Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/157
157 Europese IPR onderworpen aan algemene beginselen EU recht
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS502753:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie recentelijk de voorstellen van de Europese Commissie voor verordeningen op het gebied van IPR-Huwelijksvermogensrecht en het Geregistreerde Partnerschap: COM(2011) 126 resp. COM (2011) 127.
Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), Verdrag van 4 november 1950 te Rome (Trb. 1951, 154).
Zie voor een voorbeeld in de context van de EEX-Verordening: A. Nuyts, ‘The enforcement of jurisdiction agreements further to Gasser and the community principle of abuse of rights’, in: P. de Vareilles-Sommières, Forum Shopping in the European Judicial Area, Oxford: Hart Publishing 2007, p. 59 e.v..
Zie voor een uiteenzetting van de toepassing van het misbruikbeginsel in de context van de Insolventieverordening (Verordening EG 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PbEG 2000, L 160/1)): H. Eidenmüller, ‘Abuse of law in the context of European Insolvency law’, ECFLR 2009, p. 1-28.
Sinds het Verdrag van Amsterdam de EU de mogelijkheid gaf ook op het terrein van het IPR te werken aan harmonisatie, bemoeit de EU zich intensief met het IPR. Vele verordeningen op het terrein van het IPR zijn inmiddels tot stand gekomen en het eind is nog niet in zicht.1 De harmonisatie van het IPR van de lidstaten betekent dat de in het kader daarvan tot stand gebrachte verordeningen tot het ‘Unierecht’ zijn gaan behoren. De IPR-verordeningen maken integraal onderdeel uit van het Europese recht en zijn rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten. Ook al kan de drang tot harmonisatie niet iedereen bekoren, het is een feit dat het IPR in toenemende mate Europees recht is geworden.2 De verordeningen zijn ook onderworpen aan de algemene beginselen en de uitgangspunten van Europees recht. Zij dienen in overeenstemming daarmee te worden toegepast. De belangrijkste beginselen zijn het ‘fair trial’ beginsel, zoals neergelegd in art. 6 EVRM en art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU.3 Dit beginsel, waaruit het recht op effectieve toegang tot de rechter en de berechting van geschillen binnen een redelijke termijn voortvloeien, heeft een ruim toepassingsbereik en kan van invloed zijn op de manier waarop regels van Europees IPR in de praktijk worden toegepast.4 De invloed van art. 6 EVRM is in hoofdstuk 4 aan de orde gekomen.
In dit hoofdstuk zal ik één van de beginselen van Europees recht eruit lichten: het beginsel van verbod op misbruik van Europees recht. Gezien de Europanisering van het IPR verdient het EU-rechtelijke beginsel van verbod op misbruik van unierecht ruim aandacht in een onderzoek naar parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II. De vraag in hoeverre het beginsel van misbruik van unierecht van belang kan zijn voor de interpretatie van IPR-verordeningen, met name op het gebied van het procesrecht, komt in het volgende hoofdstuk uitgebreider aan de orde.5