De bijlage met bewijsmiddelen is door de voorzitter ondertekend op 1 april 2025.
HR, 19-12-2025, nr. 25/00604
ECLI:NL:HR:2025:1953
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2025
- Zaaknummer
25/00604
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1953, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1206
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:7028
ECLI:NL:PHR:2025:1240, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:112
ECLI:NL:PHR:2025:1206, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1953
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Uitleg van samenwerkingsovereenkomst.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00604
Datum 19 december 2025
ARREST
In de zaak van
1. AUTOGELD LEASE B.V.,
gevestigd te IJsselstein,
2. [eiser 2],
wonende te [plaats],
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: Autogeld c.s.,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [plaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [plaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/16/540037 / HA ZA 22-325 van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juni 2023;
b. de arresten in de zaak 200.329.593 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024 en 19 november 2024.
Autogeld c.s. hebben tegen het arrest van het hof van 19 november 2024 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Autogeld c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Autogeld c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 19 december 2025.
Conclusie 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Poging doodslag toenmalige vriend. Verwerping beroep op noodweer. Proportionaliteitseis. ’s Hofs oordeel dat de verdachte zich disproportioneel heeft verdedigd, nu het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond, is niet zonder meer begrijpelijk. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en voor het overige tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04079
Zitting 18 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2024 (parketnummer 10-732032-19) door het gerechtshof Den Haag wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uur, subsidiair negentig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
De bewezenverklaring
3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 05 mei 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
De bewijsvoering
4. Deze bewezenverklaring berust op zes bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest (p. 14-16), naar de inhoud waarvan ik verwijs.1.
Het noodweerverweer en de verwerping daarvan
5. Blijkens de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 oktober 2024 het volgende aangevoerd (onderstrepingen van mijn hand):
“Mocht u toch tot een bewezenverklaring komen dan wordt uit het verhaal van [verdachte] wel duidelijk dat zij uiteindelijk tijdens de ruzie met [slachtoffer] geen kant op kon.
Het verhaal wordt op belangrijke punten door de verklaring van de [getuige] d.d. 8 mei 2024 ondersteund. Zij hoorde buren ruzie maken in het Papiaments. Zij hadden vaker ruzie, maar nu was het heftiger.
Nadat, na aanbellen de deur werd geopend door het meisje ging het schelden door.
Het meisje gaf een klap. Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar over en weer. “Het meisje riep naar mij dat ik 112 moest bellen. De jongen gooide toen de deur dicht.”
Er lijkt dan als sprake te zijn van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, er is in elk geval voor [verdachte] een noodsituatie, zij roept niet voor niets 112 bellen.
[slachtoffer] gooit daarna de deur dicht. De getuige hoort dat het gevecht doorging en belde de politie. Het dichttrekken van de deur door [slachtoffer] voorkomt dat een uitweg voor [verdachte] . Zij vlucht naar de slaapkamer. [slachtoffer] volgt. Zij gaat naar de keuken en [slachtoffer] volgt. Volgens de [getuige] , die net de politie heeft gebeld, hoorde zij eerst dat het niet heftiger werd. “Toen zij had neergelegd werd het opeens heftiger”.
[verdachte] kan feitelijk geen kant op en wordt in haar eigen woning die zij niet kan verlaten aangevallen door de sterkere [slachtoffer] . Zij kon zich niet onttrekken.
Staand tegen het keukenblok gebruikt pakt zij een mes uit dit blok om [slachtoffer] van zich af te houden. Zij had in deze situatie geen andere optie. Feitelijk vastgezet in haar eigen woning was er geen andere optie meer. Zij moest zich wel verdedigen.
Het afdreigen met het mes was in de gegeven situatie ook een proportionele reactie.
Uit niets blijkt dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan een aanvallende actie.
[slachtoffer] probeert het mes af te pakken en in de worsteling wordt hij in de borst geraakt.
En dit alles gebeurde in de heftige en zeer emotionele situatie, direct veroorzaakt door de zeer heftige situatie.
Subsidiair noodweer.”
6. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen (onderstrepingen van mijn hand):
“Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt, het hof het volgende vast.
Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde. De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon. Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij – zoals hiervoor vastgesteld – met het mes op aangever ingestoken.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij, tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.”
Een nadere omschrijving het middel
7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de omstandigheden waaronder “het steken” heeft plaatsgevonden. Het heeft daardoor niet de voor een verwerping van een noodweerverweer vereiste vergelijking gemaakt tussen – enerzijds – de omvang van de wederrechtelijke aanranding, en – anderzijds – het al dan niet disproportionele karakter van het door de verdachte gebruikte verdedigingsmiddel.
8. Het voorgaande klemt temeer, nu i.c. niet (zonder meer) kan worden gezegd dat het door de verdachte met een mes in de borststreek steken van de aangever disproportioneel was. De verdachte had immers geen andere uitweg, en zij kon als zwakkere partij niet met zekerheid weten of zij de aangever wel met haar blote vuisten kon afweren.2.
Het beoordelingskader
9. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt.3.Dit kader veronderstel ik bekend. Wel merk ik ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste (waartegen het middel zich in het bijzonder richt) het volgende op.
Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn
10. Een beroep op noodweer komt niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is.4.Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal.5.
11. Daarbij laat rechtspraak van de Hoge Raad zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in verhouding staat met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist,6.maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden de feitenrechter tot een ander oordeel kan nopen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en niet kan wegkomen,7.de aanranding – naast blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel,8.of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij.9.
12. Ik wijs in dit verband ook op de conclusie van a-g Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummers 3.11-3.21, en 3.25), waarin hij een aantal van de (hiervoor reeds in de voetnoten aangehaalde) arresten van de Hoge Raad – waarin een discrepantie bestond tussen het aanrandingsmiddel en het verdedigingsmiddel – heeft geanalyseerd, en naar aanleiding daarvan concludeert: “Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat.”10.Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn”.11.
De bespreking van het middel
13. Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen. Het heeft in dat verband – overeenkomstig de lezing van de verdediging – vastgesteld (i) dat in de woning van de verdachte en haar toenmalige vriend (het slachtoffer) een steekincident heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer een steekwond heeft opgelopen, ter hoogte van zijn borst rondom zijn hartstreek,12.(ii) dat zij voorafgaand aan het steekincident ruzie hadden, waarbij over en weer (met vuisten) werd geslagen, (iii) dat de verdachte meermaals heeft geroepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten, maar dat hij hieraan geen gehoor heeft gegeven, en haar in de woning bleef achtervolgen, (iv) dat de confrontatie zich voortzette in de keuken, dat het slachtoffer daarbij de keukendeur heeft dichtgedaan, en tussen de verdachte en de deur is blijven staan zodat de verdachte niet naar buiten kon, (v) dat het slachtoffer vervolgens op de verdachte is afgekomen, (vi) en dat de verdachte toen een mes heeft gepakt en daarmee op het slachtoffer heeft ingestoken (zie onder randnummer 6).
14. Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van het slachtoffer “ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding” van verdachtes lijf, waartegen zij zich redelijkerwijs mocht verdedigen, maar is de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd disproportioneel, nu het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de (dreigende) aanranding en “de omstandigheden waaronder deze plaatsvond”.13.
15. Gelet op wat de verdediging ten overstaan van het hof naar voren heeft gebracht (zie onder randnummer 5) en in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad (besproken onder randnummers 10-12), acht ik dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof klaarblijkelijk is uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer haar niet met rust wilde laten, dat hij haar heeft achtervolgd naar de keuken, de keukendeur heeft dichtgedaan waardoor zij niet naar buiten kon, en toen op haar is afgekomen, maar dat het hof deze omstandigheden vervolgens niet kenbaar in zijn beoordeling van het noodweerverweer heeft betrokken.14.
16. Het middel klaagt daarover terecht.
Slotsom
17. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑11‑2025
Zie de cassatieschriftuur, onder 1.13. Zoals door het hof ook in de bewijsmiddelen is vastgesteld, was – zo betogen de stellers van het middel – sprake van een reeds in de keuken ontstaan en zich vlak voor het steekincident afspelend gevecht waarin verdachte als kwetsbare vrouw in haar eigen woning klappen ontving van de sterkere mannelijke verdachte en de verdachte aangever eerst heeft gevraagd weg te gaan, terwijl deze oproep niet werd gehonoreerd, en aangever vervolgens ook de mogelijkheid tot onttrekking door de verdachte onmogelijk heeft gemaakt.
Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.1.1.-3.5.3. Zie ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, NJ 2022/178 m.nt. Machielse.
Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650, en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391 m.nt. Buruma, rov. 2.5.1-2.5.2.Zie ook J.M. ten Voorde, Tekst & Commentaar Strafrecht, art. 41 Sr, aant. 4g (actueel t/m 15 april 2025). Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, NJ 2006/371, en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773.In de aanduiding “geboden door de noodzakelijke verdediging” komen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit beide tot uitdrukking. Aangenomen wordt dat in deze – met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden – eisen de proportionaliteitsgedachte met name ligt besloten in de eis van het ‘geboden’ zijn van de verdediging, terwijl de subsidiariteit haar neerslag vindt in de eis van het ‘noodzakelijk’ zijn van de verdediging.
Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, rov. 4.4; HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162, NJ 2018/131, m.nt. Wolswijk, rov. 2.3; HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.3; HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.3; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.3; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2013, NJ 2021/247 m.nt. Jörg, rov. 2.3, en HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.3.
Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233, rov. 5.1-5.3.In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag, had de verdachte zich tegen de aanval verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen. Het beroep op noodweer werd door het hof verworpen. “Het hof is (…) gelet op de aard van de aanval, te weten het slaan met de blote hand dan wel vuist, van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend in die situatie disproportioneel was. Door het mes te hanteren zoals bewezenverklaard heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen.” Dit oordeel hield in cassatie stand. De Hoge Raad overwoog: “Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen omdat de verdachte door het gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dat heeft aangewend de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (…) de verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op de verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist.”Zie ook HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.5.3.
Vgl. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.4. Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnr. 3.13).In de zaak die ten grondslag lag aan HR 26 maart 2019 werd het beroep op noodweer door het hof verworpen omdat het met een mes steken door de verdachte in de borststreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot een aanval die bestond uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist en omdat de verdachte niet eerst had gepoogd een minder verstrekkend verdedigingsmiddel toe te passen. Dat oordeel achtte de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof óók had vastgesteld dat “(i) de verdachte meermalen werd geconfronteerd met het slachtoffer en een voor hem onbekende man; (ii) de laatste confrontatie uiteindelijk uitliep op een gevecht tussen de verdachte en de twee anderen, waarbij de verdachte meermalen op het hoofd, waaronder met vuisten, is geslagen en letsel heeft opgelopen; en (iii) de verdachte op het moment van de aanranding door het slachtoffer niet weg kon komen”.
Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.4. In cassatie achtte de Hoge Raad het oordeel waarin het hof het beroep op noodweer verwierp – omdat het met een mes steken door de verdachte in het bovenlichaam van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding die bestond uit het slaan met blote handen of vuisten – niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad overwoog: “Het Hof is bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op noodweer immers uitgegaan van de verklaring van de verdachte over de feitelijke gang van zaken die op onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van (slachtoffer). Die verklaringen houden echter blijkens het hiervoor weergegeven verweer alsmede bewijsmiddel 2 onder meer in dat (slachtoffer) de verdachte ook bij zijn keel heeft vastgepakt en tijdens de vechtpartij is blijven vasthouden, wat het Hof niet kenbaar bij zijn beoordeling van het beroep op noodweer heeft betrokken.” Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummer 3.14).Vgl. in dat verband ook HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.4, waarin het hof overwoog dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever, maar het beroep op noodweer desondanks verwierp omdat de door de verdachte gegeven “keiharde vuistslag” tegen het hoofd van de aangever in onredelijke verhouding stond tot de ernst van die aanranding. De Hoge Raad casseerde en nam daarbij in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat de aangever de verdachte meermalen had geduwd en vervolgens had geslagen – zonder dat het hof nadere vaststellingen had gedaan over de aard en ernst van deze geweldsuitoefening door de aangever op de verdachte – waarna de verdachte één vuistslag tegen het hoofd van de aangever had gegeven.
Vgl. HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.4. Ook in deze zaak hield de verwerping van het noodweerverweer in cassatie geen stand. De Hoge Raad overwoog: “Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte eerst door de aangever is geslagen en dat de verdachte vervolgens de aangever met een keukenmes in diens arm heeft gestoken. Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar op het moment van het slaan door de aangever sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, maar dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet voldaan is aan de proportionaliteitseis. Daartoe heeft het hof overwogen dat het steken met een keukenmes door de verdachte “in geen enkele verhouding” tot “de ernst van de aanranding” stond. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en wat ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd over de ernst van de door de aangever begane aanranding en de situatie waarin de verdachte op dat moment verkeerde, waarvan het hof de juistheid deels in het midden heeft gelaten.”Zie overigens ook de conclusie van Van Wees van 12 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1115, onder voetnoot 14 (HR art. 81 RO), waarin Van Wees over de zaak die ten grondslag lag aan HR 14 april 2020 opmerkte: “In deze zaak had de verdachte het hem belagende slachtoffer gestoken in zijn onderarm, waardoor vanzelfsprekend eerder aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan.”
