De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.1:21.2.2.1 Inleiding; het Saelman-arrest
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.1
21.2.2.1 Inleiding; het Saelman-arrest
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369024:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In r.o. 3.4. De casus van het arrest komt in § 21.2.2.3 nader aan de orde.
Twee voorbeelden van discrepanties: (i) het instellen van de vordering vergt van de benadeelde een onevenredig groot offer (§ 21.2.2.2) en (ii) de benadeelde zag af van juridische actie omdat hij op goede grond meende dat die geen enkele kans van slagen had (zie hierna, § 21.2.2.6).
Zie HR 26 november 2004, RvdW 2004, 134, waarover nader § 21.2.2.4.
Vgl. Hartlief, AA 2004, p. 274, r.k.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad heeft in het Saelman-arrest geoordeeld dat de vijfjaarstermijn "pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen." Die beslissing is van eminent belang voor vragen betreffende het aanvangsmoment van de relatieve termijn.
Wij zagen in de vorige paragraaf de relevantie van het Saelman-arrest in verband met de ratio van de relatieve verjaringstermijn. Ook op meer concreet niveau is het van grote betekenis. De Hoge Raad overweegt:1 "(...) De korte verjaringstermijn (...), waarom het in dit geding gaat, staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De voormelde eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid (HR 6 april 2001, nr. C99/158, NJ 2002, 383; vgl. ook HR 20 april 2001, nr. C99/293, NJ 2002, 384), zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat (HR 24 januari 2003, nr. CO2/011, NJ 2003, 300). Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat, indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring is begonnen te lopen op het zojuist bedoelde tijdstip. De korte verjaringstermijn gaat dan pas in wanneer die omstandigheden niet langer verhinderen dat de vordering kan worden ingesteld (HR 23 oktober 1998, nr. 16.567, C97/037, NJ 2000, 15 en HR 25 juni 1999, nr. 16.841, C97/ 320, NJ 2000, 16). Tegen de achtergrond van voormelde rechtspraak en in het licht van de mede naar aanleiding van deze arresten verschenen literatuur komt de Hoge Raad thans tot het oordeel dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen."
De relatieve termijn vangt dus pas aan als de benadeelde "daadwerkelijk in staat is" een vordering in te stellen. Dat criterium past goed in de gedachte dat een vordering slechts krachtens de relatieve termijn kan verjaren als van de benadeelde redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij zijn vordering instelde. Immers, als hij daadwerkelijk in staat is zijn vordering in te stellen, kan van hem in de regel redelijkerwijze ook verwacht worden dat hij dat doet (dit is overigens niet per definitie het geval).2
Hoewel zulks in het Saelman-arrest niet expliciet wordt overwogen, laten zich uitzonderingen denken op de regel dat verhinderende omstandigheden aan de aanvang van de relatieve termijn in de weg staan. De grond voor die uitzonderingen ligt in de gedachte dat de relatieve termijn aanvangt als van de benadeelde jegens de debiteur redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij tot juridische actie komt. Het kan zich voordoen dat die actie redelijkerwijze verwacht had mogen worden, hoewel er voor de benadeelde een verhindering bestond. Dat kan zo zijn als de verhindering geheel in de sfeer van de benadeelde ligt.
Een verhindering waarvan inmiddels vaststaat dat zij niet aan aanvang van de termijn in de weg staat, is rechtsdwaling.3 Voorts is te denken aan gebrekkige feitenkennis doordat, bijvoorbeeld, een vertegenwoordiger van de benadeelde heeft nagelaten bepaalde relevante informatie door te geven. Hoewel in dat laatste geval, net als bij rechtsdwaling, de benadeelde niet "daadwerkelijk in staat is" zijn vordering in te stellen (wie wegens gebrekkige juridische of feitenkennis niet weet dat hij een vordering heeft, kan haar ook niet instellen) lijkt het toch niet juist aanvang van de relatieve termijn op te schorten.4