Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.5.2.1
5.5.2.1 Dwingend recht en de stoel van de ondernemer
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460796:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk: OK 30 november 2000,JOR 2001, 4, r.o. 3.8 (Zwagerman Beheer); OK 23 november 2000,JOR 2001, 10 (Gebroeders Langedijk); OK 21 juni 2001,JOR 2001, 184 (EMO Groep).
OK 4 juli 2007,ARO 2007, 126 (Samlerhuset Group). Ter vergelijking: in OK 5 augustus 2005,ARO 1005, 159 (Samlerhuset Group) is de RvC de bevoegdheid verleend (bij wijze van regeling van de gevolgen van de in de eerste fase getroffen onmiddellijke voorzieningen) tot benoeming van bestuurders van de vennootschap, zulks met terzijdestelling van hetgeen in de statuten omtrent de bevoegdheid tot benoeming van bestuurders is bepaald. Vergelijk paragraaf 4.3.1.2, tekstnummer 93 (noot 51). Ik heb in paragraaf 4.4.1.2 geconcludeerd dat de OK wat dit betreft wél is gebleven binnen de materiële grenzen van haar bevoegdheden.
OK 23 juni 1994,NJ 1995, 456 (ITP Holland Beleggingsmaatschappij). Vergelijk tekstnummer 148 (noot 109).
Vergelijk Huizink ((Rechtspersonen), art. 2: 129, aant. 14), die lid 2 aldus begrijpt dat iedere bestuurder aan de besluitvorming moet kunnen deelnemen, hetgeen impliceert dat iedere bestuurder ten minste één stem heeft.
Zie in dit verband echter art. 129a lid 1 Wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 BW in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in NV’s en BV’s (Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 2): ‘Bij of krachtens de statuten kan worden bepaald dat bestuurstaken worden verdeeld over één of meer niet uitvoerende bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders.’
Zie ook in kritische zin IJsselmuiden 1994, p. 278.
Onder andere: OK 8 oktober 1998,JOR 1998, 166 (Hoffmann Beheer, m.nt. Josephus Jitta); OK 27 april 2005,ARO 2005, 77 (Dolphin Watercompany); OK 9 augustus 2007,ARO 2007, 145 (Pondac Products). Zie voor deze uitspraken ook tekstnummer 140, onder (4).
Vergelijk Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 55 (MvA).
163. Wat betreft de voorzieningen die binnen de leiding (bestuur en RvC) van de vennootschap worden getroffen, kan mijns inziens worden geconcludeerd dat de Ondernemingskamer daarbij in de meeste beschikkingen in materieel opzicht blijft binnen de grenzen van haar bevoegdheden, een aantal uitzonderingen daargelaten. De hierboven weergegeven beslissing van de Hoge Raad in de beschikking inzake Zwagerman Beheer verzet zich er uiteraard tegen dat de Ondernemingskamer aan de door haar benoemde commissarissen de bevoegdheden toe-kent van de RvC van een structuurvennootschap.1 Hetzelfde geldt mijns inziens voor de toekenning aan de RvC van een gewone vennootschap van de bevoegdheid bestuurders te benoemen en te ontslaan, hetzij via een statutaire aanpassing (art. 2: 356 sub d BW), hetzij op grond van art. 2: 357 lid 2 BW (bij wijze van de regeling van de gevolgen).2 Vraagtekens kunnen eveneens worden geplaatst bij de beschikking inzake ITP Holland Beleggingsmaatschappij3, waarin een buitenstaander tot voorzitter van het bestuur wordt aangesteld (zonder stemrecht, maar wel met een doorslaggevende stem in geval de stemmen in het bestuur staken) met geen ander doel dan toezicht te houden op de beide (andere) bestuurders. Het is niet duidelijk welke de status is van deze voorzitter. Heeft hij te gelden als (mede)bestuurder, dan lijkt de voorziening te strijden met (het systeem van) art. 2: 239 BW dat inhoudt dat geen van de bestuurders van de besluitvorming kan worden uitgesloten.4Van strijd met het Nederlands vennootschapsrecht lijkt eveneens sprake te zijn indien de voorzitter slechts toezichthouder is, omdat deze figuur – die associaties oproept met die van de Engelse non-executive director – (vooralsnog5) vreemd is in ons recht.6
Ten slotte, van andere orde zijn de beschikkingen waarin een van de bestuurders wordt ontslagen omdat het belang van de vennootschap vergt dat de leiding in handen is van uitsluitend de andere bestuurder.7 Ik vraag mij vooral af of het wenselijk is dat de Ondernemingskamer een dergelijke keuze maakt en of dit een beslissing is waarvoor zij de verantwoordelijkheid kan dragen.8 Deze wijze van geschilbeslechting is mijns inziens te meer discutabel nu de desbetreffende bestuurders eveneens voor een langere periode (twee of drie jaar) als aandeelhouder buiten spel worden geplaatst, hetgeen de facto een uitstoting (vergelijk art. 2: 336 lid 1 BW) inhoudt.