Zie de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (in het bijzonder onder randnummer 3.18), voorafgaand aan HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245.
Zie wederom de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (in het bijzonder onder randnummer 3.25), voorafgaand aan HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245.Zie daarnaast J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 360, K. Lindenberg & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 207.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het slachtoffer met het mes heeft gestoken. De alternatieve lezing van de verdachte, dat het slachtoffer het letsel zou hebben opgelopen “door in het mes te lopen”, heeft het hof verworpen. Zie het arrest, p. 5.
Volledigheidshalve merk ik op dat het hof ook het beroep op noodweerexces heeft verworpen. “Nu het hof heeft geoordeeld dat er sprake is van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, ziet het hof zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Naar het oordeel van het hof dient het verweer dat er sprake is van noodweerexces evenwel verworpen te worden, reeds nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd en niet verder is geconcretiseerd. Het beroep op noodweerexces zal daarom eveneens worden verworpen.”
Vgl. bijv. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.3-2.4, en HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.3-2.4.
Conclusie 07‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Samenwerkingsovereenkomst. Boetebeding. Uitleg. Beëindiging?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00604
Zitting 7 november 2025
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
1. Autogeld Lease B.V.
2. [eiser 2]
tegen
1. [verweerster 1] B.V.
2. [verweerder 2]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Autogeld c.s. respectievelijk [verweerder]
1. Inleiding
1.1
Partijen bemiddelen ieder bij kredietverstrekking ten behoeve van leaseovereenkomsten van auto’s en zijn met elkaar gaan samenwerken bij het zoeken van nieuwe klanten. Partijen zijn daartoe op 22 juni 2020 een overeenkomst aangegaan.
1.2
In deze zaak gaat het in cassatie om de uitleg van het tussen partijen overeengekomen verbod op het inschakelen van andere tussenpersonen dan Autogeld en over de vraag of partijen de overeenkomst tussentijds hebben ontbonden/beëindigd. Autogeld c.s. bestrijdt met diverse rechts- en motiveringsklachten de oordelen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) dat [verweerder] voor eigen relaties, die zij tijdens de samenwerking heeft geworven, andere tussenpersonen dan Autogeld mocht inschakelen en dat partijen akkoord waren met de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.
2. Feiten
Voor de vaststelling van de feiten verwijst het hof in r.o. 3.1 van zijn arrest van 19 november 20241.(hierna: het bestreden arrest) naar r.o. 2.1-2.5 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 14 juni 20232.(hierna: het vonnis). Het hof heeft in diezelfde rechtsoverweging een bezwaar tegen de feitenvaststelling van de rechtbank behandeld. Hierna ga ik daarom uit van de in het vonnis vermelde feiten met de door het hof gegeven aanvulling daarop. Ik laat r.o. 2.5 van het vonnis hier buiten beschouwing, omdat het slechts een samenvatting van de standpunten van partijen in eerste aanleg bevat.
2.1
Autogeld Lease B.V. (hierna: Autogeld) en [verweerster 1] B.V. (hierna: [verweerster 1]) drijven allebei een onderneming binnen de autobranche. Zij bemiddelen (los van elkaar) bij de totstandkoming van leaseovereenkomsten voor auto’s. Zij vormen de schakel tussen enerzijds bedrijven of consumenten die een auto willen leasen en anderzijds de financiële instellingen die het krediet verstrekken voor de leaseauto. Autogeld en [verweerster 1] ontvangen van de financiële instelling een provisie als een leaseovereenkomst tot stand komt na het verrichten van de bemiddelingswerkzaamheden. [eiser 2] is de indirect aandeelhouder en bestuurder van Autogeld. [verweerder 2] is de indirect aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 1].
2.2
[eiser 2] en [verweerder 2] waren vele jaren vrienden van elkaar. Op 22 juni 2020 zijn Autogeld c.s. en [verweerder] een overeenkomst met elkaar aangegaan (hierna: de overeenkomst). [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en zijn onderneming Autogeld Financieringen B.V. (hierna samen: [betrokkenen 1]) zijn ook partij bij die overeenkomst. Partijen hebben op 22 juni 2020 een vier pagina’s tellend document geparafeerd en ondertekend dat bestaat uit een e-mail van 27 mei 2020 (pagina 1 en 2) en een ongedateerde e-mail die volgens Autogeld c.s. van 3 juni 2020 dateert (pagina 3 en 4).3.Een Excel-bestand met een overzicht van de dealers waarmee partijen al voor het aangaan van de samenwerking zelf mee samenwerkten alsmede dealers waarmee partijen tijdens de samenwerking zelf mee zijn gaan samenwerken en een overzicht van dealers die partijen tijdens de samenwerking wilden gaan acquireren maakt onderdeel uit van de afspraken tussen partijen.4.In de overeenkomst is onder meer een concurrentie- en relatiebeding en een geheimhoudingsbeding opgenomen.
2.3
Het doel van de samenwerking tussen partijen was dat zij samen op zoek zouden gaan naar nieuwe klanten voor wie zij konden bemiddelen bij de totstandkoming van leaseovereenkomsten. Op die manier konden zij op grote(re) schaal bij de financiële instellingen aanvragen indienen. Dit zouden zij doen onder de naam van Autogeld. Daarmee zouden zij hogere provisies ontvangen dan als zij allebei uitsluitend onder hun eigen naam zouden bemiddelen. Naast deze samenwerking, zouden beide partijen ieder hun (destijds) eigen klanten blijven bedienen op eigen naam.
2.4
Omstreeks januari 2022 hebben partijen gesproken over het aangaan van een nieuwe (samenwerkings)overeenkomst. Dit initiatief kwam vanuit Autogeld c.s. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over de inhoud van een nieuwe overeenkomst. [verweerder] heeft in een e-mail van 21 januari 2022 aangegeven de huidige samenwerking te willen voortzetten of anders – indien Autogeld c.s. en [betrokkenen 1] dat niet zien zitten – de samenwerking te beëindigen en daartoe een beëindigingsovereenkomst te sluiten. In een e-mail van 27 januari 2022 heeft Autogeld c.s. aangestuurd op het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Die vaststellingsovereenkomst is echter nooit gesloten. De feitelijke samenwerking tussen partijen is wel geëindigd omstreeks februari 2022.
3. Procesverloop
Eerste aanleg
3.1
Autogeld c.s. heeft gevorderd, voor zover in cassatie van belang:
- veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 450.000,--;
- verklaring voor recht dat [verweerder] in strijd met het concurrentie-, relatie- en/of geheimhoudingsbeding heeft gehandeld; en
- verklaring voor recht dat [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door deze (onrechtmatig) te ontbinden/te beëindigen.
3.2
[verweerder] heeft verweer gevoerd en verschillende tegenvorderingen ingesteld. [verweerder] heeft in reconventie gevorderd, voor zover in cassatie van belang:
- verklaring voor recht dat Autogeld c.s. jegens [verweerster 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de afspraken tussen partijen, doordat Autogeld c.s. aangaf dat [verweerster 1] moest kiezen tussen het aangaan van de door Autogeld c.s. gewenste nieuwe overeenkomst en doordat Autogeld c.s. niet positief reageerde op de wens van [verweerster 1] om de bestaande overeenkomst voort te zetten, maar gepersisteerd heeft bij een beëindiging daarvan;
- verklaring voor recht dat [verweerster 1] op goede gronden de overeenkomst tussen partijen heeft ontbonden; en
- voor het geval dat de tussen partijen gesloten overeenkomst nog niet was ontbonden, ontbinding van de overeenkomst, omdat Autogeld c.s. tekort is geschoten in de nakoming ervan.
3.3
De rechtbank heeft alle vorderingen van Autogeld c.s. afgewezen en een deel van de vorderingen van [verweerder] toegewezen. De vorderingen van [verweerder] die de rechtbank heeft toegewezen, betreffen vorderingen die hierboven niet staan vermeld en die in cassatie (dus) niet van belang zijn.
Hoger beroep
3.4
Autogeld c.s. is, onder aanvoering van tien grieven, in hoger beroep gekomen bij het hof. Autogeld c.s. heeft gevorderd, voor zover in cassatie van belang:
- verklaring voor recht dat [verweerder] in strijd met het concurrentie-, relatie- en/of geheimhoudingsbeding uit de overeenkomst heeft gehandeld en dat zij als gevolg daarvan boetes heeft verbeurd jegens Autogeld c.s.;
- hoofdelijke veroordeling van [verweerder] tot betaling van een bedrag van € 450.000,-- aan boetes aan Autogeld c.s.;
- verklaring voor recht dat [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door deze zonder instemming van Autogeld c.s. (onrechtmatig) te ontbinden/te beëindigen en haar verplichting om minimaal tot juni 2023 uitvoering te geven aan de overeenkomst niet na te komen en dat [verweerder] als gevolg daarvan schadeplichtig is jegens Autogeld c.s.; en
- hoofdelijke veroordeling van [verweerder] tot betaling van een bedrag van € 500.000,-- ter zake van een deel van de schade (gederfde provisie en bonussen) aan Autogeld c.s.
3.5
[verweerder] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens het incidenteel appel. [verweerder] heeft, onder aanvoering van één grief, incidenteel appel ingesteld en gevorderd, voor zover in cassatie van belang:
- verklaring voor recht dat Autogeld c.s. jegens [verweerder] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de afspraken tussen partijen, doordat zij aangaf dat [verweerster 1] moest kiezen tussen het aangaan van de door Autogeld c.s. gewenste nieuwe overeenkomst en zijn eigen onderneming en doordat zij weigerde de overeenkomst nog na te leven; en
- verklaring voor recht dat Autogeld c.s. van rechtswege in verzuim raakte door haar uitlatingen die ertoe strekten dat zij de bestaande samenwerkingsovereenkomst tussen partijen niet meer zou naleven.
3.6
Autogeld c.s. heeft verweer gevoerd tegen het incidenteel appel en geconcludeerd dat de grief dient te falen.
3.7
Hierna geef ik de overwegingen van het hof weer die in cassatie van belang zijn.
3.8
Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop:
“Uitleg overeenkomst, algemeen
3.4
Het hof stelt voorop dat het bij de uitleg van de Overeenkomst niet alleen aankomt op een taalkundige uitleg van de contractsbepalingen, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar wat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis.5.
3.5
Autogeld c.s. en [verweerder] hebben naar het oordeel van het hof over de inhoud en beëindiging van hun samenwerking op bepaalde onderdelen onvolledige, onduidelijke en deels zelfs tegenstrijdige afspraken gemaakt. In die gevallen kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld wat zij van elkaar mochten begrijpen of verwachten.
Het is steeds aan de partij die haar vordering op een bepaalde uitleg van de Overeenkomst baseert om concrete feiten en omstandigheden te stellen die deze uitleg rechtvaardigen, en om die feiten en omstandigheden zo nodig te bewijzen. Komt de gestelde uitleg niet vast te staan, dan kan een vordering niet worden toegewezen. Hierna zal blijken dat het ontbreken van duidelijke afspraken in veel gevallen aan toewijzing van de vorderingen van beide partijen in de weg staat.” [voetnoot overgenomen en doorgenummerd, A-G]
3.9
Nadat het in r.o. 3.6 de opbouw van zijn beoordeling heeft beschreven, bespreekt het hof eerst de vorderingen van Autogeld c.s. met betrekking tot de door Autogeld c.s. beweerde overtreding van de boetebedingen:
“3.7 Autogeld legt aan haar vordering tot betaling van € 450.000 ten grondslag dat [verweerder] ten minste achttien contractuele boetes van telkens € 25.000 heeft verbeurd.
Gelet op de hoogte van het boetebedrag begrijpt het hof – zoals in hoger beroep niet is bestreden – dat Autogeld c.s. haar vordering baseert op de (hierna verder te bespreken) boetebedingen die op pagina 4 van de Overeenkomst zijn opgenomen.
Autogeld c.s. verwijt [verweerder] (i) het doen van financieringsaanvragen bij [A] via een andere tussenpersoon dan Autogeld c.s., (ii) het benaderen van Dutch Finance in een poging een eigen agentschap te verkrijgen en (iii) het overtreden van een geheimhoudingsbeding.”
3.10
Het hof zet in r.o. 3.8-3.11 de relevante bepalingen uit de overeenkomst onder elkaar:
“Samenwerkingsafspraken in de Overeenkomst
3.8
Op de tweede pagina van de Overeenkomst is over de samenwerking het volgende opgenomen:
‘Beide partijen houden huidige dealers en relaties
Relatiebeding + boetebeding voor gezamenlijke relaties & startlijst met dealers die aanvragen doen ([verweerder 2] aanleveren)
Gezamenlijke relaties blijven van de BV en kunnen door niemand afzonderlijk voor eigen rekening benaderd worden’.
