Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.2.1
V.2.1. Huwelijksgiften, algemeen
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577933:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Bruijn-Soons-Kleijn, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, p. 635. Voor de geschiedenis van de huwelijksgiften wordt verwezen naar p. 636 e.v. en de daar aangehaalde literatuur. Hoewel begrijpelijk, is het jammer dat in de De Bruijn-Soons-Kleijn-Huijgen-Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, minder aandacht is besteed aan giften bij huwelijkse voorwaarden dan in vorige drukken.
In dit verband moet de opvatting dat bij het einde van het huwelijk de contractuele erfstelling of het contractuele legaat vervalt, als hoofdregel, bestreden worden. Het vervallen zou immers niet passen bij de achtergrond van de regeling. Wel kan uitleg tot deze conclusie voeren, op vergelijkbare wijze als dat onder omstandigheden het geval is bij ‘normale’ uiterste wilsbeschikkingen. Hoofdregel moet echter zijn dat de legaten en erfstellingen blijven bestaan. In deze zin ook De Bruijn-Soons-Kleijn-Huijgen-Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, p. 480. Anders Van Mourik-Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding. p. 197 e.v. en de in noot 416 van dit werk aangehaalde literatuur.
Zie Van Mens, Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten van het schenkingsbegrip, diss. Amsterdam (UvA), p. 138, die er terecht op wijst dat in de huwelijksgift door aanstaande echtgenoten geen doorbreking van het verbod van art. 7A:1715 lid 1 BW (oud) is gelegen.
Algemeen werd geleerd dat ook een zuiver potestatieve voorwaarde mogelijk was. Zie onder meer De Bruijn-Soons-Kleijn, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, p. 647, Pitlo-Van der Burght-Doek, Personen- en Familierecht, p. 411 en Asser-De Boer, Personen- en Familierecht 1, nr. 528. Anders Klaasen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederenrecht, p. 312. Zie ook Melis, Schenkingen terzake des huwelijks (I), WPNR 3877 (1944/1945).
Voor een zeer uitvoerige beschouwing wordt verwezen naar De Bruijn-Soons-Kleijn, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, p. 635 e.v. Zie ook Klaasen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederenrecht, p. 300 e.v., Asser-De Boer, Personen- en Familierecht 1, nr. 526 e.v.
Mede omdat het verbod niet past in het huidige stelsel van het huwelijksgoederenrecht. Toelichting Voorontwerp, p. 892.
Vgl. art. 7:177 lid 2 BW. Zie over de schenking onder opschortende potestatieve voorwaarde Mellema-Kranenburg, De herroepelijke schenking, het wondermiddel van het nieuwe schenkingsrecht?, Nieuw Efrecht 2004, nr. 3.
De faciliteit stond ook open voor derden, maar dit werd bij wet van 11 december 1958 (Stb. 1958/590) afgeschaft.
In afdeling 3 van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek werden de zogenoemde giften bij huwelijkse voorwaarden geregeld. Deze ‘giften’ kunnen in twee categorieën onderverdeeld worden:
Giften van tegenwoordige en nauwkeurig omschreven goederen;
Giften van de gehele of gedeeltelijke nalatenschap.
Met de toelating van dergelijke giften en de daaraan gekoppelde faciliteiten, beoogde de wetgever het aangaan van het huwelijk te bevorderen.1,2 De giften van categorie 1 waren onder meer mogelijk tussen (aanstaande) echtgenoten (art. 1:146 BW (oud)), hetgeen als een faciliteit beschouwd kon worden, gelet op het schenkingsverbod tussen echtgenoten van art. 7A:1715 BW (oud)3 en de onmogelijkheid om aan ‘normale’ schenkingen (zuivere) potestatieve voorwaarden te verbinden (art. 7A:1703 BW (oud) en art 1:146 lid 5 BW (oud)).4 De huwelijksgiftenwaren ten opzichte van de normale gift beperkter herroepelijk (art. 146 lid 3 BW (oud)) dan de regeling als neergelegd in art. 7A:1725 BW (oud). Bovendien gold het vormvereiste voor de aanneming van art. 7A:1720 BW (oud) niet. Ook waren huwelijksgiften door derden mogelijk (art. 1:148 BW (oud)).
Op de huwelijksgiften van categorie 1 ga ik, gelet op de strekking van het onderhavige onderzoek, niet nader in.5 Wel wil ik opmerken dat met het vervallen van de giften van categorie 1 zeker geen man over boord is, gezien het feit dat het schenkingsverbod tussen echtgenoten is opgeheven6 en de schenking onder ontbindende potestatieve voorwaarde mogelijk is.7 De huwelijksgift zou, als deze het wetgevingsproces zou hebben overleefd, zonder twijfel toch een nog stillere dood zijn gestorven. Afschaffing lag voor de hand.
De giften van categorie 2, de contractuele erfstellingen en legaten, die slechts tussen (aanstaande) echtgenoten mogelijk waren,8 verdienen vanzelfsprekend wel nadere aandacht.