Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.4
IX.4 Juridisch-praktische werking van de onschuldpresumptie
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600916:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ I.2.
Zie uitvoerig § IV.3.2.1.; § V.3.3.2-3.3.3.
§ III.5.2 en hierna § IX.5.4.
§ V.4.
Zie § IV.4.1.4.
§ IV.2.4.2; § VI.5.1.
Vooral met betrekking tot de behandelingsdimensie blijft de richtlijn dicht bij de EHRM-rechtspraak (vgl. § VI.10). Ten aanzien van de bewijsdimensie bestaat een wezenlijke discrepantie tussen de richtlijn en de overwegingen in de preambule, waardoor onduidelijk is wat de gevolgen zijn van de naar de letter verstrekkender bepalingen van de richtlijn (vgl. § V.9).
§ V.8, i.h.b. § V.8.3.5.
Zie over de EHRM-benadering § V.8. Sinds het House of Lords in zijn arrest van 23 mei 1935, [1935] UKHL 1 (Woolmington/DPP) oordeelde dat “Throughout the web of the English Criminal Law one golden thread is always to be seen, that it is the duty of the prosecution to prove the prisoner´s guilt [...]” heeft de Engelse bewijslastdoctrine zich naar de onschuldpresumptie gericht en is aanhoudend bediscussieerd welke gevolgen de presumptie van onschuld heeft en moet hebben voor de bewijslastverdeling. Zie daarover bijv. Hamer 2007; Stumer 2010, p. 7 e.v.
Zie uitvoerig Van Kempen & Fedorova 2016, p. 57-68.
Vgl. met betrekking tot het IVBPR Nowak 2005, p. 28; Joseph & Castan 2014, p. 11 en met betrekking tot het EVRM o.a. Christoffersen 2009, p. 359 e.v.; Reid 2012, p. 57 e.v.; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 16-17.
Zie met verwijzingen naar rechtspraak Christoffersen 2009, p. 227 e.v.; Van Kempen & Fedorova 2016, p. 121-125.
Vgl. Christoffersen 2009, p. 236-239.
§ V.7.
§ V.6.
§ VI.5.2.1.
Zie bijv. over de proportionaliteit en subsidiariteit van dwangmiddelen, § IV.4.1.5-4.1.6.
Intensief toezicht op de eerbiediging van een bewijsmaatstaf maakt van het internationale orgaan onvermijdelijk een ‘vierde instantie’ waaraan een eindeloze hoeveelheid bewijsklachten zal worden voorgelegd. Daadwerkelijke vooringenomenheid laat zich niet goed nagaan, zodat het Hof niet anders kan dan uitgaan van een vermoeden dat een rechter uit hoofde van zijn functie onbevooroordeeld is. Het is aan de lidstaten dat vermoeden handen en voeten te geven door in de nodige waarborgen rondom het rechterschap te voorzien. Ook op het maken van een eigen, volle afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit van de voorlopige hechtenis in een concrete zaak zijn de internationale toezichthouders onvoldoende toegerust.
Vgl. het pleidooi van Christoffersen (2009, i.h.b. p. 524 e.v.) voor “a doctrine of multiple standards depending on the national or international nature of the institution interpreting and applying the ECHR”. Waar het EHRM niet in de positie is om een mensenrechtelijk probleem goed te beoordelen en dus ten gunste van de staat beslist, is het de taak aan de beter gepositioneerde nationale instantie om van de eigen beoordelingsruimte daadwerkelijk en indringend gebruik te maken en zo het effect van die procedurele beperkingen te ‘neutraliseren’. Vgl. voorts Van Kempen & Fedorova (2016, i.h.b. p. 166-171) die betogen dat ook waar de staten door toezichthoudende organen een ruime margin of appreciation wordt gelaten, niettemin de verplichting kan bestaan binnen die marge optimale bescherming te verzekeren.
Vgl. voor die term o.a. Van der Woude 2010.
Zie met betrekking tot Nederland § VII.5.1.
Vgl. § VI.5.2.1; § VIII.3.2.