3.9
Op pagina 3 van de Overeenkomst staat onder het kopje ‘Huidige dealers en contracten beide partijen’: ‘Huidige dealers blijven bij jouw en doe je de aanvragen zelf voor. Deze mag je indienen via autogeld of via eigen agentschap. De keuze is reuze. Huidige dealers komen op een lijst en kunnen Wij niet benaderen en andersom. Relatie beding met boete 50K’.
3.10
Op dezelfde pagina is onder het kopje ‘Nieuwe Samenwerking’ vermeld: ‘Warme dealers via autogeld gaan we taart brengen voor het 1e contract. [verweerder 2] [[verweerder 2], toev. hof] gaat de dealers benaderen bezoeken, [betrokkene 1] [[betrokkene 1], toev. hof] rijdt de contracten uit indien mogelijk, [eiser 2] [[eiser 2], toev. hof] verwerkt de administratie en Doet de kantoor afspraken voor deze unit. In meax zullen we dit administreren onder accountmanager [verweerder 2]. Na 3 jaar gaan we kijken of deze unit een aparte BV moet krijgen. Dealers blijven Van autogeld en niemand kan deze afzonderlijk benaderen. Relatiebeding met boete 50K. opbrengsten gedeeld door 3 en kosten worden ook door 3 gedeeld. De formule is heel simpel waar we Samenwerken en waar we samen verdienen wordt verdeeld. Dit is ook de Insteek op de gemaakte provisie afspraken.’
Onderaan pagina 3 is onder het kopje ‘Aanvullingen’ vermeld: ‘Donderdag aanvullingen bespreken. Dan kunnen we deze erbij plaatsen’.
3.11
Op pagina 4 van de Overeenkomst zijn vervolgens in bulletpoints – voor zover hier van belang – de volgende bepalingen opgenomen:
Geen aanvragen via een andere tussenpersoon zonder toestemming, boete 25K per gebeurtenis
Concurrentie en relatiebeding 25K per gebeurtenis bij overtreding
Geheimhoudingsplicht voor alle activiteiten van de samenwerking, 25K per gebeurtenis
Aanvragen vanuit [verweerster 1] die wij moeten bewerken is 50/50 en indien wij ze moeten uitrijden is het 1/3. pp
Concurrentie en relatie beding 3 jaar na beëindiging van de overeenkomst
Relaties die we samen bewerken blijven eigendom van Autogeld Lease B.V.
[verweerder 2] zelf verantwoordelijk voor administratie contracten [verweerster 1]
[verweerder 2] heeft toegang tot meax en de infobox van autogeld lease
Bijlage dealer lijst [verweerster 1] en Autogeld Lease
(…)
De dealer lijsten zijn in excel aangeleverd
Dealerlijst voor acquisitie is ook bijgevoegd in excel.”
3.11
In r.o. 3.12-3.28 beoordeelt het hof of [verweerder] afspraken uit de overeenkomst heeft geschonden door bij [A] vijftien financieringsaanvragen in te dienen. Daartoe brengt het hof eerst de stellingen van partijen in kaart:
“De [A] aanvragen
3.12
Autogeld c.s. heeft aangevoerd dat [verweerder] de afspraken in de Overeenkomst heeft overtreden door begin februari 2022 bij [A] vijftien financieringsaanvragen in te dienen, waarvan zeven voor bestaande klanten van Autogeld en acht voor nieuwe klanten, waarbij zij slechts één overeenkomst via Autogeld heeft laten verlopen. Volgens Autogeld c.s. had [verweerder] bij deze financieringsaanvragen geen andere tussenpersonen mogen inschakelen dan Autogeld.
Het verbod waarop Autogeld c.s. zich in dit verband beroept, is in de Overeenkomst erg summier omschreven: ‘Geen aanvragen via een andere tussenpersoon zonder toestemming, boete 25K per gebeurtenis.’ Bij dit bulletpoint is verder geen context of uitleg gegeven. Autogeld c.s. stelt zich op het standpunt dat het verbod niet alleen geldt voor de partijen die volgens Autogeld c.s. haar klanten zijn, maar ook voor de overige (klanten via de) eigen relaties van [verweerder]
3.13
[verweerder] heeft daartegen als verweer aangevoerd dat het bij alle in productie 14 genoemde aanvragen om haar eigen relaties gaat en dat het op grond van de Overeenkomst uitdrukkelijk was toegestaan om dergelijke aanvragen via andere tussenpersonen te doen. [verweerder] verwijst naar de bepaling onder het kopje ‘Huidige dealers en contracten beide partijen’ die inhoudt: ‘huidige dealers blijven bij jouw en doe je de aanvragen zelf voor. Deze mag je indienen via autogeld of via eigen agentschap. De keuze is reuze.’”
3.12
Dan komt het hof tot een beoordeling:
“Eigen relaties [verweerster 1]
3.14
Naar het oordeel van het hof heeft Autogeld c.s. onvoldoende onderbouwd waarom zij ondanks deze uitdrukkelijk omschreven keuzevrijheid toch heeft mogen verwachten dat [verweerder] ook voor eigen relaties geen andere tussenpersonen mocht inschakelen. Volgens Autogeld c.s. is het verbod op een later tijdstip aan de tekst van de Overeenkomst toegevoegd, maar uit die omstandigheid volgt niet zonder meer dat aan dat verbod voorrang toekomt. Partijen hebben op 22 juni 2020 immers niet alleen de later toegevoegde bulletpoints ondertekend, maar het gehele document, en hebben bovendien iedere pagina – dus ook de afspraken van eerdere datum – afzonderlijk geparafeerd. Als het de bedoeling van Autogeld c.s. was geweest dat de bepalingen in de bulletpoints steeds boven de andere (oudere) bepalingen zouden gaan, had het op haar weg gelegen om dat uitdrukkelijk in de tekst te vermelden. Dat geldt te meer nu aan overtreding van de bepalingen in de bulletpoints forse boetes zijn verbonden. Als ook bij eigen relaties van [verweerder] voorrang zou toekomen aan het verbod, is zelfs onduidelijk waarom de passage over keuzevrijheid niet helemaal is geschrapt. Er blijft dan namelijk geen categorie over waarvoor de keuzevrijheid nog wél zou gelden.
Whatsapp conversatie
3.15
De whatsappconversatie van 25 augustus 2021 is ook niet voldoende om de uitleg van Autogeld c.s. desondanks aan te nemen. In deze appconversatie heeft [eiser 2] weliswaar geschreven: ‘Trouwens ff wat anders volgens mij mogen we voor onze samenwerking niet met andere tp’s zaken doen en staat daar boete op’, maar uit het antwoord van [verweerder 2] blijkt juist niét dat hij dat uit de Overeenkomst ook had begrepen. In tegendeel, hij antwoordt: ‘Huh?? Jullie wel met mij maar niet nog extra tussenpersoon??’. Na het bericht ‘ Oh hahahaha Je hebt het over bd Lease zeker’ stuurt [eiser 2] ‘Ja Iedereen heeft hetzelfde contract’. Op de vervolgvraag van [verweerder 2] ‘wat is de boete?’ schrijft [eiser 2]: ‘Moet ik contract ff pakken Doe ik later ff’, waarna [verweerder 2] kennelijk bij wijze van grap, te zien aan de emoji die erbij is geplaatst– antwoordt: ‘Is goed Ik bel m’n advocaat alvast’.
3.16
Uit deze conversatie is niet af te leiden dat [verweerder 2] (in augustus 2021, dus terwijl de samenwerking al een jaar liep) de afspraken zo had begrepen als [eiser 2] in deze procedure heeft verdedigd. In tegendeel, uit zijn reactie spreekt juist verbazing over de interpretatie van [eiser 2]. In het vervolg van de appconversatie heeft [verweerder 2] wel bevestigd dat in de Overeenkomst staat wat [eiser 2] hem heeft bericht, maar ook dat is niet voldoende om aan te nemen dat [verweerder 2] niet langer de afgesproken keuzevrijheid had. De appconversatie gaat namelijk (na: ‘Ik bel m’n advocaat alvast’) als volgt verder:
‘Nee ik zou deze gewoon aftikken is goedkoper denk ik’ ([eiser 2])
‘Hahaha Klootzak Maar was je serieus?’ ([verweerder 2])
‘Voor de afspraak wel die hebben we volgens mij wel gemaakt dat zal ik ff checken Maar verder niet’ ([eiser 2]).
[verweerder 2] appt vervolgens om 17:26u: ‘Zal ook even kijken’, om 17:39u: ‘ja staat erin’ en om 1740u: ‘Idd goed punt om er wel in te hebben staan
Anders wandelt iedereen zo naar een andere tussenpersoon dat moet je voorkomen’.
Na de reactie van [eiser 2] ‘Zeker eh zijn ook voor mij dezelfde afspraken we zitten net als de Ndrangetha aan elkaar verbonden’ en ‘Zal je matsen dit keer koop maar leuk cadeau voor [betrokkene 2] in september’ sluit de conversatie af met het bericht van [verweerder 2]:
‘Bd Lease was natuurlijk ook een grapje dat snap je nu zelf ook’.
3.17
[verweerder 2] heeft dus bevestigd dat in de Overeenkomst stond wat [eiser 2] hem had bericht, maar heeft de Overeenkomst toen kennelijk maar kort bestudeerd, tussen 17:26u en 17:39u. Bovendien gaat het in deze procedure niet om de vraag óf het verbod in de Overeenkomst staat, maar om de vraag hoe dat verbod zich verhoudt tot de bepaling op de pagina daarvoor, op grond waarvan het inschakelen van andere tussenpersonen voor eigen relaties juist is toegestaan. Uit de appconversatie blijkt niet dat [eiser 2] ook die laatste bepaling aan [verweerder 2] heeft voorgelegd, zodat [eiser 2] op basis van het antwoord van [verweerder 2] dus ook niet mocht verwachten dat hij zich ook daarover uitsprak.
Aan deze korte appconversatie kon [eiser 2] in ieder geval niet het vertrouwen ontlenen dat [verweerder 2] van de afgesproken keuzevrijheid afstand deed, al helemaal niet nu de appconversatie geen (uitsluitend) zakelijk karakter had en aan het eind van de werkdag werd gevoerd, op een over en weer grappende toon. Dat [verweerder 2] in deze conversatie over het verbod heeft geappt dat het goed is om het erin te hebben staan, omdat iedereen anders zo naar een andere tussenpersoon wandelt en je dat moet voorkomen, is in de genoemde omstandigheden niet voldoende om anders te oordelen.
Uitvoering overeenkomst
3.18
Autogeld c.s. voert verder nog aan dat de manier waarop de Overeenkomst is uitgevoerd ook wijst op een uitleg zoals zij heeft verdedigd, omdat [verweerder] gedurende de samenwerking ook daadwerkelijk geen (of zelden) andere tussenpersonen heeft ingeschakeld. Uit die omstandigheid volgt echter nog niet dat partijen hadden afgesproken dat dit niet was toegestaan. [verweerder] kan voor een keuze voor Autogeld c.s. immers ook goede andere redenen hebben gehad, alleen al gelet op de voordeliger tarieven en voorwaarden die partijen met de schaalvergroting door hun samenwerking voor ogen hadden.
Al met al heeft Autogeld c.s. dus onvoldoende gesteld om het oordeel te rechtvaardigen dat [verweerder] het verbod uit het eerste bulletpoint heeft overtreden door andere tussenpersonen in te schakelen bij de aanvragen voor zijn eigen relaties.
Gezamenlijke relaties uit de Nieuwe Samenwerking
3.19
Uit de Overeenkomst blijkt dat de samenwerkingsafspraken niet alleen betrekking hebben op de eigen relaties van partijen. Uit pagina 2 kan worden afgeleid dat naast ‘huidige dealers en relaties’ ook ‘gezamenlijke relaties’ bestaan, ten aanzien waarvan is bepaald dat die ‘van de BV’ blijven en door niemand afzonderlijk voor eigen rekening kunnen worden benaderd. De beide categorieën zijn verder uitgewerkt op pagina 3 van de Overeenkomst. Onder het kopje ‘Nieuwe Samenwerking’ is uitdrukkelijk bepaald ‘Dealers blijven Van autogeld en niemand kan deze afzonderlijk benaderen.’ Uit de verdere bepalingen met betrekking tot deze categorie blijkt geen keuzevrijheid bij het inschakelen van tussenpersonen. Als [verweerder] dus voor deze gezamenlijke relaties zonder toestemming andere tussenpersonen heeft ingeschakeld, betekent dit dat [verweerder] het verbod heeft overtreden.
