De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.8.3.1:17.8.3.1 'Omgaan' van de Hoge Raad
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.8.3.1
17.8.3.1 'Omgaan' van de Hoge Raad
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372593:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
IIR 14 februari 1997, NJ 1997, 244, r.o. 3.5.
Breedveld-de Voogd, Stolker, WPNR 1993, p. 203.
Voor 1-11( 25 januari 2002, NJ 2002, 169, in noot 4; een deel van de Conclusie werd hiervoor (§ 17.7.1) geciteerd.
28 januari 2004, NJF 2004, 269.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat onderhandelingen op zichzelf niet stuiten, is door de Hoge Raad bepaald. Het staat niet in de wet. De wet dwingt niet tot — wat ik beschouw als — de verkeerde oplossing. Een mogelijkheid tot verbetering van het recht op dit punt is dus het `omgaan' van de Hoge Raad. De vraag is of de Hoge Raad een koerswijziging bevredigend kan motiveren. Ik schreef eerder dat het oordeel dat onderhandelingen niet stuiten min of meer voortvloeit uit de parlementaire geschiedenis. Hoe valt dan het tegendeel te beargumenteren?
Aan het gezag van de parlementaire geschiedenis doet af dat zij innerlijk tegenstrijdig is. Het hiervoor gegeven citaat impliceert dat onderhandelingen niet zouden stuiten, maar elders in de parlementaire geschiedenis staat, zoals wij al zagen, dat het bij de schriftelijke mededeling gaat om "een — voldoende duidelijke — waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren".1 Als dát volgens de wetgever is wat stuiting beoogt, en dát wordt door onderhandelingen bewerkstelligd, waarom vindt de wetgever dan dat onderhandelingen niet stuiten? Mij lijkt die inconsistentie een gedegen argument om de parlementaire geschiedenis niet prohibitief te achten voor het aannemen van die stuitende werking, nog daargelaten overigens dat in het algemeen de parlementaire Geschiedenis weliswaar van wezenlijk, maar niet per se van doorslaggevend belang is.
Aldus redenerend lijkt mij vervolgens de weg vrij voor aanvaarding van de regel dat onderhandelingen wél stuiten. Tegen omarming door de Hoge Raad bestaan eigenlijk maar twee bezwaren: ten eerste is de opsomming van stuitingswijzen in de wet limitatief bedoeld. Zomaar buiten die opsomming aan "onderhandelingen" stuitende werking toekennen, is daarom erg moeilijk verdedigbaar. Ten tweede worden "onderhandelingen" veelal grotendeels mondeling gevoerd. De vraag naar de stuitende werking van een handeling rijst na ommekomst van de verondersteld nieuw aangevangen verjaringstermijn, dus over het algemeen na vijf jaar (zie art. 3:319 lid 2 BW). Rechtsgevolg toekennen aan een mondelinge mededeling van meer dan vijf jaar geleden is uit een oogpunt van waarheidsvinding onaantrekkelijk.
Voor beide problemen is evenwel een oplossing te vinden. De Hoge Raad kan namelijk bepalen dat een schriftelijke mededeling, gedaan in het kader van onderhandelingen, de verjaring stuit. Die mededeling moet dan beschouwd worden als mededeling in de zin van art. 3:317 BW, zodat zowel aan (i) de noodzaak om aan te sluiten bij de in de wet geregelde stuitingswijzen, als aan (ii) de wenselijkheid slechts schriftelijke handelingen stuitende werking toe te kennen, tegemoet wordt gekomen. De gemiddelde onderhandeling is vergeven van dat soort mededelingen, zodat materieel die nuancering weinig afdoet aan de regel dat onderhandelingen stuitende werking hebben.
Want nog wat nader over die schriftelijke mededeling: in lijn met het voorgaande hebben ook Stolker en Breedveld-de Voogd al ruim voor het onderhavige arrest van 1 februari 2002 betoogd dat elke schriftelijke stap gedurende onderhandelingen steeds zal moeten gelden als een mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW.2 Bakels schrijft in zijn eerder genoemde conclusie3 dat die stelling wat hem betreft "te ver gaat". Misschien gaat hun standpunt te ver in het categorische elke schriftelijke stap, maar de meeste schriftelijke stappen in een onderhandeling zullen de schuldenaar inderdaad wel doen weten dat de schuldeiser zijn vordering onverkort najaagt. Zo lijkt mij bijvoorbeeld, met de Haviltex-maatstaf voor ogen, een schriftelijke mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW: "Uw suggestie de zaak af te doen door voldoening van € 500 000 is voor mijn cliënt onaanvaardbaar. Ik bel u binnenkort op om nader over uw voorstel te spreken."
Een mooi voorbeeld van deze lijn van denken biedt het volgende eigenwijze vonnis van de Rechtbank Maastricht:4
"Zoals eiseres terecht stelt kunnen echter ook overleg cq onderhandelingen onder omstandigheden de verjaring stuiten. In dit verband ligt het voor de hand om onder "overleg" en "onderhandelen" te verstaan dat partijen schriftelijke mededelingen uitwisselen die het oogmerk hebben of kunnen hebben om tot een regeling of overeenkomst te komen. Bij het uitwisselen van schriftelijke mededelingen duwt iedere brief de verjaringstermijn weer een stukje vooruit. Uit de eigen stellingen van gedaagde blijkt nu dat eiseres middels haar raadsvrouwe bij brief van 1 december 1997 aan de aansprakelijkheidsverzekeraar van gedaagde om een onderzoek door een neuroloog en een oogarts heeft verzocht, hetgeen in onderling overleg heeft geleid tot de rapportage van na te noemen dr. Mourits. Door dit "overleg" is de verjaring gestuit nu gedaagde daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs de betekenis had moeten toekennen van een mededeling in de zin van artikel 3:317. De schriftelijke sommatie van 12 juli 2002 was derhalve niet na het verstrijken van de verjaringstermijn, maar een nieuwe stuitingshandeling."
Wat mij betreft neemt de Hoge Raad aan dit vonnis een voorbeeld wanneer hij opnieuw met de vraag naar stuitende werking van onderhandelingen wordt geconfronteerd.