De onschuldpresumptie raakt aan tal van strafrechtelijke kwesties. Het komt dan ook regelmatig voor dat ontwikkelingen in het strafrecht met een beroep op dat beginsel worden bekritiseerd. Toch blijkt de presumptie van onschuld meestal niet in staat nieuwe ontwikkelingen daadwerkelijk te stuiten. In de inleiding constateerde ik dat dat de indruk wekt dat de onschuldpresumptie de strafrechtspleging slechts in beperkte mate beïnvloedt en weinig maatgevend is voor de kwesties waaraan zij raakt.1 Die indruk heeft in dit onderzoek op verschillende plaatsen bevestiging gekregen. Eén eenduidige oorzaak kwam daarvoor echter niet naar voren. De reden dat de onschuldpresumptie niet steeds de positiefrechtelijke impact lijkt te hebben die men er wellicht van zou verwachten, varieert van geval tot geval. Een viertal omstandigheden verklaart samen die algemene indruk.
Onduidelijkheid over de precieze inhoud en reikwijdte van de onschuldpresumptie vormt een eerste verklaring. Gestelde spanning of strijd met het beginsel, berust vaak op een ruime uitleg ervan. De presumptie van onschuld kan de op die interpretatie gebaseerde verwachtingen niet steeds inlossen. In voorgaande hoofdstukken is de betekenis ervan in meerdere opzichten beperkter gebleken dan in de literatuur werd gemeend.
Het beginsel is bijvoorbeeld lange tijd zo uitgelegd dat alleen de rechterlijke vaststelling van schuld in een eerlijke procedure de gelding ervan kan beëindigen. Gebleken is echter dat de onschuldpresumptie weliswaar voor schuldvaststelling een daarop gerichte procedure verlangt, maar de inhoud van dat eerlijk proces als zodanig niet dicteert. Dat het in toenemende mate aan de verdachte wordt overgelaten eerst tegen een punitieve sanctie te appelleren voordat hij voor rechterlijke beoordeling in aanmerking komt, is derhalve geen kwestie waarvoor de presumptie van onschuld zelfstandige betekenis heeft.2
Daarnaast begrenst het onschuldvermoeden als theoretisch concept niet de materiële aansprakelijkheidsgrenzen. Het innige verband tussen het materiële schuldbeginsel en de onschuldpresumptie dat uit het woord ‘schuld’ wel pleegt te worden afgeleid, bestaat niet.3 Dat in de internationale rechtsbronnen slechts een partieel materieelrechtelijk schuldbeginsel uit de onschuldpresumptie is afgeleid, is daarom geen reden tot kritiek.4
Voorts is gebrek aan overeenstemming over de inhoud van de behandelingsdimensie aanleiding voor een onsuccesvol appel aan het onschuldvermoeden. Dat de behandelingsdimensie geen gebod tot bejegening als onschuldige impliceert, maar uitsluitend een verbod op bejegening als schuldige inhoudt, heeft bijvoorbeeld belangrijke repercussies voor de mate waarin dwangmiddelen met een beveiligingskarakter ermee op gespannen voet staan.5 Evenmin houdt de behandelingsdimensie een recht in op bejegening in overeenstemming met de aanwezige graad van verdenking. Bijgevolg biedt zij geen waarschuwing tegen en stelt zij in principe geen grenzen aan bijvoorbeeld de opkomst en gevaren van de ‘surveillancemaatschappij’, waarin strafvorderlijke bevoegdheden in een steeds vroeger stadium van het strafrechtelijk onderzoek (kunnen) worden uitgeoefend.6
Een tweede reden dat de onschuldpresumptie niet zo sturend is als men zou verwachten, is dat de focus in het debat over de onschuldpresumptie hoofdzakelijk ligt op de verdragsbepalingen die het beginsel codificeren. Als bekend bevatten het EVRM en het IVBPR minimumnormen. Bij de totstandkoming van de richtlijn is het daarnaast moeilijk gebleken consensus te bereiken over voorstellen die verder gingen dan de minimumnormen van het EVRM.7 Gelet op het ondergrenskarakter van het verdragsrecht, ligt het voor de hand dat de daaruit afgeleide regels niet de gehele potentiële argumentatieve waarde van de daarin neergelegde rechten waarmaken. Ook voor de onschuldpresumptie geldt dat de daaruit door het VN Mensenrechtencomité en het EHRM gedestilleerde regels niet steeds een optimum, maar doorgaans een minimum vormen. Wie zich minder richt tot die minimumnormen en meer tot de onschuldpresumptie als optimalisatiegebod, kent daaraan vaker en meer gewicht toe. Zo is de door het EHRM geboden bescherming tegen verschuiving van het bewijsrisico zelfs voor een minimumwaarborg aan de zuinige kant,8 maar legt de Engelse bewijslastdoctrine desondanks veel nadruk op de presumptie van onschuld.9