3.20
Uit de stellingen van Autogeld c.s. kan echter niet worden afgeleid dat [verweerder] dat heeft gedaan. [eiser 2] klaagt er in deze procedure namelijk juist over dat de Nieuwe Samenwerking niet van de grond is gekomen. Ook uit het verslag van de bijeenkomst op 14 januari 2022 blijkt dat [eiser 2] zich op het standpunt heeft gesteld dat het gezamenlijk bewerken van nieuwe relaties niet heeft plaatsgevonden: ‘Uitgangspunt van de samenwerking was wat er nu (destijds) is, is er en blijft voor [verweerder 2]. Daarnaast gaan wij gezamenlijk nieuwe relaties bewerken en hier allemaal profijt uithalen. Conclusie is, dat dit niet is gebeurd zoals staat omschreven in het samenwerkingsdocument. Dit was het hoofddoel van de samenwerking.’
Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft [eiser 2] dit standpunt nog eens bevestigd en Autogeld c.s. heeft in hoger beroep daarop bovendien een zelfstandige tekortkoming gebaseerd. Autogeld c.s. kan dus geen aanspraak maken op boetes vanwege het – via andere tussenpersonen – bedienen van gezamenlijke relaties uit de Nieuwe Samenwerking.
Klanten die eerder via Autogeld c.s. contracteerden
3.21
Volgens Autogeld c.s. blijven echter niet alleen de gezamenlijke relaties uit de Nieuwe Samenwerking ‘van de BV’ zoals op pagina 2 en 3 van de Overeenkomst is bepaald. Autogeld c.s. stelt zich op het standpunt dat ook is afgesproken dat klanten voor wie gedurende de samenwerking al eens een lease- of financieringsovereenkomst via Autogeld c.s. is afgesloten, daarna klant van Autogeld c.s. blijven, ook als deze voortkomen uit de eigen relaties van [verweerder] Deze klanten staan volgens Autogeld c.s. in haar systeem en behoren tot een klantenportefeuille die juridisch en economisch haar eigendom is.
Autogeld c.s. heeft deze uitleg van de Overeenkomst met name gebaseerd op de bepaling in het zesde bulletpoint op pagina 4 van de Overeenkomst:’ Relaties die we samen bewerken blijven eigendom van Autogeld Lease B.V.’. Volgens Autogeld c.s. is ook bij aanvragen voor klanten uit het netwerk van [verweerder] intensief samengewerkt.
3.22
Naar het oordeel van het hof kan de door Autogeld c.s. gestelde afspraak echter niet worden gebaseerd op wat in dit zesde bulletpoint zonder enige verdere context of toelichting is vermeld. In de Overeenkomst is immers juist uitdrukkelijk bepaald: ‘Beide partijen houden huidige dealers en relaties’. Als met de bulletpointbepaling werkelijk was bedoeld daarop alsnog een ingrijpende beperking aan te brengen, had het op de weg van Autogeld c.s. gelegen om dit voldoende duidelijk in de tekst van de Overeenkomst te vermelden. Nu dat niet is gebeurd, behoefde [verweerder] niet te begrijpen dat het zesde bulletpoint op pagina 4 van de Overeenkomst niet alleen naar de gezamenlijke relaties uit de Nieuwe Samenwerking verwees, maar ook op zijn eigen relaties zou slaan zodra een klant eenmaal via Autogeld c.s. had gecontracteerd.
3.23
Autogeld c.s. heeft ook geen andere concrete feiten of omstandigheden aangewezen op basis waarvan [verweerder] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat klanten die eenmaal via Autogeld c.s. een lease- of financieringsovereenkomst hadden gesloten, vanaf dat moment als klant van Autogeld c.s. zouden worden beschouwd. De omstandigheid dat [betrokkene 1], met wie [verweerder] inmiddels ook in gerechtelijke procedures is verwikkeld, dat wél zo uit de Overeenkomst heeft begrepen, vindt het hof daarvoor niet voldoende.
3.24
Anders dan Autogeld c.s. stelt, kan een dergelijke afspraak ook niet worden afgeleid uit overeenkomsten tussen Autogeld c.s. en de financierings- en leasemaatschappijen, nu Autogeld c.s. niet concreet heeft uitgelegd op welke grond [verweerder] aan afspraken van Autogeld met derde partijen gebonden zou zijn. Autogeld c.s. heeft al helemaal niet uitgelegd waarom die afspraken hun onderlinge afspraken opzij zouden kunnen zetten. Uit de producties waarnaar Autogeld c.s. in dit verband verwijst, blijkt dat evenmin.
3.25
Autogeld c.s. heeft zich verder beroepen op de omstandigheid dat in alle systemen, waaronder die bij de leasemaatschappijen, alleen Autogeld als tussenpersoon is opgenomen en dat de klanten alleen Autogeld en niet tevens [verweerster 1] als hun tussenpersoon kennen, ook al zijn die klanten fysiek door [verweerder 2] bediend. Los van het feit dat [verweerder 2] dit betwist, is ook dat niet voldoende om de hier bedoelde klanten in de onderlinge relatie tot [verweerder] als klanten van Autogeld c.s. te beschouwen. Voor zover [verweerder 2] zich al als Autogeld c.s. tegenover klanten bekend maakte, betekent dat nog niet zonder meer dat hij daarmee interne afspraken over het behouden van ieders eigen relaties opzij wilde zetten. Het belang dat partijen erbij hadden om als één partij naar buiten te treden, staat daar los van.
Uit de omstandigheid dat de gebruikte softwarelicentie Autogeld c.s. toebehoort kan evenmin worden afgeleid dat [verweerder 2] interne afspraken over het behouden van ieders eigen relaties opzij wilde zetten.
3.26
Autogeld c.s. heeft ook nog aangevoerd dat het in de branche gebruikelijk zou zijn dat de klanten waar het hier om gaat bij Autogeld c.s. zouden blijven en dat [verweerder 2] dat moest weten omdat dat exact dezelfde situatie is waar hij in verkeerde toen hij met Fair.nu samenwerkte. Het had op de weg van Autogeld c.s. gelegen om concreet uit te leggen waarom in dit geval een vergelijking met de afspraken tussen Fair.nu en [verweerder 2] zou opgaan, voor zover dat al voldoende zou zijn om een branchegebruik aan te nemen. In het bijzonder had Autogeld c.s. op dit punt nader uitleg moeten geven omdat zij in dezelfde memorie van grieven tegelijkertijd aanvoert (over het verbod uit het eerste bulletpoint): ‘Dit verbod gold slechts niet voor de klanten die [verweerder 2] reeds voor de samenwerking had en dus reeds via Fair.nu of een andere tussenpersoon had bediend.’ Zonder nadere uitleg is niet goed te begrijpen waarom, als van het gestelde branchegebruik wordt uitgegaan, klanten die al via Fair.nu waren bediend niet bij Fair.nu zijn gebleven toen de samenwerking eindigde, maar kennelijk bij [verweerder 2] bleven. Die uitleg heeft Autogeld c.s. niet gegeven.
Ook meer in het algemeen heeft Autogeld c.s. het gestelde branchegebruik onvoldoende onderbouwd. [verweerder 2] heeft dit in hoger beroep overigens ook niet voldoende specifiek te bewijzen aangeboden.
3.27
Autogeld c.s. heeft evenmin voldoende overtuigend uitgelegd dat een andere uitleg van de Overeenkomst zou betekenen dat de samenwerking voor Autogeld c.s. niet van nut zou zijn. Zij heeft immers niet weersproken dat alle partijen gebaat waren bij de schaalvergroting die de samenwerking in ieder geval meebracht. Het uiteindelijke resultaat van de samenwerking (of onvrede daarover) kan naar het oordeel van het hof in ieder geval geen zelfstandige grond opleveren om over de uitleg van de Overeenkomst anders te oordelen. Het had op de weg van Autogeld c.s. gelegen om als professionele partij duidelijke afspraken te maken die in overeenstemming waren met haar idee over een redelijke verdeling van de resultaten van de samenwerking.
Voor zover in haar stellingen al een beroep op artikel 6:248 lid 1 BW zou kunnen worden gelezen, heeft Autogeld c.s. niet voldoende aangevoerd om te oordelen dat sprake is van een leemte in de Overeenkomst, die op grond van de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid zou moeten worden ingevuld zoals Autogeld c.s. bepleit. Dat het redelijk zou zijn om aan te nemen dat door het overtreden van een (latere) aanvulling hoge boetes zouden zijn verbeurd, is al helemaal onvoldoende toegelicht.”
3.13
Het hof komt in r.o. 3.28 en 3.35 tot zijn oordeel dat de door Autogeld c.s. gevorderde boetes niet kunnen worden toegewezen:
“3.28 Al met al kunnen de stellingen van Autogeld c.s. met betrekking tot de [A] aanvragen dus niet leiden tot toewijzing van de gevorderde boetes op basis van de op pagina 4 van de Overeenkomst opgenomen boetebedingen.”
en:
“3.35 Het komt dus niet vast te staan dat [verweerder] enige boete heeft verbeurd vanwege het overtreden van de hiervoor besproken boetebedingen. De vorderingen van Autogeld c.s. vermeld onder (i) en (ii) in het petitum van de memorie van grieven zijn niet toewijsbaar. Het Vonnis blijft op dit onderdeel in stand, zowel in de procedure tegen [verweerder 2] als in die tegen [verweerster 1].”
3.14
Na in r.o. 3.29-3.31 te zijn ingegaan op een verwijt aan [verweerder] ten aanzien van contacten met Dutch Finance en in r.o. 3.32-3.34 op verwijten aan [verweerder] ten aanzien van niet inachtneming van geheimhouding tegenover adviseurs en derden, beoordeelt het hof in r.o. 3.36-3.46 de vorderingen van Autogeld c.s. met betrekking tot het ontbinden/beëindigen van de overeenkomst:
“Ontbinding/beëindiging Overeenkomst (vorderingen Autogeld c.s. sub iii en iv)
3.36
Autogeld c.s. heeft verder gesteld dat [verweerder] is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst door deze zonder instemming van Autogeld c.s. (onrechtmatig) te ontbinden/te beëindigen en door de verplichting om daaraan minimaal tot juni 2023 uitvoering te geven, niet na te komen. Autogeld c.s. heeft verklaringen voor recht met deze strekking gevorderd (iii) en een schadevergoedingsvordering (iv).
3.37
Op pagina 2 van de Overeenkomst is over de duur van de samenwerking het volgende bepaald:
‘Periode van samenwerking:
We gaan de periode aan voor een samenwerking van 3 jaar. Alle partijen vanuit eigen onderneming. Net als de testfase kunnen we meten of het na 3 jaar rendabel is om hiervoor eventueel een andere entiteit op te richten.’
Onder de bulletpoints is aan het einde van de Overeenkomst verder opgenomen:
‘De overeenkomst kan ontbonden worden na akkoord van alle partijen. Alle bepalingen blijven dan van kracht mits anders is besloten.’
Hieruit kan de bedoeling van partijen worden afgeleid om een samenwerking voor drie jaar af te spreken, met de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging als alle partijen daarmee instemmen.
3.38
Volgens Autogeld c.s. heeft [verweerder] door middel van de mail van zijn boekhouder van 26 april 2022 de Overeenkomst onrechtmatig beëindigd. Om dat aan te kunnen nemen moet dus vaststaan dat de Overeenkomst op deze datum nog van kracht was. Naar het oordeel van het hof heeft Autogeld c.s. daarvoor onvoldoende gesteld, tegenover het concrete verweer van [verweerder].
3.39
Tijdens de bespreking op 14 januari 2022 heeft [eiser 2] gezegd:
‘[eiser 2] geeft aan dat er 2 mogelijkheden zijn Autogeld of [verweerster 1]. Iedereen mag zijn eigen keuze maken. Dit is puur zakelijke pro forma meeting en een weergave van alle keuzemogelijkheden met daarbij horende feiten.
[verweerder 2] geeft direct aan voor [verweerster 1] te willen gaan
[eiser 2] en [betrokkene 1] geven aan dat kan, en dat is geen Autogeld’
Nadat [eiser 2] en [betrokkene 1] erop gewezen hebben dat als de keuze blijft staan, daarbij een financiële afwikkeling hoort, is in de notitie vermeld: ‘Gezamenlijk spreken wij af dat [verweerder 2] het allemaal even laat bezinken en er maandag 17-02-2022 op terugkomt met zijn uiteindelijke keuze. Autogeld of [verweerster 1] zonder nog enige verdere invulling’.
3.40
Wat in de notitie met een verslag van de bespreking van 14 april 2022 [bedoeld zal zijn: 14 januari 2022, A-G] is vermeld, biedt geen steun aan de stelling van [eiser 2] dat hij tijdens deze bespreking alleen maar probeerde om [verweerder 2] gemotiveerd te krijgen voor de samenwerking die op dat moment bestond. [verweerder] begreep deze mededelingen kennelijk als een wens van [eiser 2] en [betrokkene 1] om, als partijen niet tot overeenstemming over de door Autogeld c.s. gewenste nieuwe – inhoudelijk wezenlijk afwijkende – overeenkomst zouden komen, de huidige samenwerking te beëindigen en zonder elkaar verder te gaan. Autogeld c.s. heeft onvoldoende gesteld om te oordelen dat [verweerder 2] dat anders had moeten begrijpen. Uit de notitie blijkt dat [verweerder] op 14 januari 2022, gesteld voor de keuze, voor zijn eigen onderneming koos.
