Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.2.5
21.2.5 Zelfdefinitie als essentieel onderdeel van de godsdienstvrijheid
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457634:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie 4.5.
We kunnen deze term interpreteren als ‘waarborg’.
Kuyper 1959, p. 60.
De ‘Ander’ met een hoofdletter omdat ik hiermee God bedoel. Zie ook Levinas 1987.
Joden spreken de vierletterige naam van God (JHWH) niet uit, uit respect voor de heiligheid van God en om te voorkomen dat ze de naam van God verkeerd gebruiken.
Calvijn 1931 [1536], p. 72. Hoofdstuk XI, ‘Dat het zonde is aan God een zichtbare gedaante toe te kennen, en dat in het algemeen van den waren God afwijken, alwie zich afgoden oprichten.’ Calvijn stelt op p. 83: ‘De geest van den mensch, vervuld als ze is van trots en vermetelheid, durft zich, naar eigen bevatting, God voorstellen; overeenkomstig de domheid, waaraan ze lijdt, ja de zeer grote onwetendheid, waaronder ze bedolven is, bedenkt ze ijdelheid en een ledige hersenschim in de plaats van God. Bij deze kwade dingen komt nog een nieuwe slechtheid, namelijk deze, dat de mensch God naar de opvatting, die hij innerlijk van hem heeft, tracht uit te drukken in een stuk werk.’
Zie 9.3.3.
Voor het Tweede Vaticaanse Concilie werden aan het dwalende geweten juist geen rechten toegekend. Zie de Syllabus Errorum en de encycliek Quanta Cura van 1864 van Paus Pius IX.
Paus Paulus VI, De verklaring Dignitatis Humanae, over de godsdienstvrijheid, Hilversum: Gooi en Sticht 1966, Hoofdstuk 1. ‘Algemeen karakter van de godsdienstvrijheid’, artikel 1. ‘Voorwerp en grondslag van de godsdienstvrijheid’.
‘Prof. Sauer: Vrijheid van godsdienst is fundamenteel recht voor iedereen’, Reformatorisch Dagblad, 18 september 2014.
Mertens 2012, p. 117.
Hughes 2011, p. 2; Mertens 2012, p. 115.
Hughes 2011, p. 6.
Tinder 2003, p. 238; Welker 2006, 328; Hughes 2011, p. 8.
Kierkegaard 1995 [1844], p. 79. Kierkegaard beschouwt kiezen als een eigenlijke uitdrukking van het ethische. Hij stelt dat wanneer de mens waarlijk kiest, in de zin dat hem iets echt aangaat, hij in feite een keuze maakt tussen het ‘goede’ en het ‘kwade’. Hij noemt dit de absolute differentie.
De opvattingen van deze contemporaine liberalen zou men ook als ideaaltype kunnen conceptualiseren. De reden dat dit in dit proefschrift niet is gedaan, is dat de opvattingen van deze denkers over godsdienst(vrijheid) tamelijk nieuw zijn en daardoor nog geen (grote) invloed hebben uitgeoefend op het juridische begrip van godsdienst.
Laborde 2017, p. 28.
Dworkin 2013, p. 131; Rawls 1971, p. 206.
Laborde 2017, p. 28; Seglow 2016, p. 179.
Zie ook Schutgens, TvCR 2012-1, p. 96.
Gelet op het huidige multiculturele tijdsgewricht, de individualisering van de samenleving en het gelijkheidsbeginsel is er inderdaad zoals het accommodationisme stelt, veel voor te zeggen dat de rechtsorde zoveel mogelijk moet proberen de individuele geloofsopvattingen en godsdienstuitoefening te accommoderen. Het valt eigenlijk niet uit te leggen dat de godsdienstuitoefening van de gevestigde traditionele godsdiensten wel als godsdienst wordt gekwalificeerd en exotische en onbekende vormen van godsdienstuitoefening niet. Evenzo valt niet uit te leggen dat een religie met veel aanhangers wel als zodanig wordt gekwalificeerd en een individuele godsdienst of een godsdienst met een klein aantal leden niet.
Behalve in het accommodationisme kan er ook een legitimatie voor het (individuele) recht op zelfdefinitie worden gevonden in de door mij beschreven meer gematigde varianten van het communautarisme, namelijk de gereformeerde traditie,1 in de katholieke traditie van na het Tweede Vaticaanse Concilie en in het niet-religieuze en niet-filosofisch gekleurde begrip van menselijke waardigheid. Ten slotte kan men eveneens een legitimatie voor zelfdefinitie vinden in het contemporaine liberalisme.