Ten derde beïnvloeden ook de meer procedurele aspecten van het toezicht op de naleving van het EVRM en het IVBPR de mate waarin de onschuldpresumptie dwingende consequenties heeft. Tussen de uit het EVRM en het IVBPR voortvloeiende verdragsverplichtingen enerzijds, en de controle op de naleving daarvan door het EHRM respectievelijk het VN Mensenrechtencomité anderzijds, moet mijns inziens worden onderscheiden. Verdragsluitende staten dragen de primaire verantwoordelijkheid voor de naleving van hun verdragsverplichtingen, ongeacht het daarop uitgeoefende toezicht. Die gedachte is wellicht ten aanzien van het EVRM wat naar de achtergrond verdwenen door de intensiteit van het Straatsburgse toezicht. Diezelfde gedachte springt echter in het oog waar een verdrag niet of nauwelijks toezichtsmechanismen kent.10Artikel 1 EVRM en artikel 2 IVBPR bevestigen met zoveel woorden dat de primaire verantwoordelijkheid voor de naleving van ook die verdragen ligt bij de individuele partijstaat.11
Deze verantwoordelijkheidsverdeling speelt een belangrijke rol bij de interpretatie en uitleg van de verdragen door het EHRM en het VN Mensenrechtencomité. Beide zien hun rol als subsidiair; voor zover de naleving van de verdragen aan de staten kan worden overgelaten, heeft dat de voorkeur.12 De margin of appreciation- en fourth instance-doctrine van het EHRM zijn beende verwoordingen van de in acht te nemen terughoudendheid.13 De democratische legitimatie van de nationale wetgevers, de grote verschillen tussen lidstaten, de beheersbaarheid van de zakenlast van de internationale organen en de institutionele toerusting van nationale autoriteiten op vaststelling van feiten en interpretatie van het nationale recht zijn voor die terughoudendheid belangrijke argumenten.
Die terughoudendheid van internationale instanties is in eerdere hoofdstukken ten aanzien van de onschuldpresumptie op diverse plaatsen gesignaleerd. Zo leidt het VN Mensenrechtencomité uit de bewijsdimensie af dat een strafbaar feit steeds “beyond reasonable doubt” moet worden bewezen en overweegt het EHRM dat “any doubt should benefit the accused”.14 De onschuldpresumptie verbiedt eveneens dat de zittingsrechter zijn onderzoek aanvangt met het idee dat de verdachte schuldig is.15 En vooral het EHRM laat er geen twijfel over bestaan dat punitief voorarrest met het EVRM in strijd is, dat voorarrest geen regel maar uitzondering moet zijn, en dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de oplegging en voortzetting van de voorlopige hechtenis serieus in acht moeten worden genomen.16 Deze uit de onschuldpresumptie voortvloeiende normen richten zich tot de in het strafproces betrokken functionaris zelf en de naleving ervan laat zich door een hogere rechter niet altijd goed controleren.17 De aard van deze normen heeft tot gevolg dat het toezicht door internationale organen op de naleving van de onschuldpresumptie misschien meer nog dan van andere mensenrechten wordt beperkt door de institutionele positie van de toezichthoudende organen, hun procedurele mogelijkheden en de verhouding met de lidstaten. Die factoren bemoeilijken namelijk in het bijzonder de controle op de naleving van dergelijke normen.18
Dat roept de vraag op of de limitaties in de rechtspraak die het gevolg zijn van de (inherente) beperkingen aan het toezicht op de naleving van het EVRM en het IVBPR ook de materiële inhoud van de uit die verdragen voortvloeiende verplichtingen in dezelfde mate begrenzen. Anders gezegd: strekken de statelijke verplichtingen er steeds toe de minimale maatregelen te nemen die een afkeurend oordeel uit Straatsburg of Genève voorkomen? Ik zou denken van niet.19 Hoe dan ook vormen de beperkingen waaraan het toezicht op de naleving van de verdragen onderhevig is, één van de redenen dat de onschuldpresumptie in sommige opzichten begrenzende kracht lijkt te ontberen.