3.41
In zijn mail van 21 januari 2022 heeft [verweerder 2] de keuze die hij op 14 januari maakte en deelde met [eiser 2] en [betrokkene 1], nog eens bevestigd: ‘In het gesprek van 14 januari jl. waarin met name de samenwerking tussen Autogeld BV en [verweerster 1] BV ter tafel is gekomen, lieten jullie weten dat jullie de voorwaarden van deze samenwerking zouden willen herzien. Ik kan daar echter niet mee akkoord gaan en zou graag onze huidige overeenkomst willen continueren. Mocht dat voor jullie geen optie zijn, is een beëindiging van de samenwerking het enige alternatief’. [verweerder 2] heeft daarbij een afwikkelingsvoorstel gedaan, onder andere met betrekking tot de nog lopende aanvragen.
Dat [verweerder 2] aan het eind van deze mail nog om een bevestiging van Autogeld c.s. heeft gevraagd, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat Autogeld c.s. uit deze mail heeft moeten begrijpen dat [verweerder 2] het voorstel van [eiser 2] en [betrokkene 1] aanvaardde om de samenwerking te beëindigen, ook al moesten de gevolgen van de tussentijdse beëindiging van de samenwerking nog worden uitgewerkt en vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.
3.42
In antwoord op deze mail is ook [eiser 2] (in zijn mail van 27 januari 2022) kennelijk nog van de eerder besproken beëindiging van de samenwerking uitgegaan, gelet op de in het vervolg van de mail genoemde vaststellingsovereenkomst. Wat [eiser 2] op de zitting bij de rechtbank hierover heeft verklaard, is daarmee ook in overeenstemming. Op de vraag van de rechter ‘Hoe is er gereageerd op de vraag van [verweerder 2] of de huidige samenwerking voortgezet kon worden?’ heeft [eiser 2] namelijk geantwoord: ‘Dat er een afwikkeling moest komen.’ Weliswaar heeft Autogeld c.s. in hoger beroep deze verklaring willen nuanceren door te spreken over miscommunicatie, maar deze uitleg van de verklaringen van [eiser 2] overtuigt niet. Dat klemt temeer nu de advocaat van [eiser 2] in een tweetal brieven aan de rechtbank van 16 en 22 juni 2023 op verschillende punten kritiek op het proces-verbaal heeft geuit, maar deze miscommunicatie niet aan de orde heeft gesteld. Het hof gaat er dus van uit dat de mail van Autogeld c.s. van 27 januari 2022 wel degelijk op afwikkeling van de samenwerking gericht was.
3.43
Autogeld c.s. heeft erop gewezen dat [eiser 2] in de mail van 27 januari 2022 ook heeft geschreven: ‘daarnaast blijft het feit dat het huidige contract nog steeds actief is. dit betreft de afspraken en ook de clausules’. Daaruit kan echter niet voldoende duidelijk worden begrepen dat [eiser 2] bedoelde terug te komen op zijn eerdere boodschap van 14 januari 2022, die kort gezegd inhield dat het voortzetten van de lopende overeenkomst geen optie was. Als [eiser 2] hiermee werkelijk duidelijk wilde maken dat hij – bij nader inzien – de huidige Overeenkomst wilde voortzetten, en niet alleen zijn uitgangspunt bij de afwikkeling van de samenwerking wilde benadrukken, had hij dat duidelijker moeten opschrijven.
3.44
Ook de feitelijke gedragingen van Autogeld c.s. ondersteunen haar standpunt niet. In tegendeel, Autogeld c.s. heeft verschillende facturen van [verweerster 1] over de maand januari 2022 onbetaald gelaten, zonder tegen deze facturen inhoudelijke bezwaren aan te voeren. Ook heeft zij [verweerder] al in februari 2022 –in strijd met de samenwerkingsafspraken– de toegang ontzegd tot het softwaresysteem (Meax) en [verweerder] in plaats daarvan naar een algemeen mailadres verwezen. Ook heeft [eiser 2] [verweerder 2] gevraagd niet langer in naam van Autogeld te bellen en heeft hij geschreven dat hij alle aangesloten banken en leasemaatschappijen van Autogeld zou informeren.
In haar memorie van grieven heeft Autogeld c.s. ook uitdrukkelijk erkend dat de samenwerking feitelijk in februari 2022 is gestopt. Haar stelling dat dit gebeurde op eigen initiatief van [verweerder] zonder instemming van de andere contractspartijen, is in de gegeven omstandigheden niet goed te begrijpen.”
3.15
Dat brengt het hof tot de volgende slotsom:
“3.45 In het licht van wat [eiser 2], [betrokkene 1] en [verweerder 2] op 14 januari 2022 hebben besproken, de emailwisseling en het feitelijk handelen dat daarop volgde, lag naar het oordeel van het hof dus besloten dat partijen akkoord waren met een tussentijdse beëindiging zoals in de Overeenkomst bedoeld. Weliswaar heeft de advocaat van Autogeld c.s. op 8 april 2022 [verweerder] gesommeerd de Overeenkomst na te komen, waarna de boekhouder van [verweerder] zich in de mail van 26 april 2022 nog eens expliciet op ontbinding heeft beroepen. Bij deze stand van zaken is dat echter niet voldoende om aan te nemen dat [verweerder] toen nog van het voortzetten van de Overeenkomst uitging en niet al in januari 2022 met het beëindigingsvoorstel akkoord was gegaan.
3.46
Nog daargelaten dat Autogeld c.s. zich daarop niet voldoende concreet heeft beroepen, doet de bepaling in de Overeenkomst ‘Alle bepalingen blijven van kracht mits anders is besloten’ aan het voorgaande ook niet af. De bepaling is letterlijk genomen zonder een logische betekenis. Als daarin in plaats van het woord ‘mits’ het (tegenovergestelde) woord ‘tenzij’ wordt gelezen, laat de bepaling onverlet dat partijen uit elkaars gedragingen hebben kunnen afleiden dat daadwerkelijk anders was besloten.
De gevorderde verklaring voor recht is dus niet toewijsbaar, evenmin als de op basis van de gestelde tekortkoming onder (iv) gevorderde schadevergoeding.”
Cassatie
3.16
Autogeld c.s. heeft van het bestreden arrest tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] is niet verschenen. Er is tot verstekverlening geconcludeerd.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het middel houdt drie onderdelen in.
Onderdeel 1
4.2
Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.5 en hetgeen door onderdeel 2 en onderdeel 3 wordt bestreden. Het onderdeel houdt twee subonderdelen in en bevat een rechtsklacht en voor het overige motiveringsklachten.
4.3
Ik zie aanleiding om onderdeel 1 hier slechts te behandelen voor zover het ziet op het oordeel van hof in r.o. 3.5. In de kop boven onderdeel 1 wordt namelijk slechts over r.o. 3.5 gesproken. Uit de inhoud van de klachten uit onderdeel 1 maak ik bovendien op dat met het onderdeel hoofdzakelijk wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.5 dat partijen over de inhoud en beëindiging van hun samenwerking op bepaalde onderdelen onvolledige, onduidelijke en deels zelfs tegenstrijdige afspraken hebben gemaakt.
4.4
Onderdeel 2 komt op tegen een oordeel van het hof over de inhoud van de samenwerking. Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel van het hof over de beëindiging van de samenwerking. Deze twee onderdelen voeren in essentie aan dat het hof de uitleg van de overeenkomst van Autogeld c.s. had moeten volgen. Onderdeel 1 voert in essentie aan dat het hof, mede gelet op en bij het slagen van onderdeel 2 en onderdeel 3, niet tot het oordeel had kunnen komen dat sprake is van onvolledige, onduidelijke en deels zelfs tegenstrijdige afspraken. Over onderdeel 2 en onderdeel 3 kom ik nog te spreken, en bij mijn bespreking van die onderdelen zal ik de relevante elementen van onderdeel 1 betrekken.
4.5
Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten, maak ik eerst enkele algemene opmerkingen over de uitleg van overeenkomsten en de toetsing van uitlegoordelen in cassatie. Voor de uitleg van overeenkomsten geldt in principe de Haviltex-maatstaf. Die maatstaf houdt in dat het bij die uitleg aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de gesloten overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.6.De rechter hoeft slechts in te gaan op de stellingen en verklaringen die van belang zijn voor de uitleg van een overeenkomst.7.
4.6
Een beslissing over de uitleg van een overeenkomst is in cassatie beperkt toetsbaar. Beoordeeld kan worden of het hof de juiste uitlegmaatstaf heeft gehanteerd en of alle gestelde relevante omstandigheden van het geval bij de beoordeling zijn betrokken.8.De verdere weging van gezichtspunten en omstandigheden berust op een waardering van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid, maar alleen op begrijpelijkheid kan worden onderzocht.9.Bovendien is een door de feitenrechter gegeven uitleg van een overeenkomst niet onbegrijpelijk enkel op de grond dat een andere uitleg evenzeer mogelijk of zelfs logischer is.10.
4.7
Subonderdeel 1.1 stelt dat het hierboven (onder 4.3) aangehaalde oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting alsmede dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Het hof zou de overeenkomst (vooral) zuiver taalkundig hebben uitgelegd en niet voldoende acht hebben geslagen op de subjectieve gemeenschappelijke partijbedoeling en op alle relevante omstandigheden. Subonderdeel 1.1 doet, telkens onder verwijzing naar de processtukken, een beroep op verschillende stellingen van Autolease c.s.:
i. “[eiser 2] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) zijn respectievelijk 23 en 25 jaar actief in financieringsbemiddeling binnen de autobranche. [eiser 2] is meer dan tien jaar bevriend geweest met [verweerder 2]. [verweerder 2] was als zelfstandige aangesloten bij Fair Financieringsadvies B.V. tot hij daar begin 2020 een zakelijk geschil mee kreeg, hetgeen ertoe leidde dat die samenwerking werd beëindigd. [verweerder 2] vroeg zijn vriend [eiser 2] hem te helpen in de onderhandelingen over de afwikkeling van de samenwerking met Fair Financieringsadvies B.V.”
ii. “Gedurende die periode wilde [verweerder 2] zijn werk als tussenpersoon voortzetten en daarom vroeg hij [eiser 2] om zijn ([verweerder 2]) nieuwe klanten voorlopig onder het agentschap van Autogeld te plaatsen. Autogeld zou dus de tussenpersoon worden die die klanten zou bedienen. [verweerder 2] zou daarvoor een factuur aan Autogeld sturen die Autogeld zou betalen. Een klein deel van de provisie betreffende die klanten, te weten (gemiddeld) ca. 10%, zou aan [eiser 2] en [betrokkene 1] toekomen doordat die provisie binnen Autogeld zou blijven.”
iii. “In de periode april-juni 2020 lukt het [verweerder 2] niet om een eigen aanstelling/agentschap bij een financiële instelling te verkrijgen, vanwege de kleine omvang van zijn productie (klanten). Een tweede complicatie is dat bij het aanvangen van een nieuwe aanstelling de provisies veel lager zijn als de productie laag is. In deze branche werkt het volgens de wet van de grote aantallen: indien je als tussenpersoon veel ‘obligo’ (= in te zetten leasebedragen) kunt realiseren, krijg je betere provisieafspraken.”
iv. “[…] Dus wordt er gekeken naar een andere vorm van samenwerking waarbij het de nadrukkelijke wens van [verweerder 2] is om een samenwerking met een commitment van alle partijen voor de lange termijn aan te gaan, waarbij [verweerder 2] als een volwaardig lid van het team zou opereren, opdat hij door derden niet als een buitenstaander gezien zou worden. Daarom werd gekeken naar een samenwerking waarbij partijen gedurende drie jaar intensief zouden samenwerken en gedurende die periode ook toe zouden werken naar het oprichten van een gezamenlijke entiteit, opdat daarmee feitelijk tegemoet werd gekomen aan de wens van [verweerder 2] om als aandeelhouder samen te werken met [eiser 2] en ([betrokkene 1]). […]”
v. “Door de samenwerking met [eiser 2] en [betrokkene 1] is [verweerder 2] onderdeel geworden van een team dat alles op orde had op het gebied van o.a. netwerk, infrastructuur en reputatie en een A-status had op het gebied van commerciële en financiële afspraken met financieringsmaatschappijen. Vóór de samenwerking leverde het dealernetwerk van [verweerder 2] ca. € 4.000 per maand aan provisie op. Na slechts achttien maanden samenwerking met [eiser 2] en [betrokkene 1] was deze provisie op basis van hetzelfde dealernetwerk gestegen naar circa € 33.000, waarvan slechts circa € 3.000 (10%) afgestaan werd aan Autogeld. Daarnaast liep [verweerder 2] geen enkel risico, omdat al het werk vanuit en op naam Autogeld uitgevoerd werd.”
vi. Partijen zijn de overeenkomst aangegaan, omdat [verweerder 2] in de problemen was gekomen en hulp vroeg aan zijn vriend [eiser 2].
vii. [verweerder 2] is in feite deel gaan uitmaken van het Autogeld-team en heeft van een lang gevestigde organisatie geprofiteerd.
viii. Het was voor partijen een belangrijke voorwaarde dat zij de overeenkomst aangingen voor een vaste periode van ten minste 36 maanden en dat alle zakelijke klanten, ook die welke [verweerster 1] aanbracht, klant werden en bleven van Autogeld.
ix. De juridische en economische eigendom van de portefeuille ligt bij Autogeld, en Autogeld draagt ook alle risico’s.
x. Alle bij Autogeld ondergebrachte klanten worden en blijven klant van Autogeld en zijn en blijven dus onderdeel van de financieringsportefeuille van Autogeld, ook de klanten die [verweerster 1] heeft aangebracht.
xi. Uit de softwarelicentie van Autogeld op het MEAX-softwaresysteem volgt dat de juridische en economische eigendom van de portefeuille bij Autogeld ligt, en [betrokkene 1] onderschrijft dit ook.
xii. Ook particuliere klanten werden gezamenlijk bediend, maar dan via de vennootschap van [betrokkene 1], Autogeld Financieringen, en die portefeuillerechten kwamen niet aan [verweerster 1] toe.