Een belangrijk argument voor zelfdefinitie binnen de protestantse traditie volgt uit het beginsel van de soevereiniteit van God. De aanvaarding van de soevereiniteit Gods brengt de ‘soevereiniteit in eigen kring’ van het individu, maatschappelijke kringen en ook van de staat met zich. De verhouding tussen God en het individu, de maatschappelijke kring of de staat creëert namelijk een verantwoordelijkheidsrelatie die ervoor zorgt dat men in eerste instantie verantwoording verschuldigd is aan de enige echte soeverein, namelijk God en dan pas aan de rest van de samenleving waaronder de staat. Met andere woorden, de verantwoording die men is verschuldigd aan God creëert in de psyche van de mens een morele ruimte op grond waarvan men in het uiterste geval ongehoorzaam zal zijn aan de staat en (andere) maatschappelijke kringen.
Volgens Kuyper lag het besef van de soevereiniteit Gods ten grondslag aan het verzet van de Republiek tegen Spanje en aan het ontstaan van de burgerlijke vrijheden zoals die zijn opgenomen in de Nederlandse constitutie en die van de Verenigde Staten. Van deze burgerlijke vrijheden is volgens Kuyper de soevereiniteit van de enkele persoon in geestelijke kwesties de belangrijkste. Hij noemt de soevereiniteit van de enkele persoon zelfs het ‘palladium’2 van de burgerlijke vrijheden:
‘Een heldenworsteling heeft het gekost om deze diepste van alle menselijke vrijheden aan de dwingelandij te ontwringen en bij stromen is het menselijk bloed vergoten, eer ze veroverd werd; maar juist deswege werpt dan ook elke zoon der Reformatie de eer zijner vaderen weg, die niet volhardend, en zonder van wijken te weten, voor dit palladium onzer vrijheden opkomt.’3
De soevereiniteit van het individu in geestelijke zaken zou niet alleen de vrijheid van het individu om te kiezen welke bestaande godsdienstige traditie hij of zij navolgt moeten betreffen maar ook de vrijheid om als individu zelf de inhoud van zijn of haar godsdienst te definiëren, dat wil niet alleen zeggen het zelf onafhankelijk van autoriteiten uitleggen van reeds erkende heilige bronnen (het recht dat de inzet vormde voor de reformatie) maar ook, en dat gaat nog een stap verder, het zelf bepalen wat voor hem of haar heilig is. Deze vrijheid zou bezien vanuit het beginsel van de soevereiniteit van God een essentieel onderdeel van de godsdienstvrijheid moeten zijn vanwege het geloof dat men met het definiëren van de eigen geloofsidentiteit in uitingen en gedragingen de verhouding met de allerhoogste, met God op ‘het spel’ zet. Eigenlijk is het definiëren van de eigen godsdienst dan ook geen ‘zelf’-definitie maar juist de definitie van de Ander.4 In navolging van de joodse traditie5 gaat men in de calvinistische traditie vanuit een besef van heiligheid en vol ontzag en eerbied voorzichtig om met de naam van God. Men wil letterlijk en figuurlijk geen beeld van God aanbidden maar God zelf.6 Onder andere om deze reden hadden ARP’ers ten tijde van de totstandkoming van het godslasteringsverbod problemen met het definiëren van het begrip God.7 Vanuit een besef van heiligheid wilden ze het juridische begrip godsdienst niet nader invullen.