Ten vierde heeft een deel van de normerende kracht van de onschuldpresumptie een tamelijk grote evidentie. Die evidentie is wellicht dermate groot dat de uitvloeiselen van de onschuldpresumptie niet steeds aan het beginsel worden toegeschreven. Ook zonder dat dit steeds expliciet wordt, geeft het strafvorderlijk systeem zoals we dat vandaag de dag kennen in menig opzicht uitdrukking aan het beginsel. Ondanks de opkomst van een ‘veiligheidscultuur’20 is er bij mijn weten geen westers strafrechtelijk systeem waarin bij twijfel ten aanzien van de schuld van de verdachte doorgaans voor bewezenverklaring en daarmee gepaard gaande bestraffing wordt gekozen. In zoverre is het beginsel nog immer actueel en ligt het aan de basis van elk beschaafd strafrechtelijk bewijsrecht.21 Sommige aspecten van het onschuldvermoeden zijn daarnaast inmiddels tevens geïncorporeerd in een ander grondrecht of beginsel. Het mooiste voorbeeld daarvan is het recht op vrijheid. Voor een door voorlopige hechtenis gemaakte inbreuk op het recht op vrijheid moet zowel onder het Wetboek van Strafvordering als volgens het EHRM een legitiem doel aanwijsbaar zijn. De vergelding van het strafbare feit en de bevestiging van het gezag van de overtreden norm zijn verleidelijke redenen om iemand zijn vrijheid te ontnemen. Desondanks staat het nationale recht voorarrest met een dergelijk motief niet expliciet toe en het internationale recht expliciet niet. De onschuldpresumptie is daarvoor de reden.22 Zonder aan het beginsel steeds lippendienst te bewijzen, belichamen derhalve wezenlijke en vanzelfsprekende onderdelen van de strafvordering aspecten van het vermoeden van onschuld.
Uit dit onderzoek is echter ook naar voren gekomen dat de praktische betekenis van het onschuldvermoeden op sommige terreinen juist groot is. Vooral waar het verbale bejegening als schuldige tijdens een strafproces of na afloop van een niet in veroordeling geëindigde strafprocedure betreft, stelt het EHRM tamelijk strikte grenzen die ook door Nederland niet altijd voldoende in acht worden genomen. Dat op andere vlakken het beginsel niet zo krachtig uitwerkt als de inhoud ervan zou doen vermoeden, blijkt intussen niet aan één oorzaak toe te schrijven. Van belang is te constateren dat de op die vlakken beperkte waarde van de onschuldpresumptie slechts gedeeltelijk in de aard van het beginsel besloten ligt. Enkele eruit voortvloeiende normen hebben een tamelijk abstract karakter of zijn cognitief van aard. De naleving daarvan laat zich moeilijk controleren. De onschuldpresumptie is echter bij lange na geen soft law of een louter abstract ideaal waar de jurist niet mee uit de voeten kan. Het heeft de potentie om het strafprocesrecht in meerdere opzichten wezenlijk te sturen en te begrenzen. Of dat ook daadwerkelijk gebeurt is echter mede afhankelijk van rechtspolitieke keuzen.