4.8
De rechtsklacht faalt. Het hof moest de Haviltex-maatstaf toepassen en uit r.o. 3.5 blijkt dat het hof die maatstaf voorop heeft geplaatst. In zoverre is van een onjuiste rechtsopvatting dan ook geen sprake. Voor het overige probeert het subonderdeel in essentie motiveringsklachten in de jas van een rechtsklacht te steken. Uit de motivering door het hof, die hierna en bij de bespreking van de onderdelen 2 en 3 nog uitvoerig aan de orde zal komen, blijkt volgens mij genoegzaam dat het hof niet slechts (en ook niet vooral) is uitgegaan van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst, maar dat het hof juist, mede aan de hand van de tekst van de overeenkomst, de bedoelingen van partijen heeft onderzocht. Waarom dat niet het geval zou zijn, licht onderdeel 1 in ieder geval onvoldoende concreet toe.
4.9
Voor zover de motiveringsklacht van subonderdeel 1.1 is gericht tegen r.o. 3.5 faalt deze wegens een gebrek aan belang. Gelet op hetgeen het hof in de laatste alinea van r.o. 3.3 heeft overwogen, is r.o. 3.5 een inleiding. Als inleiding draagt r.o. 3.5 het oordeel van het hof niet zelfstandig; het wegvallen ervan heeft geen consequenties voor het oordeel.
4.10
Over de door subonderdeel 1.1 aangevoerde stellingen merk ik nog het volgende op.
4.11
Stellingen (i)-(vi) zijn mijns inziens geen essentiële stellingen. Zij kunnen bijdragen aan het verkrijgen van een volledig beeld van het geschil, maar raken niet aan de vragen waar het blijkens het middel in cassatie om draait: mocht [verweerder] een andere tussenpersoon dan Autogeld inschakelen? En hebben partijen de overeenkomst tussentijds beëindigd? De stellingen zijn dan ook niet essentieel voor het beantwoorden van deze vragen, en het hof heeft daarom niet op de stellingen hoeven in te gaan (voor zover het dat niet heeft gedaan). Mijns inziens kunnen de stellingen al met al niet tot een andere beslissing leiden. Ik laat ze daarom verder buiten beschouwing.
4.12
Stellingen (ix)-(xii) zijn mijns inziens evenmin essentiële stellingen. In de kern wordt met die stellingen het standpunt onderbouwd dat alle klanten klant c.q. ‘de eigendom’ van Autogeld c.s. zijn geworden. In cassatie gaat het niet om de vraag of alle klanten klant c.q. de eigendom van Autogeld c.s. zijn geworden. In cassatie gaat het onder andere wel om de (enigszins aanverwante) vraag wat partijen zijn overeengekomen over het inschakelen van een andere tussenpersoon dan Autogeld. Er is nagelaten om toe te lichten waarom stellingen over van wie het klantenbestand is relevant zijn voor de beantwoording van deze vraag. Mijns inziens kunnen ook deze stellingen niet tot een andere beslissing leiden, en ik laat daarom ook deze stellingen verder buiten beschouwing.
4.13
Bij de bespreking van onderdeel 2 zal ik stelling (vii) betrekken en bij de bespreking van onderdeel 3 stelling (viii).
4.14
Subonderdeel 1.2 richt zich tegen r.o. 3.5 en verwijt het hof dat het bij voorbaat als vertrekpunt heeft genomen dat sprake zou zijn van een onvolledige en deels innerlijk tegenstrijdige overeenkomst en dat Autogeld daarvan het (bewijs)risico zou moeten dragen.
4.15
Het subonderdeel faalt eveneens wegens een gebrek aan belang, omdat het is gericht tegen een rechtsoverweging die het oordeel van het hof niet zelfstandig draagt. Zie randnummer 4.9 hierboven.
Onderdeel 2
4.16
Onderdeel 2 houdt drie subonderdelen in, die uitsluitend motiveringsklachten bevatten. Blijkens de kop erboven richt het onderdeel zich tegen r.o. 3.14-3.18. Het onderdeel vangt aan met een inleiding, waarin r.o. 3.12-3.14 worden geciteerd. De inleiding bevat geen zelfstandige klachten.
4.17
Subonderdeel 2.1 richt zich tegen het oordeel van het hof dat Autogeld c.s. onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij ondanks de uitdrukkelijk omschreven keuzevrijheid toch heeft mogen verwachten dat [verweerder] ook voor eigen relaties geen andere tussenpersonen mocht inschakelen. Het subonderdeel voert aan dat er, anders dan het hof heeft overwogen, geen sprake is van tegenstrijdigheid tussen de bepaling “Geen aanvragen via een andere tussenpersoon zonder toestemming, boete 25K per gebeurtenis” en de bepaling “huidige dealers blijven bij jouw en doe je de aanvragen zelf voor. Deze mag je indienen via autogeld of via eigen agentschap. De keuze is reuze.” Het subonderdeel verwijst naar randnummers 2.11, 2.21 en 2.22 van de memorie van grieven en doet een beroep op de stellingen van Autolease c.s. dat:
a. het verbod op het inschakelen van andere tussenpersonen zo moet worden uitgelegd dat partijen hebben afgesproken om gedurende hun samenwerking elkaar geen concurrentie aan te doen en alleen via Autogeld aanvragen voor klanten in te dienen, tenzij daarvan met toestemming van alle partijen van wordt afgeweken;
b. [verweerder] slechts één keer gebruik heeft gemaakt van een andere tussenpersoon dan Autogeld, waarna Autogeld c.s. [verweerder] direct op het verbod op het inschakelen van andere tussenpersonen heeft geattendeerd en [verweerder] de overeenkomst heeft nagekeken en de inhoud van het concurrentiebeding heeft bevestigd;
c. de bepaling “huidige dealers blijven bij jouw en doe je de aanvragen zelf voor. Deze mag je indienen via autogeld of via eigen agentschap. De keuze is reuze.” zo moet worden uitgelegd dat [verweerder] de keuze had om klanten die zij al voor het aangaan van de overeenkomst had verkregen ofwel via Autogeld ofwel via een ander agentschap te bedienen;
d. als [verweerder] ervoor zou kiezen om aanvragen via Autogeld te doen, zij zich ten aanzien van de betreffende klanten wel aan de voorwaarden van de samenwerking diende te houden en de keuze tussen Autogeld en andere tussenpersonen er niet was ten aanzien van klanten die [verweerder] na het aangaan van de overeenkomst uit haar netwerk zou verkrijgen; en
e. het relatiebeding zo moet worden uitgelegd dat het niet alleen ziet op het benaderen van elkaars dealers, maar ook op het buiten de samenwerking om benaderen van elkaars klanten die via Autogeld bediend worden (“Relaties die we samen bewerken blijven eigendom van Autogeld Lease B.V.”).
4.18
Het subonderdeel verwijst verder nog naar de stelling dat partijen zijn overeengekomen om voor drie jaar te gaan samenwerken, in dier voege dat nieuwe dealers of klanten onder het agentschap van Autogeld zouden worden gebracht. Het subonderdeel voert aan dat uit deze stelling volgt dat [verweerder] niet de vrijheid heeft om naar eigen keuze een andere tussenpersoon dan Autogeld in te schakelen. Ik verwijs hierna naar deze stelling als stelling f.
4.19
Ook verwijst het subonderdeel nog naar de stelling dat [verweerder] zich de eerste achttien maanden wel aan de overeenkomst heeft gehouden om alleen via Autogeld te financieren en om daarvan ook zelf profijt te trekken. Het subonderdeel voert aan dat het hof niet heeft begrepen dat de bepaling “huidige dealers blijven bij jouw en doe je aanvragen zelf voor. Deze mag je indienen via autogeld of via eigen agentschap. De keuze is reuze.” gaat over de huidige dealers en dus niet overbodig is. Ik verwijs hierna naar deze stelling als stelling g.
4.20
Tot slot wijst het subonderdeel erop dat de WhatsApp-conversatie, die het hof in r.o. 3.15-3.17 heeft besproken, duidt op een bevestiging van het standpunt van Autogeld c.s. ten aanzien van wat uit de overeenkomst zou volgen.
4.21
Ik zie aanleiding om hier ook de in het kader van onderdeel 1 aangevoerde stelling (vii) te behandelen. Voor het leesgemak herhaal ik de stelling:
vii. [verweerder 2] is in feite deel gaan uitmaken van het Autogeld-team en heeft van een lang gevestigde organisatie geprofiteerd.
4.22
Stelling a heeft het hof in r.o. 3.14 en 3.18 in overweging genomen. Onder verwijzing naar de bepaling “huidige dealers blijven bij jouw en doe je de aanvragen zelf voor. Deze mag je indienen via autogeld of via eigen agentschap. De keuze is reuze.” heeft het hof geoordeeld dat Autogeld c.s. onvoldoende heeft onderbouwd waarom [verweerder] ook voor eigen relaties geen andere tussenpersonen mocht inschakelen (r.o. 3.14). Gelet op de verdere motivering van het hof is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Bovendien lees ik stelling a eerder als een herhaling van de door Autogeld c.s. bepleite uitleg van de overeenkomst dan als een daadwerkelijke onderbouwing van die uitleg.
4.23
Stelling b heeft het hof in r.o. 3.15-3.17 in overweging genomen. Het hof heeft overwogen dat [verweerder 2] op het moment dat de samenwerking al een jaar liep in eerste instantie zijn verbazing over het verbod op het inschakelen van andere tussenpersonen uitsprak toen [eiser 2] hem daarop attendeerde (r.o. 3.16). Daaropvolgend heeft het hof overwogen dat [verweerder 2] na slechts een korte bestudering van de overeenkomst het verbod heeft bevestigd (r.o. 3.17). In aanvulling daarop heeft het hof overwogen dat het in de procedure niet gaat om de vraag of het verbod in de overeenkomst staat, maar om de vraag hoe het verbod zich verhoudt tot de bepaling dat het inschakelen van andere tussenpersonen voor eigen relaties juist is toegestaan (r.o. 3.17). Stelling b gaat niet in op die laatste vraag en faalt daarom wegens gebrek aan belang. Tegen de achtergrond van dit alles is het oordeel van het hof dat [eiser 2] op basis van de bevestiging van het verbod door [verweerder 2] niet mocht verwachten dat [verweerder 2] zich ook uitsprak over de bepaling dat het inschakelen van andere tussenpersonen voor eigen relaties is toegestaan en dat [eiser 2] aan de WhatsApp-conversatie niet het vertrouwen mocht ontlenen dat [verweerder 2] van de afgesproken keuzevrijheid afstand deed (r.o. 3.17), niet onbegrijpelijk. In het oordeel ligt overigens besloten dat de WhatsApp-conversatie het standpunt van Autogeld c.s. niet bevestigt.
4.24
Stelling c heeft het hof in r.o. 3.14 in overweging genomen. Het hof heeft overwogen dat partijen op 22 juni 2020 niet alleen de later geformuleerde bullet points maar het gehele document in één keer hebben ondertekend en iedere pagina, waaronder die met de eerder geformuleerde afspraken, afzonderlijk hebben geparafeerd (r.o. 3.14). Het hof heeft vervolgens overwogen dat als het de bedoeling van Autogeld c.s. was geweest om de bullet points steeds voor te laten gaan op de eerder overeengekomen bepalingen, het op haar weg had gelegen om dat uitdrukkelijk in de overeenkomst op te nemen, temeer omdat er aan overtredingen van de bepalingen in de bullet points forse boetes zijn verbonden (r.o. 3.14). Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat Autogeld c.s. onvoldoende heeft onderbouwd waarom [verweerder] tijdens de samenwerking voor eigen relaties geen andere tussenpersoon dan Autogeld mocht inschakelen, niet onbegrijpelijk.
