Einde inhoudsopgave
Codes en convenanten (SteR nr. 20) 2014/2.4.0
2.4.0 Introductie
mr. A.G.D. Overmars, datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- Auteur
mr. A.G.D. Overmars
- JCDI
JCDI:ADS360098:1
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bron: M. Menting, Terra incognita: de functies van gedragscodes in het privaatrecht Een verkennend empirisch onderzoek, scriptie Research Master in Law, Universiteit van Tilburg, Tilburg 2011.
De Principles zijn te vinden via www.equator-principles.com.
Interinstitutioneel Akkoord – Beter Wetgeven, PbEU 2003/C 321/01, p. 3, nr. 22. Zie voor coregulering, zelfregulering en soft law bij Europese regelgeving ook: Senden, L.A.J., Alternatieve normering in de EU, in: P.C. Westerman & A.R. Mackor (red.), Vormen van (de?)regulering, Den Haag 2008, p. 125-156.
Zie www.coc.eu.
Aanbevelingen zijn niet-bindende besluiten waarmee de Europese Unie iets wil bereiken zonder dat zij verplichtingen oplegt. Aanbevelingen kunnen over beleid voor de hele Unie gaan of zijn gericht aan individuele lidstaten. Al zijn aanbevelingen niet-bindend, er wordt van diegene aan wie de aanbeveling gericht is, wel verwacht dat die de aanwijzingen in de aanbeveling opvolgt. De politieke betekenis van de aanbevelingen en het gezag van de EU zouden moeten garanderen dat zulks op vrijwillige basis gebeurt.
Aanbeveling van de Commissie van 9 december 1996, 96/733/EG: milieuconvenanten tot uitvoering van communautaire richtlijnen, Pb EG 1996, L 333/59 en COM 96/561, en resolutie van de Raad van 7 oktober 1997 over milieuconvenanten, Pb EG 1997, C-321/6.
Bron: Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 21 januari 2003, nr. 03M448108 tot vaststelling van de Aanwijzingen voor convenanten, Stcrt. 2003, nr. 18, p. 4.
Richtlijn 2000/31/EG, PbEU 2000, L 178/1.
Richtlijn 2006/114/EG, PbEU 2006, L 376/21.
Richtlijn 2005/29/EG, PbEU 2005, L 149/22.
Zelfregulering wordt op internationaal niveau gebruikt voor bijvoorbeeld het reguleren van internationale contracten met consumenten en corporate governance van financiële instellingen.1 Vrijwel iedere multinational heeft één of meer gedragscodes. Een concreet voorbeeld van zelfregulering op internationaal niveau zijn de Equator Principles. Deze Principles vormen een set standaarden, opgesteld door de bankensector zelf, voor het op duurzame wijze financieren van projecten. Banken wereldwijd kunnen zich hier vrijwillig aan committeren.2
Ook het beleid van de Europese Commissie inzake Better Regulation besteedt uitdrukkelijk aandacht aan zelfregulering: ‘Onder zelfregulering wordt verstaan de mogelijkheid dat economische subjecten, de sociale partners, de niet-gouvemementele organisaties of de verenigingen, onderling en voor henzelf gemeenschappelijke richtsnoeren op Europees niveau vaststellen (met name gedragscodes of sectorale overeenkomsten)’.3 Door in wetgeving te verwijzen naar private normen kunnen de wettelijke bepalingen zelf beperkt blijven tot de essentiële eisen. Een dergelijke toepassing van zelfregulering sluit nauw aan bij het wetgevingskwaliteitsbeleid op Europees en nationaal niveau. Op Europees niveau komen dan ook gedragscodes tot stand, zoals de gedragscode voor het gebruik van domeinnamen eindigend op .eu (de .Eu Code of Conduct4) en de Europese gedragscode voor dierenartsen.5
Aan het gebruik en de inhoud van (milieu)convenanten als implementatiemiddel is door de Europese Commissie een aantal vereisten en richtsnoeren verbonden: al in 1996 heeft de Commissie door middel van een aanbeveling6 erkend dat milieuconvenanten beleidsinstrumenten zijn, waarmee op kosteneffectieve wijze een bijdrage aan de verwezenlijking van milieubeleid kan worden geleverd, door bevordering van een actieve benadering vanuit de industrie. In de overwegingen bij deze aanbeveling heeft de Commissie onder meer aangegeven het gebruik van (milieu)convenanten te willen bevorderen.7 Weliswaar betreft het hier een aanbeveling op milieugebied, maar aangenomen mag worden dat ook daarbuiten geldt dat de Commissie enige ruimte ziet voor de implementatie door middel van convenanten, zij het dat de aanbeveling tegelijkertijd beperkingen stelt aan het gebruik van convenanten voor implementatie. Zo moeten, ter verzekering van de volledige naleving van het desbetreffende EG-besluit, (milieu)convenanten voldoen aan de eisen van doorzichtigheid, geloofwaardigheid en betrouwbaarheid.8
Zelfregulering is ook terug te vinden in Europese richtlijnen. Zo laten bijvoorbeeld de Richtlijn inzake elektronische handel,9 de Richtlijn misleidende en vergelijkende reclame10 en de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken11 expliciet ruimte voor zelfregulering. De Richtlijn inzake elektronische handel bepaalt in overweging 49, nader uitgewerkt in artikel 16, dat de lidstaten en de Commissie de opstelling door bedrijfsorganisaties, beroepsverenigingen en consumentenverenigingen van gedragscodes, die bijdragen aan de goede toepassing van de richtlijn, moeten aanmoedigen. Ook de Richtlijn misleidende en vergelijkende reclame stelt dat vrijwillig toezicht door zelfreguleringscolleges, administratieve of gerechtelijke maatregelen kan voorkomen en dus moet worden aangemoedigd (overweging 18, nader uitgewerkt in artikel 6). In de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken wordt aangegeven dat het wenselijk is een plaats in te ruimen voor gedragscodes aan de hand waarvan handelaren in bepaalde economische sectoren de beginselen van deze richtlijn effectief kunnen toepassen (overweging 20). Ook hier volgt daarna de standaardformulering: het op nationaal of communautair niveau uitoefenen van controle door codehouders om oneerlijke handelspraktijken uit te bannen, kan het inschakelen van een administratieve of rechterlijke instantie voorkomen en moet dan ook worden aangemoedigd. Met het oog op een hoog niveau van consumentenbescherming kunnen consumentenorganisaties worden geïnformeerd over en betrokken bij het opstellen van de gedragscodes. Uitwerking van de overweging vindt plaats in artikel 10 van de richtlijn.
Hypothese
Gelet op het voorgaande luidt de op de tweede deelvraag betrekking hebbende hypothese:
Toename van de studentenmobiliteit vindt plaats onafhankelijk van de binding van een lidstaat aan de Studentenrichtlijn.