Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.3.3
3.3 Jurisprudentie van de Hoge Raad onder de werking van het oud BW
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948177:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 11 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4810, NJ 1985/527 (Vier Huizen).
Zie in dat verband ook HR 18 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8257, NJ 1984/632, waarin hij oordeelde (onderstreping TS): ”De ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap door het overlijden van een der echtgenoten heeft niet van rechtswege tot gevolg dat de overblijvende echtgenoot gerechtigd wordt tot de helft van elk der bestanddelen van die huwelijksgoederengemeenschap. Bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap komt immers eerst door een scheiding en deling vast te staan op welke vermogensbestanddelen en in welke verhouding de deelgenoten in die ontbonden gemeenschap rechten kunnen doen gelden.”
Zie HR 27 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5549, NJ 1988/35.
Vgl. punt 4 van de noot van E.A.A. Luijten onder de uitspraak van de Hoge Raad in NJ 1988/35.
224. In de vorige paragrafen is geschetst dat onder de werking van het oud BW de scheiding en deling bij de boedelgemeenschappen onbetwist declaratieve werking had. Ook de Hoge Raad ging daar vanuit. In dat verband is met name de uitspraak van de Hoge Raad in Vier Huizen van belang.1 In de zaak die tot deze uitspraak leidde, waren partijen gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. De ouders van de vrouw waren dat ook. Tijdens het huwelijk van partijen overleed de moeder van de vrouw. Haar erfgenamen waren de vrouw en haar zus. De moeder van de vrouw had aan haar nalatenschap een uitsluitingsclausule verbonden, alsmede aan de erfgenamen een last opgelegd van levenslang vruchtgebruik ten behoeve van vader. Tot de nalatenschap behoorde het aandeel van moeder in een viertal huizen, die tot huwelijksgemeenschap met vader behoorden (die door het overlijden van moeder was ontbonden). De vrouw, haar zus en vader gingen vervolgens over tot scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap, waarbij de zussen ieder twee huizen kregen toegedeeld en vader het vruchtgebruik van deze vier huizen. Toen partijen gingen scheiden, stelde de man zich op het standpunt dat, nu de ouders van de vrouw in gemeenschap van goederen waren gehuwd, het aan de vrouw toegedeelde (de twee huizen) slechts voor de helft uit de nalatenschap van haar moeder was verkregen en voor de andere helft uit het vermogen van vader (vaders ‘deel’ van de huwelijksgemeenschap). Hij verbond daaraan de consequentie dat de uitsluitingsclausule slechts gold ten aanzien van één van de twee huizen die de vrouw toegedeeld had verkregen en dat het andere huis in de huwelijksgemeenschap was gevallen. Rechtbank en hof verwierpen deze opvatting van de man. Daarop ging hij in cassatie. Tevergeefs, want de Hoge Raad oordeelde:
“3.2 […] Uit de boven weergegeven feiten volgt dat de in 1959 tot stand gekomen – mogelijke partiële – scheiding en deling insloot een verdeling van de nalatenschap van de moeder tussen de vrouw en haar zuster. Uit art. 1129 BW vloeit voort dat de vrouw de haar toen toegedeelde bloot eigendom van twee huizen geacht moet worden 'onmiddellijk' te hebben verkregen krachtens dezelfde rechtsgrond als die uit hoofde waarvan zij tezamen met haar zuster die nalatenschap heeft verkregen, nl. krachtens erfopvolging als erfgenamen van de moeder. Daaraan doet niet af dat die nalatenschap bestond in een aandeel in de huwelijksgemeenschap waarin de moeder met de vader van de vrouw was gehuwd, en dat derhalve om tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen te geraken tevoren of te zelfder tijd ook deze huwelijksgemeenschap tussen de vader enerzijds en de beide erfgenamen anderzijds verdeeld diende te worden en dan ook – bij dezelfde akte – is verdeeld. Het hof heeft daarom terecht geoordeeld dat de vrouw geacht moet worden beide huizen geheel uit de nalatenschap van de moeder te hebben verkregen, zodat deze huizen als gevolg van voormelde testamentsbepaling geen van beide vallen in de gemeenschap waarin zij met de man gehuwd was.”
De Hoge Raad oordeelde dus dat op grond van artikel 1129 oud BW de vrouw de aan haar toegedeelde huizen werd geacht rechtstreeks te hebben verkregen van haar moeder. De vrouw had de huizen daarmee krachtens erfopvolging verkregen en dus rustte daarop de uitsluitingsclausule die de moeder van de vrouw aan de verkrijging uit haar nalatenschap had verbonden. Hieraan deed volgens de Hoge Raad niet af dat in de verdeling tevens de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap besloten lag. De Hoge Raad baseerde zijn oordeel op de ‘onmiddellijke werking’ die de verdeling in het systeem van het oud BW had.
