) buiten concern voortgezet, zodat de verkrijgende rechtspersoon het liquidatieverlies in aanmerking kan nemen.14 Om te verhinderen dat de verrekeningsmogelijkheden van dit verlies worden uitgebreid, bepaalt standaardvoorwaarde 5, lid 6 in verbinding met lid 2 dat het liquidatieverlies slechts in aftrek komt tot het bedrag van de (overige) winst dat is toe te rekenen aan de onderneming waartoe de art. 13e-onderneming direct vóór het splitsingstijdstip behoorde.15 Mocht de nasplitsingswinst in het jaar waarin het liquidatieverlies tot uitdrukking komt onvoldoende zijn om dit verlies direct (geheel) te verzilveren, dan gelden de hiervóór al besproken regels voor carry back en carry forward.
Simonis en Van der Velden hebben gesignaleerd dat in standaardvoorwaarde 5, lid 6 op het punt van art. 13e-ondernemingen wordt gesproken over ‘een splitsende rechtspersoon’.16 Dit impliceert volgens deze auteurs dat een latent liquidatieverlies in de zin van art. 13e Wet VPB 1969 dat toerekenbaar is aan de onderneming van de verkrijger na splitsing kan worden verrekend met winsten die toerekenbaar zijn aan de onderneming die is verkregen van de splitser. Zij achten dat niet in overeenstemming met de ratio van standaardvoorwaarde 5. Met dit laatste ben ik het eens. Het is immers de bedoeling dat een latent liquidatieverlies ex art. 13e Wet VPB 1969 van een verkrijger alleen met inachtneming van een winstsplitsing kan worden verrekend.17 Het gebruik van de woorden ‘een splitsende rechtspersoon’ in standaardvoorwaarde 5, lid 6 lijkt een omissie. Allereerst is bij een splitsing slechts sprake van één splitsende rechtspersoon. De gehanteerde terminologie ‘een splitsende rechtspersoon’ suggereert dat het er meerdere kunnen zijn en is om die reden onzuiver. Daar komt bij dat de formulering van standaardvoorwaarde 5, lid 6 lijkt te zijn geïnspireerd op de tekst van de vergelijkbare standaardvoorwaarde die wordt gekoppeld aan een fiscaal begeleide juridische fusie in de zin van art. 14b, lid 3, Wet VPB 1969.18 Daarin wordt gesproken over ‘een fuserende rechtspersoon’ en dat is als volgt gedefinieerd: een verdwijnende rechtspersoon dan wel de verkrijgende rechtspersoon.19 Het lijkt erop dat de opstellers van het beleidsbesluit zuivere splitsing het beleidsbesluit over de juridische fusie als sjabloon hebben gebruikt, waarna het woord ‘fuserende’ is vervangen door ‘splitsende’. Gelet op het voorgaande lijkt het meer dan aannemelijk dat met ‘een splitsende rechtspersoon’ in de tekst van standaardvoorwaarde 5, lid 6 zowel de splitser als de verkrijger is bedoeld. Gelet op de fiscaaltechnische toets verdient het desondanks aanbeveling deze tekst in lijn te brengen met de bedoeling ervan.