De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.4.1:21.2.4.1 De regresvordering krachtens subrogatie
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.4.1
21.2.4.1 De regresvordering krachtens subrogatie
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371345:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BR 1 april 2005, RvdW 2005, 50 (Sint Lucas Andreas/ZAO).
Zie over de verjaring van het zelfstandige wettelijke verhaalsrechten nader § 21.2.4.2.
R.o. 3.7.
Zie voor het academische debat voorafgaand aan het hier besproken arrest Smeehuijzen, WPNR 2005, p. 66 e.v., met verdere verwijzingen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vorderingen tot schadevergoeding van de verzekerde op derden gaan bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar voor zover die de schade vergoedt (art. 7:962 BW). Ook na subrogatie is sprake van een "rechtsvordering tot vergoeding van schade" als bedoeld in art. 3:310 BW. Aldus is op regresvorderingen krachtens subrogatie art. 3:310 BW van toepassing.
Subrogatie wil zeggen dat de vordering tot schadevergoeding krachtens bijzondere titel over gaat op de verzekerde. De vordering verandert door de subrogatie niet van karakter zodat zij onverminderd wordt beheerst door art. 3:310 BW.
Als de regresgerechtigde krachtens subrogatie de voor aanvang van de relatieve termijn vereiste kennis later krijgt dan de direct benadeelde, is het toch niet zo dat die regresgerechtigde zijn vordering tegen de aansprakelijke partij langer kan uitoefenen dan de direct benadeelde dat had kunnen doen. Art. 6:145 BW bepaalt namelijk dat de aangesprokene aan de regresgerechtigde dezelfde verweren kan tegenwerpen als aan de direct benadeelde. Als de regresgerechtigde de voor aanvang van de relatieve termijn vereiste kennis eerder krijgt dan de direct benadeelde, gaat de relatieve termijn lopen op het moment dat hij die kennis verkrijgt. Art. 6:145 BW noopt niet tot een andere conclusie.
Na de constatering dat de regresvordering krachtens subrogatie onder de werking van art. 3:310 BW valt, is de vervolgvraag wiens kennis in het kader van de relatieve verjaringstermijn doorslaggevend is; die van de direct benadeelde of die van de regresnemer. De direct benadeelde zal over het algemeen de vereiste kennis eerder hebben dan de regresgerechtigde. Als men in die situatie ter bepaling van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van de regresvordering het Saelman-criterium toepast, gaat de verjaringstermijn van de regresvordering dus later lopen dan de verjaringstermijn van de vordering van de direct benadeelde; de regresgerechtigde raakt later dan de direct benadeelde "daadwerkelijk in staat" zijn vordering in te stellen. Dat zou betekenen dat de aansprakelijke partij langer door de regresgerechtigde dan door de direct benadeelde kan worden aangesproken. Die consequentie laat zich evenwel moeilijk rijmen met art. 6:145 BW, dat bepaalt dat de aangesprokene aan de regresgerechtigde dezelfde verweren kan tegenwerpen als aan de direct benadeelde.
De Hoge Raad heeft nog niet specifiek deze kwestie voorgelegd gekregen, maar door zijn motivering in het kader van beantwoording van een aanpalende vraag weten wij toch al wat hij vindt: de kennis van de direct benadeelde is doorslaggevend. In het betreffende arrest1 was ook aan de orde wiens kennis in geval van een regresvordering bepalend is, maar dan met betrekking tot een ander type regresvordering, namelijk een zogeheten zelfstandig wettelijk verhaalsrecht.2 De Hoge Raad overwoog:3 "Uit de toepasselijkheid van artikel 3:310 lid 1 BW [op het zelfstandige regresrecht] vloeit voort dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de verjaring van de rechtsvordering van een ziekenfonds aanvangt met ingang van de dag volgende op die waarop het zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit neemt evenwel niet weg dat het strookt met het in artikel 83b Zfw neergelegde civiele plafond aan te nemen dat een aansprakelijke persoon zich jegens het ziekenfonds erop kan beroepen dat het niet een rechtsvordering kan instellen die reeds zou zijn verjaard, zo deze niet door het ziekenfonds maar door de getroffene zelf zou zijn ingesteld. Dit wordt mede hierdoor gerechtvaardigd dat aldus geen moeilijk te verklaren verschil bestaat met de situatie waarin degene die de door de getroffene geleden schade heeft vergoed en op grond van artikel 284 WvK wordt gesubrogeerd in diens vordering op de aansprakelijke persoon, nu immers de verweermiddelen van deze ingevolge artikel 6:145 BW onverlet blijven. Te bedenken valt hierbij nog dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 83b Zfw niet valt af te leiden dat een verschil is beoogd tussen deze bepaling en het voordien ook op het verhaalsrecht van een ziekenfonds toepasselijke artikel 284 WvK."
Wij zien dat de Hoge Raad hier met betrekking tot het zelfstandig wettelijk verhaalsrecht in feite beslist dat de kennis van de direct benadeelde doorslaggevend is. Een argument om tot die beslissing te komen vindt de Hoge Raad in het feit dat anders een niet te rechtvaardigen verschil zou ontstaan met het hier ter discussie staande regresrecht krachtens subrogatie. Te dien aanzien oordeelt hij onder verwijzing naar art. 6:145 BW, enigszins vrij geformuleerd, dat ook daar de kennis van de direct benadeelde bepalend is voor het succes van de regresvordering. Zo kennen wij nu dus uit een arrest over het zelfstandig regresrecht ook de regel met betrekking tot het regresrecht krachtens subrogatie.4
Voor de volledigheid verdient nog enige aandacht de situatie spiegelbeeldig aan de voorgaande, namelijk die waarin de regresgerechtigde de kennis om zijn recht geldend te maken al wel heeft, maar de direct benadeelde nog niet. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de verzekeraar naar aanleiding van door de verzekerde verschafte informatie zelf onderzoek is gaan doen. Omdat de verzekeraar vanaf het moment dat hij zich de betreffende kennis heeft verworven daadwerkelijk in staat is zijn vordering geldend te maken, behoort op dat moment jegens hem de termijn te gaan lopen. Art. 6:145 BW noopt niet tot een andere conclusie; daar staat immers slechts dat de aangesprokene aan de regresgerechtigde de verweren kan tegenwerpen die hij ook aan de direct benadeelde had kunnen tegenwerpen. Er staat niet dat de aangesprokene aan de regresgerechtigde uitsluitend de verweren kan tegenwerpen die hij ook aan de direct benadeelde had kunnen tegenwerpen.
Overigens doet het feit dat de regresgerechtigde de vereiste kennis heeft, niet de termijn tegen de direct benadeelde aanvangen; er bestaat geen reden aan de direct benadeelde de kennis van de regresgerechtigde "toe te rekenen".