Omdat met de definitie van godsdienst de relatie tussen God en het individu op het spel staat zou de definitie van godsdienst primair een verantwoordelijkheid van het individu moeten zijn. In aanvulling op dit uit de protestantste traditie afgeleide argument voor zelfdefinitie kan men op grond van de katholieke traditie van na het Tweede Vaticaanse Concilie8 aanvoeren dat in de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing reeds de vrijheid tot zelfdefinitie ligt besloten. In deze traditie wordt expliciet het recht op dwaling erkend. Men gaat ervan uit dat godsdienstvrijheid niet voortkomt uit het idee dat ieder mens een eigen waarheid (subjectieve gesteltenis van de mens) heeft, maar uit het idee dat de vrijheid om naar de waarheid te zoeken zelf ook een onderdeel is van de waarheid (die men kan kennen op basis van de openbaring en de rede). Waarheid legt zich volgens de katholieke kerk in vrijheid op.9 ‘Foutieve definities’ van de ware godsdienst zouden vanuit dit perspectief kunnen worden gezien als onderdeel van de zoektocht naar de ware definitie van godsdienst, namelijk die van het evangelie van Jezus Christus. Omdat foutieve definities van de ware godsdienst kunnen worden gezien als een tussenstation op weg naar de juiste definitie van de ware godsdienst moeten ze daarom net als de ‘juiste definitie’ door het recht als godsdienstig worden erkend.10
In de VN-mensenrechtenverklaringen (waarvan de Universele Verklaring van 1948 de belangrijkste is) en nationale constituties (zoals die van Duitsland, Japan en Zuid-Afrika) van na de Tweede Wereldoorlog werd het fundament van de mensenrechten niet gevonden in de soevereiniteit van God maar in de inherente waardigheid van de mens zelf. Bekend is dat de leden van de VN-commissie die was belast met het opstellen van de Universele Verklaring van 1948 een ‘metafysische fundering’ van het begrip menselijke waardigheid vermeden.11 Om de mensenrechten een universele gelding te verlenen werd verwezen naar een begrip dat niet aan één specifieke filosofische of theologische stroming was ontleend.12 De betekenis van menselijke waardigheid werd opzettelijk niet vastgelegd of in een filosofische traditie geplaatst. Men ging uit van een destijds breed gedeelde opvatting dat de mens een absolute, innerlijke en onvoorwaardelijke waarde heeft vanwege zijn mens-zijn.13 In de literatuur wordt het open begrip van menselijke waardigheid wel beschreven als een ‘heuristisch concept’. Dat wil zeggen als een begrip waarvan de basisbetekenis wel vaststaat waardoor het praktisch hanteerbaar is maar waarvan de precieze filosofische onderbouwing een uitnodiging is voor de toekomst.14
Hoewel het begrip van menselijke waardigheid niet volledig is onderbouwd is de samenhang tussen de menselijke waardigheid en mensenrechten vrij eenvoudig: mensen moeten vanwege hun inherente waardigheid met respect behandeld worden en om dit te garanderen moeten ze beschikken over fundamentele rechten. Deze fundamentele rechten hebben een universeel karakter omdat ze betrekking hebben op algemeen menselijke eigenschappen of behoeften. Op basis van het begrip van menselijke waardigheid heeft men door de codificatie van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging erkend dat er een universele, althans breed gedeelde, behoefte bestaat onder mensen om zich aan de oppervlakkigheid van het bestaan te ontrukken door er voor te kiezen om naar eigen inzicht bepaalde ‘principes’ van het hoogste, ja zelfs van existentieel belang te achten en deze na te volgen.15 Het begrip van menselijke waardigheid vergt tevens dat de keuze voor dergelijke principes en het navolgen ervan niet beperkt is tot de reeds door anderen geformuleerde principes. Wanneer de rechtsorde vanuit haar neutrale positie de mogelijkheid niet uitsluit dat er een universele waarheid is over de zin, doel en oorsprong van het bestaan moet zij de vrijheid van eenieder beschermen om te proberen om deze waarheid ‘te vangen’ in een sluitende definitie en deze definitie vervolgens als juridisch doorslaggevend beschouwen. Doet zij dit niet dan dreigt, vanwege het niet juridisch erkennen wat voor de burger van existentieel belang is, het gevaar dat de burger in een mensonwaardige existentiële crisis terecht komt.
Ten slotte kan er ook bij sommige contemporaine liberale denkers, zoals Rawls, Dworkin en Laborde een legitimatie gevonden worden voor het recht op zelfdefinitie.16 De legitimatie hiervoor lijkt net als bij de accommodationisten te zijn gelegen in de opvatting dat de gevestigde traditionele godsdiensten geen speciale status in het recht verdienen. Ze ontkennen daarbij het belang van godsdienst an sich niet maar willen het recht op de vrijheid van godsdienst vervangen door een recht dat ook de meer seculiere uitingen en gedragingen en manieren waarop men zich kan verhouden tot het ‘goede leven’ beschermt.17 Ze zien het recht op de vrijheid van godsdienst slechts als een onderdeel van een meer algemeen basisrecht op persoonlijke vrijheid of ethische onafhankelijkheid.18 Dit recht zou dan naast de historische kern van het recht op de vrijheid van godsdienst ook godsdiensten en levensbeschouwingen moeten omvatten die exotisch of singulier zijn. De betreffende liberale denkers sluiten daarbij min of meer aan bij het concept van menselijke waardigheid. Vanwege het menselijke vermogen om morele of spirituele keuzes te maken is de staat aan ieder mens het recht op zelfdefinitie verschuldigd.19 De mogelijke consequenties van het contemporaine liberale standpunt dat er geen principieel verschil bestaat tussen godsdienstige en seculiere uitingen en gedragingen20 behandel ik in 21.3.4.