Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.4.2
3.3.4.2 Trustgebreken en heling van een trust
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717529:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:130 BWC jo. art. 33 Landsbesluit van de 7de augustus 2014, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening op het Notarisambt, Publicatieblad 2014, nr. 76. Zie voor de taal waarin de notariële akte moet worden verleden, art. 3:129 BWC. De officiële talen waarin de akte kan worden verleden zijn de Papiamentse, Nederlandse, Engelse of Spaanse taal.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 6; M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek: Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Bju 2016, p. 812.
Art. 3:130 lid 1 BWC. Vgl. ook: M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek: Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Bju 2016, p. 403; Kamerstukken II, 1982/83, 17725, 3, p. 54-55; Kamerstukken II 1984/85, 17725, 7, p. 13-14.
Men denke aan bijvoorbeeld de situatie waarin de datum van het verlijden van de akte ontbreekt of het geval waarin de notaris het vereiste van art. 3:161 BWC niet in acht heeft genomen.
Art. 3:130 lid 2 BWC. Vgl.ook: Vgl. ook: M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek: Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Bju 2016, p. 403; Kamerstukken II, 1982/83, 17725, 3, p. 54-55; Kamerstukken II 1984/85, 17725, 7, p. 13-14.
Het woord ‘kan’ duidt aan dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft. Dat betekent dat de rechter niet verplicht is de trustee te veroordelen tot het herstellen van het gebrek. Zie in dit kader art. 3:131 BWC.
Totstandkomingsgebreken vallen mijns inziens niet onder art. 3:131 BWC. Een totstandkomingsgebrek leidt tot de nietigheid van een trust, zodat er geen sprake kan zijn van een bestaande trust. Slechts bij een bestaande trust kan er een beroep op heling worden gedaan.
Teneinde te voorkomen dat er op basis van de huidige wettekst verwarring ontstaat, is het wenselijk dat de Curaçaose wetgever deze aanpast. De Curaçaose trust ontstaat immers niet indien op één of andere wijze niet cumulatief is voldaan aan de constitutieve vereisten voor de totstandkoming van de trust. Men denke hierbij bijvoorbeeld aan overdrachtsgebreken waarbij de overdracht van een beoogd trustgoed niet goed is gegaan.
Volgens De Boer kan naast strijdigheid met een wettelijk voorschrift ook een wilsgebrek als een gebrek in de zin van art. 3:131 BWC worden aangemerkt. Mijns inziens moet anders dan De Boer betoogt, een wilsgebrek – behoudens dwaling in bepaalde gevallen – als een totstandkomingsgebrek worden aangemerkt, gezien het feit dat de intentie van de insteller cruciaal is voor de totstandkoming van de trust. Zie voor de classificatie van De Boer: J. de Boer, Inleiding Curaçaose trust, (Seminar Curaçao Trust in de praktijk – 28 augustus 2012), p. 3 en J. De Boer, ‘De trust naar Curaçaos recht’, WPNR 2012/6926, p. 288.
Zie ook: J. de Boer, Inleiding Curaçaose trust (Seminar Curaçao Trust in de praktijk – 28 augustus 2012), p. 3. en J. de Boer, ‘De trust naar Curaçaos recht’, WPNR 2012/6926, p. 288.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 7. Zie in dit kader ook: Statenstukken 2009/10, 2519, nr. 6 (Nota van wijziging Landsverordening trust), p. 13 (onderdeel G). Ondanks het feit dat de term ‘ongeldig’ in het wetsartikel is geschrapt, kan er nog steeds sprake zijn van een ongeldige trust.
HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1849, NJ 2008/297, mn.t. J.M.M. Maeijer, r.o. 3.5.4.
Art. 3:131 BWC.