4.25
Sterk teruggebracht tot de kern voert stelling d aan dat alle klanten voor wie [verweerder] Autogeld als tussenpersoon heeft ingeschakeld klant zijn geworden van Autogeld c.s. Deze stelling gaat niet in op de vraag of [verweerder] ook voor klanten die zij tijdens de samenwerking voor zichzelf had geworven een andere tussenpersoon dan Autogeld mocht inschakelen en dus ook niet op het met dit subonderdeel bestreden oordeel in r.o. 3.14 en faalt daarom wegens gebrek aan belang. Zie in dit kader ook mijn bespreking van de in het kader van subonderdeel 1.1 aangevoerde stellingen (ix)-(xii) in randnummer 4.12. Bovendien heeft het hof stelling d in r.o. 3.21-3.28 in overweging genomen. Het hof heeft geoordeeld dat als Autogeld c.s. de bedoeling had om de bepaling “Relaties die we samen bewerken blijven eigendom van Autogeld Lease B.V.” de bepaling “Beiden partijen houden huidige dealers en relaties” te laten beperken, het op haar weg had gelegen om dit uitdrukkelijk in de overeenkomst op te nemen (r.o. 3.22). In dat oordeel ligt besloten dat de klanten die [verweerder] voor zichzelf had geworven, voor of gedurende de samenwerking, en via Autogeld heeft bediend, niet klant van Autogeld c.s. zijn geworden.
4.26
Stelling e gaat evenmin in op de vraag of [verweerder] ook voor klanten die zij tijdens de samenwerking voor zichzelf had geworven een andere tussenpersoon dan Autogeld mocht inschakelen. Ook stelling e gaat dan ook niet in op het met dit subonderdeel bestreden oordeel in r.o. 3.14 en faalt daarom wegens gebrek aan belang. Bovendien heeft het hof stelling e in r.o. 3.21-3.22 in overweging genomen. Het hof heeft overwogen dat Autogeld c.s. heeft nagelaten om in de overeenkomst uitdrukkelijk op te nemen dat de bepaling “Relaties die we samen bewerken blijven eigendom van Autogeld Lease B.V.” een beperking is van de bepaling “Beiden partijen houden huidige dealers en relaties”. Als gevolg daarvan heeft [verweerder] volgens het hof niet hoeven begrijpen dat de eerste bepaling niet alleen op de gezamenlijke relaties uit de nieuwe samenwerking ziet, maar ook op de eigen relaties die zij via Autogeld heeft bediend (r.o. 3.22).
4.27
Stelling f voert volgens mij het door Autogeld c.s. bepleite doel van de samenwerking aan als argument voor de door Autogeld c.s. bepleite uitleg van de overeenkomst. Het hof heeft de stelling in overweging genomen. In r.o. 3.1 heeft het hof overwogen dat het voor een vaststelling van de feiten naar r.o. 2.1-2.5 van het vonnis van de rechtbank verwijst. In r.o. 2.3 van het vonnis heeft de rechtbank het doel van de samenwerking vastgesteld. In randnummers 4.1-4.7 van de memorie van grieven, waar stelling f naar verwijst, heeft Autogeld c.s. tegen de overweging van de rechtbank gegriefd. In randnummers 42-45 van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft [verweerder] tegen de grief verweer gevoerd. In de kern heeft [verweerder] gesteld dat de rechtbank het doel van de samenwerking in het vonnis juist heeft omschreven. In r.o. 3.1 van het bestreden arrest, in samenhang gelezen met r.o. 2.3 van het vonnis, ligt besloten dat het hof niet Autogeld c.s. maar [verweerder] is gevolgd in haar uitleg van het doel van de samenwerking. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Hiermee kan Autogeld c.s. aan het door haar bepleite doel van de samenwerking geen argument ontlenen voor de door haar bepleite uitleg van de overeenkomst. Met dit alles heeft het hof eveneens op niet onbegrijpelijke wijze op stelling vii (hiervoor onder 4.21 herhaald) gereageerd.
4.28
Stelling g heeft het hof in r.o. 3.18 in overweging genomen. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] voor het gedurende de samenwerking (nagenoeg) altijd inschakelen van Autogeld als tussenpersoon ook andere redenen kan hebben gehad dan het naleven van het door Autogeld c.s. beweerde verbod om andere tussenpersonen in te schakelen (r.o. 3.18). Dat is gelet op hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd niet onbegrijpelijk. In de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft [verweerder] namelijk herhaaldelijk gesteld dat er werd samengewerkt met het doel kortingen c.q. betere vergoedingen te verkrijgen door als één partij naar voren treden en dat een grotere schaal voordelig was voor alle betrokken partijen.11.
4.29
Subonderdeel 2.1 faalt.
4.30
Subonderdeel 2.2 stelt dat het hof in r.o. 3.18 de stelling dat [verweerder] gedurende de samenwerking geen andere tussenpersonen heeft ingeschakeld onbegrijpelijk heeft weggeschreven.12.Het hof zou zelf hebben verzonnen dat [verweerder] daarvoor ook andere goede redenen kan hebben gehad. Ook zou het hof hebben miskend dat de voordelen van het inschakelen van Autogeld c.s. alleen konden bestaan bij de afgesproken exclusiviteit. Tot slot zou de motivering van het hof het standpunt van Autogeld c.s. ondersteunen als het hof Autogeld c.s. in haar uitleg van de overeenkomst was gevolgd.
4.31
De eerste klacht van het subonderdeel faalt. Gelet op hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd,13.is de stelling dat het hof zelf heeft verzonnen dat [verweerder] ook andere redenen kan hebben gehad voor het inschakelen van Autogeld als tussenpersoon niet houdbaar. Gelet op het partijdebat is ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen zoals het heeft gedaan. Zie ook mijn bespreking van subonderdeel 2.1, stelling g in randnummer 4.28 hierboven.
4.32
Ook de tweede klacht van het subonderdeel faalt. Het subonderdeel verwijst terug naar onderdeel 1. Noch in de in onderdeel 1 aangevoerde stellingen noch in de memorie van grieven heb ik een stelling met een door het subonderdeel voorgestelde strekking gelezen. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof niet in overweging heeft genomen of de voordelen van het inschakelen van Autogeld c.s. alleen konden bestaan bij de afgesproken exclusiviteit.
4.33
Ook de derde klacht van het subonderdeel faalt. De klacht richt zich niet tegen de uitleg van de overeenkomst door het hof als zodanig en faalt dan ook wegens gebrek aan belang.
4.34
Subonderdeel 2.3 richt zich tegen de oordelen van het hof in r.o. 3.14 en r.o. 3.18. Gelet op de eerder in subonderdeel 2 vermelde stellingen zouden deze oordelen onbegrijpelijk zijn.
4.35
Subonderdeel 2.3 bouwt voort op subonderdeel 2.1 en subonderdeel 2.2 en deelt het lot ervan.
4.36
Uit het falen van subonderdeel 2.1 tot en met 2.3 volgt overigens dat de motiveringsklacht van subonderdeel 1.1, voor zover die klacht is gericht tegen hetgeen met onderdeel 2 wordt bestreden, eveneens faalt.
Onderdeel 3
4.37
Onderdeel 3 is gericht tegen r.o. 3.39 e.v. en stelt in essentie dat partijen in januari 2022 nog niet met de beëindiging van de overeenkomst akkoord waren en dat de overeenkomst dus nog niet wat was beëindigd. Onderdeel 3 houdt negen subonderdelen in, die telkens motiveringsklachten bevatten.
4.38
Ik zie aanleiding om hier eerst de in het kader van onderdeel 1 aangevoerde stelling (viii) te behandelen. Voor het leesgemak herhaal ik de stelling:
viii. Het was voor partijen een belangrijke voorwaarde dat zij de overeenkomst aangingen voor een vaste periode van ten minste 36 maanden en dat alle zakelijke klanten, ook die welke [verweerster 1] aanbracht, klant werden en bleven van Autogeld.
4.39
Het eerste deel van stelling viii, dat het voor partijen een belangrijke voorwaarde was dat zij de overeenkomst aangingen voor een vaste periode van ten minste 36 maanden, kan in het kader van onderdeel 3 als essentiële stelling worden gezien, omdat het impliciet iets zegt over de mogelijkheid om de samenwerking al dan niet tussentijds te beëindigen. Het hof heeft de stelling in r.o. 3.37 in overweging genomen. Het hof heeft geoordeeld dat uit de tekst van de overeenkomst de bedoeling van partijen kan worden afgeleid “om een samenwerking voor drie jaar af te spreken, met de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging als alle partijen daarmee instemmen”. Tussen partijen bestaat geen discussie over de mogelijkheid om de overeenkomst tussentijds te beëindigen. R.o. 3.38-3.46 draaien om de realisatie van deze mogelijkheid. Tegen deze achtergrond treft stelling (viii) in het kader van onderdeel 3 geen doel.
4.40
Het tweede deel van stelling viii, dat het voor partijen een belangrijke voorwaarde was dat alle zakelijke klanten klant werden en bleven van Autogeld, kan in het kader van onderdeel 3 niet als essentiële stelling worden gezien, omdat het niets zegt over de mogelijkheid om de samenwerking al dan niet tussentijds te beëindigen. Ten overvloede geef ik nog mee dat het tweede deel van stelling viii ook in het kader van onderdeel 2 niet als essentiële stelling kan worden gezien. Het gaat niet over het verbod om andere tussenpersonen dan Autogeld in te schakelen.
4.41
Subonderdeel 3.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.40 dat [verweerder] de mededelingen, die [eiser 2] tijdens de bespreking van 14 januari 202214.heeft gedaan, kennelijk als een wens van [eiser 2] en [betrokkene 1] heeft begrepen om de huidige samenwerking te beëindigen en zonder elkaar verder te gaan als partijen het niet eens zouden worden over een nieuwe overeenkomst. Het oordeel zou onbegrijpelijk zijn, omdat Autogeld c.s. overeenstemming over een (nadere) financiële afwikkeling als voorbehoud had gemaakt en die overeenstemming niet is bereikt.15.
4.42
Het subonderdeel treft geen doel. In r.o. 3.40 heeft het hof geoordeeld over wat [verweerder] uit de bespreking van 14 januari 2022 heeft mogen opmaken. Volgens het hof hebben [eiser 2] en [betrokkene 1] tijdens die bespreking een aanbod gedaan om de samenwerking te beëindigen, onder voorbehoud van een financiële afwikkeling, en [verweerder 2] heeft te kennen gegeven dat aanbod te willen aanvaarden (r.o. 3.39). Het was toen nog niet 100% zeker of partijen de samenwerking zouden beëindigen en tot een financiële afwikkeling zouden moeten komen. Laat staan dat de inhoud van de financiële afwikkeling 100% zeker was. Het hof heeft in r.o. 3.40 ook niet geoordeeld dat dit wel zo was.
4.43
Subonderdeel 3.2 is gericht tegen het hiervoor aangehaalde oordeel van het hof in r.o. 3.40. Het oordeel zou buiten de rechtsstrijd gaan, omdat het, gelet op het woord “kennelijk”, berust op een eigen veronderstelling van het hof.
4.44
Het hof is niet buiten de rechtsstrijd getreden, en het subonderdeel faalt dan ook. In de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft [verweerder] aangevoerd dat het de wens van Autogeld c.s. was om te beëindigen als [verweerder] niet zou instemmen met de nieuwe overeenkomst.16.
4.45
Subonderdeel 3.3 is gericht tegen het hiervoor aangehaalde oordeel van het hof in r.o. 3.40. Het oordeel zou niet te rijmen zijn met het feit dat [verweerster 1] de overeenkomst pas in april 2022 heeft opgezegd. Autogeld c.s. zou nimmer met die opzegging akkoord zijn gegaan en dus zou geen sprake van de contractueel vereiste unanieme instemming met tussentijdse beëindiging.
4.46
Het subonderdeel faalt. Ik verwijs naar mijn bespreking van subonderdeel 3.1 in randnummers 4.41 en 4.42 hierboven.
4.47
Subonderdeel 3.4 bouwt voort op subonderdelen 3.1-3.3 en deelt het lot ervan. Bovendien specificeert het subonderdeel onvoldoende tegen welke overwegingen het zich richt.
