Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/6.1
6.1 Inleiding
mr. T.F. Walree, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree
- JCDI
JCDI:ADS267483:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
Walree 2017, p. 921-930 (hoofdstuk 1); Walree 2018, p. 134-143 (hoofdstuk 2)
Zie bijvoorbeeld ook Galetta & De Hert 2015, p. 148; Voigt & Von dem Bussche 2017, p. 205; Solove & Keats Citron 2018, p. 755.
HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162, m.nt. S.D. Lindenbergh (EBI). Zie later ook HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 (Aardbevingsschade Groningen); HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465 (Woninginbraak).
Rb. Overijssel 28 mei 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1827 (X/Deventer).
Rb. Amsterdam 2 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6490 (X/UWV).
Rb. Noord-Nederland 15 januari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:247 (X/NDC Mediagroep).
ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898 (Pieter Baan Centrum); ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:899 (Deventer/X); ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:900 (X/Borsele); ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:901 (X/Harderwijk).
In eerdere artikelen beschreef ik het probleem van ‘schade’ bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens.1 Hieruit volgde dat een schending van het gegevensbeschermingsrecht over het algemeen niet leidt tot vermogensschade, maar vaak alleen leidt tot spanning of emotie bij de ‘betrokkene’2 en/of tot een aantasting van zijn immateriële belangen.3 Daar stond tegenover dat het aansprakelijkheidsrecht voor een schadevergoeding concrete schade verlangt en een hoge drempel stelt voor het vergoeden van immateriële schade. De incompatibiliteit van het aansprakelijkheidsrecht en het gegevensbeschermingsrecht zorgde ervoor dat het voor de betrokkene lastig was om een schadevergoeding te krijgen van de verwerkingsverantwoordelijke, waardoor hij zijn fundamentele recht op de bescherming van persoonsgegevens civielrechtelijk niet effectief kon handhaven.
Recente jurisprudentie biedt een nieuw perspectief op dit probleem. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt inmiddels dat in bepaalde gevallen de gevolgen van een normschending kunnen worden verondersteld, waardoor een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW kan worden aangenomen.4 Daarnaast kenden de rechtbank Overijssel,5 de rechtbank Amsterdam6 en de rechtbank Noord-Nederland7 betrokkenen een vergoeding toe voor immateriële schade wegens een inbreuk op de AVG. Zij betrekken in hun overwegingen artikel 82 lid 1 AVG (het recht op schadevergoeding)8 en het ‘verlies van controle over persoonsgegevens’. De rechtbankvonnissen wekken de indruk dat een betrokkene niet altijd concrete gevolgen van de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens hoeft aan te tonen en dat meer dan voorheen ruimte bestaat voor schadevergoeding wegens een inbreuk op de AVG.
Tot slot heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in vier uitspraken geoordeeld over de vraag wanneer een betrokkene recht heeft op schadevergoeding.9 Uit deze uitspraken volgt echter dat de ABRvS een stuk terughoudender is dan de rechtbanken ten aanzien van de mate waarin de betrokkene zijn schade moet concretiseren. Onduidelijk blijft daarom in hoeverre de betrokkene concrete nadelige gevolgen moet aantonen om in aanmerking te komen voor een vergoeding van immateriële schade wegens een inbreuk op de AVG. Die vraag beantwoord ik in deze bijdrage.
Ik begin met een analyse van de AVG en de rechtspraak van het Hof van Justitie, en bespreek de daaruit voortvloeiende mogelijkheden voor vergoeding van immateriële schade (paragraaf 2). In paragraaf 3 schets ik aan de hand van recente rechtspraak van de Hoge Raad het Nederlandse kader voor vergoeding van immateriële schade. Daarna behandel ik de uitspraken van de rechtbanken en de ABRvS (paragraaf 4). In paragraaf 5 kijk ik naar enige buitenlandse rechtspraak ten aanzien van het recht op schadevergoeding bij een inbreuk op de AVG. Ik sluit af met een synthese en conclusie (paragraaf 6).