225. Dit oordeel van de Hoge Raad past volledig bij het uitgangspunt dat de erfgenamen vóór de verdeling geen aandeel in de afzonderlijke goederen van een boedelgemeenschap hebben, maar slechts een aandeel in die boedelgemeenschap als geheel. Eveneens past dit oordeel volledig in de declaratieve werking van de verdeling die uit die goederenrechtelijke structuur van de boedelgemeenschap voortvloeit. Gaat men er immers van uit dat de deelgenoten in een boedelgemeenschap vóór de verdeling slechts een aandeel hebben in die gemeenschap als geheel – en zij dus niet gerechtigd zijn tot de afzonderlijke goederen van de boedelgemeenschap – dan kan, wanneer tot een gemeenschap van nalatenschap een aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, pas ná verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap worden vastgesteld welke goederen tot de nalatenschap behoren. Ook de ontbonden huwelijksgemeenschap kwalificeert immers als een boedelgemeenschap, waardoor de erfgenamen vóór de verdeling alleen maar een aandeel in die ontbonden huwelijksgemeenschap als geheel hebben.2 Pas door verdeling van de huwelijksgemeenschap komt dus vast te staan welke goederen tot de nalatenschap behoren. Ieder van de erfgenamen heeft vervolgens nog steeds een aandeel in die nalatenschap als geheel. Ook de nalatenschap is immers een boedelgemeenschap. Pas door verdeling van de nalatenschap wordt dus vastgesteld tot welke afzonderlijke goederen ieder van de erfgenamen gerechtigd is. Dit is dan een verkrijging uit handen van de erflater, omdat de erfgenamen vóór de verdeling helemaal niet gerechtigd waren tot de afzonderlijke goederen van de nalatenschap en die goederen dus ook niet uit hun handen verkregen kunnen zijn. Omdat sprake is van een verkrijging uit handen van de erflater, wordt deze volledig beheerst door de uitsluitingsclausule die de erflater aan die verkrijging heeft verbonden. Aldus vallen de aan iedere erfgenaam toegedeelde goederen op grond van die uitsluitingsclausule volledig buiten de huwelijksgemeenschap waarin zij zijn gehuwd, ook al zijn deze mede door verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap verkregen.
226. Na zijn uitspraak in Vier Huizen heeft de Hoge Raad de declaratieve werking van de verdeling nog een keer bevestigd. Dat deed hij in zijn uitspraak Gardeniers/Boels.3 In die zaak ging het om een gemeenschap van vruchten en inkomsten. De vrouw had tijdens het bestaan van deze gemeenschap door scheiding en deling een woning verkregen uit de nalatenschap van haar ouders. De overbedelingsuitkering die zij uit hoofde van deze scheiding en deling aan de andere erfgenamen was verschuldigd, financierde zij met een hypothecaire geldlening waarvan de rente en aflossing werden voldaan ten laste van de gemeenschap. Een aantal jaren later failleerde de man. De curator stelde zich op het standpunt dat de woning tot de gemeenschap van vruchten en inkomsten behoorde, welk standpunt door de rechtbank en het hof werd gevolgd. De Hoge Raad casseerde het oordeel van het hof met de volgende overwegingen:
“3.1 Het middel treft doel. De klaarblijkelijk door het hof gehuldigde opvatting dat het van de grootte van de offers, welke voor het ongedaan maken van een bij de scheiding en deling van een nalatenschap optredende overbedeling moeten worden gebracht, afhangt of het aan de betrokken erfgenaam toegedeelde goed al dan niet moet worden aangemerkt als verkregen 'bij erfenis' in de zin van art. 213 (oud), vindt geen steun in de bewoordingen van die bepaling en is niet verenigbaar met de strekking ervan om buiten de gemeenschap te houden hetgeen de betreffende echtgenoot — in de bewoordingen van het huidige art. 1:124 — door erfopvolging of making heeft verkregen. Daarbij dient te worden aangetekend dat tegen deze uitleg geen bezwaren kunnen worden ontleend aan het gevaar dat aldus bedragen aan de gemeenschap kunnen worden onttrokken door de voldoening van de overbedelingsvordering ten laste van de gemeenschap te financieren, nu een zodanige financiering aanleiding zal zijn tot een vergoedingsvordering van de gemeenschap op de echtgenoot aan wie het goed werd toegescheiden, welke vordering in geval van faillissement van de andere echtgenoot door de curator in verband met het bepaalde in art. 63 Fw ten behoeve van de boedel zal kunnen worden ingesteld.”
Uit deze overwegingen volgt dat de Hoge Raad de verkrijging krachtens boedelscheiding als een verkrijging krachtens erfrecht beschouwde, geheel los van de vraag uit welk vermogen de middelen waren geput om eventuele uitkeringen wegens overbedeling te voldoen. Het hof had deze visie nog verworpen, met de overweging dat de declaratoire werking van de boedelscheiding geenszins impliceert dat onder alle omstandigheden de toebedeelde goederen als door erfopvolging verkregen moeten worden beschouwd. De Hoge Raad volgde dit oordeel dus niet en bevestigde daarmee de declaratieve werking van de scheiding en deling. Alleen via deze declaratieve werking kon immers worden verklaard waarom de verkrijging van de woning door de vrouw onomwonden als een verkrijging krachtens erfrecht werd beschouwd, ongeacht de herkomst van de middelen waarmee zij de overbedelingsuitkering voldeed.4