4.48
Subonderdeel 3.5 richt zich tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.45 dat in hetgeen partijen op 14 januari 2022 hebben besproken alsmede de correspondentie per e-mail en het feitelijk handelen dat erop volgde, besloten lag dat partijen akkoord waren met een tussentijdse beëindiging zoals in de overeenkomst bedoeld. Het oordeel zou niet (mede) besloten kunnen liggen in hetgeen partijen op 14 januari 2022 besproken hebben, omdat Autogeld c.s. zich nimmer akkoord heeft verklaard met een tussentijdse beëindiging en het hof een unanieme instemming ook niet heeft vastgesteld.
4.49
Het subonderdeel faalt. Ik verwijs naar mijn bespreking van subonderdeel 3.1 in randnummers 4.41 en 4.42 hierboven.
4.50
Subonderdeel 3.6 richt zich tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.41 dat Autogeld c.s. uit de e-mail van [verweerder] van 21 januari 2022 heeft moeten begrijpen dat [verweerder] het aanbod van [eiser 2] en [betrokkene 1] aanvaardde om de samenwerking te beëindigen. Het oordeel zou onbegrijpelijk zijn om verschillende redenen. Ten eerste zou Autogeld c.s. nimmer een voorstel hebben gedaan tot tussentijdse beëindiging van de overeenkomst. Ten tweede zou het oordeel zich niet verdragen met het eveneens bestreden oordeel van het hof dat op de bijeenkomst van 14 januari 2022 al wederzijdse instemming zou hebben bestaan. Tot slot zou het oordeel onverenigbaar zijn met de inhoud van de e-mail van [verweerder] van 21 januari 2022, omdat het zou zijn gegaan om een voorstel van Autogeld c.s. om de voorwaarden van de samenwerking te herzien en [verweerder] de huidige samenwerking zou hebben willen continueren.
4.51
De eerste reden overtuigt niet. Uit de door het hof geciteerde notulen van de bespreking van 14 januari 2022 blijkt dat [eiser 2] en [betrokkene 1] [verweerder 2] een aanbod hebben gedaan om de samenwerking te beëindigen, onder voorbehoud van een financiële afwikkeling (r.o. 3.39 en 3.40). Het oordeel van het hof is op dit punt dan ook niet onbegrijpelijk. In het subonderdeel wordt niet uitgelegd waarom Autogeld c.s. dat aanbod niet zou hebben gedaan.
4.52
De tweede reden mist feitelijke grondslag. Het hof heeft namelijk niet geoordeeld dat op de bijeenkomst van 14 januari 2022 al wederzijdse instemming zou hebben bestaan. Ik verwijs naar mijn bespreking van subonderdeel 3.1 in randnummers 4.41 en 4.42 hierboven.
4.53
De derde reden overtuigt ook niet. Het hof maakt uit de notulen van de bespreking van 14 januari 2022 onder andere op dat [eiser 2] en [betrokkene 1] de huidige samenwerking wilden beëindigen en zonder elkaar verder wilden gaan als partijen het niet eens zouden worden over het herzien van de samenwerking (r.o. 3.40). Het door het subonderdeel geschetste voorstel doet geen recht aan het volledige aanbod van [eiser 2] en [betrokkene 1]. Evenmin doet de door het subonderdeel geciteerde zinsnede uit de e-mail van [verweerder 2] van 21 januari 2022 recht aan de gehele e-mail. [verweerder 2] heeft in die e-mail namelijk ook gesteld: “Mocht dat voor jullie geen optie zijn, is een beëindiging van de samenwerking het enige alternatief”. Oftewel: als [eiser 2] en [betrokkene 1] de huidige samenwerking niet willen voortzetten, wat blijkens de notulen van de bespreking van 14 januari 2022 het geval is, dan is beëindiging van de samenwerking het enige alternatief. [verweerder 2] heeft met zijn e-mail van 21 januari 2022 het aanbod van [eiser 2] en [betrokkene 1] aanvaard.
4.54
Subonderdeel 3.7 richt zich tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.41 dat [verweerder] in zijn e-mail van 21 januari 2022 de keuze die hij op 14 januari 2022 heeft gemaakt, heeft bevestigd. Het subonderdeel voert aan dat een bevestiging van de keuze niet in de e-mail is te lezen.
4.55
Subonderdeel 3.7 faalt, omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Zie mijn behandeling van subonderdeel 3.6 in randnummers 4.50 tot en met 4.53 hierboven.
4.56
Subonderdeel 3.8 is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.42. Daar heeft het hof geoordeeld dat uit de e-mail van [eiser 2] van 27 januari 2022 volgt dat [eiser 2] uitging van beëindiging van de overeenkomst en over een vaststellingsovereenkomst nadacht. Subonderdeel 3.8 stelt dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is en voert aan dat Autogeld c.s. nimmer akkoord is gegaan met de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat de voorbehouden financiële afwikkeling er niet is gekomen. Ook zouden partijen de samenwerking hebben gestaakt, wat niet op een lijn kan worden geplaatst met het bereiken van een akkoord over beëindiging van de samenwerking.
4.57
Subonderdeel 3.8 faalt. Vooraf benadruk ik dat het hier om feitelijke oordelen gaat, die aan de feitenrechter zijn voorbehouden. Het hof heeft in r.o. 3.45 geoordeeld dat in de bespreking tussen partijen van 14 januari 2022, de e-mail van [verweerder 2] van 21 januari 2022, de e-mail van [eiser 2] van 27 januari 2022 en de daaropvolgende feitelijke gedragingen besloten ligt dat partijen akkoord waren met de tussentijdse beëindiging van de samenwerking. Aan dit eindoordeel gaan enkele overwegingen vooraf, die mijns inziens in samenhang met r.o. 3.45 moeten worden gelezen.
4.58
Op basis van de in r.o. 3.39 aangehaalde notulen van de bespreking tussen partijen van 14 januari 2022 heeft het hof in r.o. 3.40 geoordeeld dat [eiser 2] en [betrokkene 1] [verweerder 2] tijdens deze bespreking het aanbod hebben gedaan om de samenwerking te beëindigen. Gelet op hetgeen blijkens die notulen is besproken, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Bovendien was het, gelet op het oordeel van het hof in r.o. 3.40, niet aan [eiser 2] en [betrokkene 1] maar aan [verweerder 2] om dat aanbod al dan niet te aanvaarden.
4.59
Op basis van de in r.o. 3.41 aangehaalde e-mail van [verweerder 2] van 21 januari 2022 heeft het hof in diezelfde rechtsoverweging geoordeeld dat [verweerder 2] met deze e-mail het aanbod van [eiser 2] en [betrokkene 1] van 14 januari 2022 heeft aanvaard. Gelet op de inhoud van die e-mail, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het hof heeft aan dat oordeel in dezelfde overweging toegevoegd dat de gevolgen van de beëindiging van de samenwerking nog moesten worden uitgewerkt en vastgelegd. In het oordeel van het hof ligt volgens mij besloten dat de gebondenheid aan de overeenkomst op 21 januari 2022 is geëindigd.
4.60
In r.o. 3.44 heeft het hof de feitelijke gedragingen van Autogeld c.s. in overweging genomen en benadrukt dat Autogeld c.s. uitdrukkelijk heeft erkend dat de samenwerking feitelijk in februari 2022 is gestopt. Het hof heeft kennelijk uit de feitelijke gedragingen opgemaakt dat partijen van een financiële afwikkeling hebben afgezien. Gelet op het feit dat tussen partijen buiten discussie staat dat de samenwerking in februari 2022 feitelijk is gestopt, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het op de feitelijke gedragingen van partijen gebaseerde oordeel van het hof in r.o. 3.44 onderstreept overigens het oordeel van het hof in r.o. 3.41 dat de eventuele invulling van de financiële afwikkeling niet betekent dat partijen nog aan de overeenkomst waren gebonden (zie randnummer 4.59 hierboven).
4.61
Subonderdeel 3.9 is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.45. Daar overweegt het hof onder andere dat de advocaat van Autogeld c.s. [verweerder] op 8 april 2022 heeft gesommeerd om de overeenkomst na te komen, waarna de boekhouder van [verweerder] zich namens [verweerder] in een e-mail van 26 april 2022 op ontbinding heeft beroepen. Het hof oordeelt dat dit echter niet voldoende is om aan te nemen dat [verweerder] van het voortzetten van de overeenkomst uitging en niet al in januari 2022 met beëindiging van de overeenkomst akkoord was gegaan. Subonderdeel 3.9 stelt dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is en voert aan dat de door het hof in overweging genomen omstandigheden niet zijn te verenigen met een reeds bestaand akkoord over beëindiging van de overeenkomst.
4.62
Subonderdeel 3.9 faalt. Afgezet tegen de bespreking tussen partijen van 14 januari 2022, de e-mail van [verweerder 2] van 21 januari 2022, de e-mail van [eiser 2] van 27 januari 2022 en de daaropvolgende feitelijke gedragingen heeft hof in de door het subonderdeel aangevoerde omstandigheden onvoldoende aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Die weging van omstandigheden en het op basis daarvan gegeven oordeel zijn voorbehouden aan de feitenrechter.
4.63
Uit het falen van subonderdeel 3.1 tot en met 3.9 volgt overigens dat de motiveringsklacht van subonderdeel 1.1, voor zover die klacht is gericht tegen hetgeen met onderdeel 3 wordt bestreden, eveneens faalt.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑11‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7028.
Rechtbank Midden-Nederland 14 juni 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2822.
Bestreden arrest, r.o. 3.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat de overeenkomst uit twee documenten bestaat: een document van 27 mei 2020 en een document van 22 juni 2020. De eerste grief van Autogeld c.s. is tegen deze feitenvaststelling gericht. Zie randnummers 3.1-3.3 van de memorie van grieven in principaal appel. In randnummers 40-41 van de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft [verweerder] verweer gevoerd tegen de eerste grief van Autogeld c.s. Het hof heeft uiteindelijk aangenomen dat ook de overige door Autogeld c.s. als productie 34 overgelegde documenten (waaronder het in dit randnummer genoemde Excel-bestand) onderdeel uitmaken van de afspraken tussen partijen, omdat [verweerder] volgens het hof de grief van Autogeld c.s. niet inhoudelijk heeft betwist.
Bestreden arrest, r.o. 3.1.
Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner.
HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9430, NJ 2001/199, r.o. 3.9.
HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7356, NJ 2009/246, r.o. 3.7.3, HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7624, NJ 2007/175, r.o. 3.3.2 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9430, NJ 2001/199, r.o. 3.8-3.9. Zie ook concl. A-G Van Peursem 6 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1270, r.o. 2.3, concl. A-G Hartlief 24 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:670, r.o. 3.20 en concl. A-G Timmerman 29 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:749, r.o. 3.2.
HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7886, NJ 2010/623, r.o. 3.4.1, HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085, NJ 2011/5, m.nt. L.C.A. Verstappen, r.o. 3.5, HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9717, NJ 2006/378, m.nt. M.M. Mendel, r.o. 4.2 en HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169, m.nt. J.H. Spoor, r.o. 3.3.2 (Wessanen c.s./WSB). Zie ook concl. A-G G. Snijders 1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:743, r.o. 3.5-3.6 en concl. A-G Hartlief 24 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:670, r.o. 3.20. Zie verder Asser/Sieburgh 6-III 2022/368 en Van der Voort Maarschalk in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/65 en 69.
HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169, m.nt. J.H. Spoor, r.o. 3.3.3.
Memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, randnummers 10, 85, 86 en 96.
In het kader van subonderdeel 2.1 wordt met stelling g aangevoerd dat het hof geen, althans onvoldoende, aandacht heeft besteed aan een stelling met eenzelfde strekking als hetgeen met subonderdeel 2.2 wordt aangevoerd. Uit de bewoording van subonderdeel 2.2 leid ik af dat eisers toch wel van mening zijn dat het hof aandacht heeft besteed aan de stelling dat [verweerder] de eerste achttien maanden alleen via Autogeld heeft gefinancierd en hiervan zelf profijt heeft getrokken.
In de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft [verweerder] herhaaldelijk gesteld, ook in het kader van de vraag hoe het concurrent- en relatiebeding moet worden uitgelegd, dat er werd samengewerkt met het doel kortingen c.q. betere vergoedingen te verkrijgen door als één partij naar voren treden en dat een grotere schaal voordelig was voor alle betrokken partijen. Zie Memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, randnummers 10, 85, 86 en 96.
Gelet op hetgeen heeft hof op andere plaatsen in het bestreden arrest, waaronder r.o. 3.39, heeft overwogen, heeft het hof in r.o. 3.40 abusievelijk overwogen dat de bespreking op 14 april 2022 heeft plaatsgevonden. Dat had 14 januari 2022 moeten zijn. In het subonderdeel wordt overigens volgens mij abusievelijk over 22 januari 2022 gesproken.
In het subonderdeel wordt naar drie overwegingen van het hof verwezen, waaronder r.o. 4.39 en 4.41, waarmee r.o. 3.39 en r.o. 3.42 zullen zijn bedoeld.
Memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, randnummers 10, 85, 86 en 96.