De trust wordt naar Curaçaos recht aldus ingesteld bij notariële akte en dient te worden verleden door of ten overstaan van een Curaçaose notaris in de taal die de insteller kiest, mits de notaris deze taal verstaat.1 Met de instelling van de trust bij notariële akte heeft de Curaçaose wetgever het waarborgen van de rechtszekerheid beoogd.2
Aan de instelling van de trust bij notariële akte kunnen gebreken kleven. Deze gebreken kunnen mijns inziens naar hun aard – krachtens hetgeen indirect kan worden afgeleid uit de wet – worden verdeeld in totstandkomingsgebreken en instellingsgebreken.3 In de eerste situatie ontbreekt een door de notaris ondertekende akte en is er sprake van een totstandkomingsgebrek.4 Dit gebrek wordt gestraft met nietigheid met als gevolg dat er geen trust tot stand komt. In de tweede situatie is er wel sprake van een door de notaris ondertekende akte, doch mist deze kracht van authenticiteit of is er sprake van een gebrek dat niet leidt tot nietigheid van de trust.5 Aan het ontstaan van de trust wordt hierdoor toch geen afbreuk gedaan.6
Uit het bepaalde in art. 3:130 lid 2 BWC kan worden afgeleid dat authenticiteit géén noodzakelijk vereiste is voor de totstandkoming van de trust. Op dit laatste heeft de Curaçaose wetgever echter een uitzondering gemaakt. Indien een trust door een bij een notariële akte gemaakte uiterste wilsbeschikking is ingesteld en er kleeft hieraan een instellingsgebrek, leidt dit gebrek tot nietigheid van de trust en is er hierdoor geen sprake van het bestaan van een trust.7 Voor de uiteengezette regeling van art. 3:130 lid 2 BWC lijkt de Curaçaose wetgever aansluiting te hebben gezocht bij de algemene bepalingen omtrent de oprichting van een rechtspersoon in boek 2 BWC.8
Alhoewel de trust bij notariële akte wordt ingesteld, kan er, zoals uit het bovenstaande volgt, bij de instelling hiervan een aantal gebreken optreden. Wanneer er aan de trust gebreken kleven, biedt de wet op grond van art. 3:131 BWC de mogelijkheid om de desbetreffende gebreken te helen. Bij een zodanig gebrek kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van de insteller, een andere belanghebbende of het openbaar ministerie, de optredende trustee veroordelen tot het verrichten van hetgeen nodig is voor de geldige instelling van de trust, met inbegrip van de aanpassing van de trustakte.9
Welke gebreken de Curaçaose wet precies bedoelt, valt niet uit de wettekst af te leiden. Vanuit mijn invalshoek dienen enkel de instellingsgebreken – en dus de gebreken die niet essentieel zijn voor het bestaan van de trust – onder art. 3:131 BWC te vallen.10/11 Men denke hierbij aan het hiervoor genoemde authenticiteitsgebrek of in bepaalde gevallen strijdigheid met een wetsbepaling.12 De wetgever laat zich evenmin uit over de vraag of aan de heling13 terugwerkende kracht kan worden toegekend. De Boer is van mening dat aan de heling terugwerkende kracht moet worden verleend, gezien het feit dat de wet op grond van art. 3:133 lid 1 BWC terugwerkende kracht verleent ingeval van een wijziging wegens onvoorziene omstandigheden.14 Ik deel deze opvatting.
Indien men geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot heling of de rechter de optredende trustee niet tot herstel van de gebreken heeft verplicht, blijven de gebreken kleven aan de bestaande trust. In een zodanige omstandigheid ontbindt de rechter in eerste aanleg de trust op verzoek van het openbaar ministerie, op de grond dat aan de trust gebreken kleven of in het belang van de openbare orde.15 Dit heeft het einde van de trust tot gevolg.
In de memorie van toelichting wordt er echter gesproken van het ontbinden van een ongeldige trust. Het voorgaande is als volgt beschreven:
“Indien de trust ongeldig is kan deze worden ontbonden door de rechter in eerste aanleg (…), behoudens heling (…).”16
In casu wordt de term ‘ongeldig’ ongelukkig gebruikt. Immers, tussen de termen ongeldigheid en nietigheid maakt de rechtspraak geen onderscheid en zij leiden tot dezelfde rechtsgevolgen.17 Dit heeft tot gevolg dat ingeval van een ongeldigheid (lees ook: nietigheid) de ontbinding niet aan de orde komt, gezien het feit dat een ongeldige trust geacht wordt nimmer te hebben bestaan. Enkel bij een bestaande trust kan de ontbinding plaatsvinden.
Voor wat betreft de regeling zelf, is deze curieus. De wetgever geeft aan dat de rechter “de als trustee fungerende persoon [kan] veroordelen tot het verrichten van hetgeen nodig is voor de geldige instelling van de trust, daaronder begrepen de aanpassing van de trustakte.”18 Enerzijds zijn de bovenbeschreven handelingen eerder weggelegd voor de insteller. Dit, gezien het feit dat de trustintentie van de insteller kenmerkend is voor de instelling van de trust en de (beoogde) trustee door het verrichten van deze handelingen een inbreuk kan maken op de wil van de insteller.19 Anderzijds is het niet onbegrijpelijk dat de Curaçaose wetgever gekozen heeft voor de bewoordingen in art. 3:131 BWC. De trustee is door de totstandkoming van een rechtsgeldige trust immers volledig rechthebbende geworden en dient als rechthebbende deze handelingen te verrichten om de desbetreffende gebreken op te heffen. Wordt het voorgaande in ogenschouw genomen, dan dient de rechter mijns inziens zowel – indien mogelijk – de insteller als de trustee te veroordelen tot heling indien een ‘inter vivos’ trust is ingesteld. Ingeval een testamentaire trust in het leven is geroepen, dient de heling – de trust is dan wel rechtsgeldig tot stand gekomen – door de trustee en voor zover mogelijk, door de begunstigde(n) en de protector te geschieden.